Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI3163

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
07-05-2009
Zaaknummer
04/860903-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijk opzet bij poging zware mishandeling en poging doodslag: voortgezette handeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860903-08

Uitspraak d.d. : 24 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [naam]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [plaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 10 april 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem

bestuurde personenauto de voor hem fietsende [slachtoffer 1] van achteren is genaderd

en vervolgens met die personenauto tegen die [slachtoffer 1] is gereden en/althans

tegen de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto de voor hem fietsende [slachtoffer1] van achteren is genaderd en vervolgens met die personenauto tegen die [slachtoffer1] is gereden en/althans tegen de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien ter zake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 1] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto de voor hem fietsende [slachtoffer 1] van achteren genaderd en vervolgens met die personenauto tegen die [slachtoffer 1] gereden en/althans tegen de fiets van die [slachtoffer 1] gereden;

artikel 285 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem

bestuurde personenauto met hoge snelheid op de hem tegemoet fietsende [slachtoffer 1]

is ingereden althans toegereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 juncto 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto met hoge snelheid op de hem

tegemoet fietsende [slachtoffer 1] is ingereden althans toegereden, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht;

Althans indien ter zake al het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 1] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto met hoge snelheid op de hem tegemoet fietsende [slachtoffer 1] ingereden althans toegereden;

artikel 285 Wetboek van Strafrecht;

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2008 tot en met 27 augustus

2008 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (een) sms-bericht(en) gezonden

naar [getuige 1], inhoudende "maar één ding ze heeft geluk dat ik niet

weet waar ze moet werken vandaag, maar zij gaat eraan, het boeit me niet als

ik opgepakt wordt, ik ben toch alles kwijt" en/althans "nu kun je achter

[slachtoffer 1] aan gaan, dat is toch wat je wou, ben je nu tevreden, zij gaat eraan

geloof me maar" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

terwijl de inhoud van dat/die sms-bericht(en) ter kennis van die [slachtoffer 1] is

gebracht althans gekomen;

artikel 285 Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op of omstreeks 23 juli 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 2] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de punt van een (stanley)mes in de richting van die [naam] gericht en/of gehouden, in elk geval getoond aan die [naam];

artikel 285 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 23 juli 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam] dreigend de woorden toegevoegd :"Blijf achterom kijken want jou maak ik ook nog af.", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

artikel 285 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 23 juli 2008 in de gemeente Venray opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, heeft geslagen en/of geschopt, waardoor voornoemde [naam] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

artikel 300 Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 april 2009 gevorderd dat

het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De raadsman bepleit te dien aanzien het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Weliswaar heeft verdachte de confrontatie met [slachtoffer 1] gezocht, doch zijn opzet was er niet op gericht het slachtoffer van het leven te beroven dan wel haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de gedragingen van verdachte zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, kan een dergelijke intentie ook niet worden afgeleid. Verdachte wilde met [slachtoffer 1] een gesprek aangaan teneinde haar tot andere inzichten te brengen. In een poging haar te benaderen heeft verdachte met de buitenspiegel van de auto het been van het slachtoffer geraakt.

Als verdachte werkelijk van plan was geweest [slachtoffer 1] met zijn auto te scheppen had hij hiertoe op dat moment de gelegenheid gehad. Hierna is hij naar haar toe gereden om zijn excuses aan te bieden.

Nergens blijkt dat verdachte hierbij rakelings langs het slachtoffer is gereden en zij hierdoor met een noodsprong het vege lijf heeft moeten redden. Het een en ander is wellicht bedreigend op het slachtoffer overgekomen, waardoor zij uit voorzorg de weg heeft verlaten. Te meer nu de kapotte uitlaat van de auto van verdachte doet lijken alsof de auto een hogere snelheid had dan in werkelijkheid het geval was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De raadsman is van mening dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken aangezien het opzet van verdachte om [slachtoffer 1] te bedreigen niet kan worden aangetoond, immers waren de sms-berichten naar de mobiele telefoon van [getuige 1] verzonden en was de inhoud van deze bedreigingen ook tegen deze persoon gericht. Daarnaast was verdachte bekend met het mobiele nummer van deze [slachtoffer 1]. Indien verdachte voornemens was om haar te bedreigen, had het meer voor de hand gelegen dat hij de sms-berichten rechtstreeks naar haar had verzonden.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Voor wat betreft het onder 4 ten laste gelegde is de raadsman van mening dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er een confrontatie tussen verdachte en zijn vader heeft plaatsgevonden. De verklaringen over het mes dat verdachte hierbij zou hebben gehanteerd zijn echter dermate inconsistent dat zij op dit onderdeel onbetrouwbaar moeten worden geacht en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Mogelijk hebben de betrokken personen samengespannen teneinde verdachte nog zwaarder te belasten. Gelet op het vorenstaande dient verdachte van het onder 4 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde

Het onder 5 en 6 ten laste gelegde kan aan de hand van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen wettig en overtuigend worden bewezen, met uitzondering van het schoppen van [slachtoffer 3], zoals onder 6 ten laste is gelegd, waarvan verdachte volgens de raadsman dan ook dient te worden vrijgesproken.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat verdachte met zijn handelen het opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven, dan wel de aanmerkelijke kans hiertoe heeft aanvaard.

Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte in zijn boosheid en frustratie ten opzichte van [slachtoffer 1] op een zeer onverantwoorde wijze de confrontatie met haar heeft gezocht. Hierbij heeft hij haar bedreigd en is hij door zijn imponerende rijgedrag met de buitenspiegel van zijn auto tegen haar fiets als ook tegen haar lichaam gereden. De gedragingen van verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet van dien aard dat hieruit kan worden opgemaakt dat verdachte daadwerkelijk het slachtoffer om het leven heeft willen brengen, noch kan zijn rijgedrag op dat moment als dermate gevaarzettend worden aangemerkt dat verdachte de aanmerkelijke kans hiertoe zou hebben aanvaard. Gelet op het vorenstaande dient verdachte dan ook hiervan te worden vrijgesproken.

7.3 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 april 2009 verklaard dat hij op 09 september 2008, in de gemeente Venray op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto, de voor hem fietsende [slachtoffer 1] van achteren is genaderd en haar in het voorbijgaan met de buitenspiegel van zijn auto heeft geraakt. Hierna heeft hij de auto na ongeveer 50 meter tot stilstand gebracht, is hij gekeerd en vervolgens (schuin) naar deze [slachtoffer 1] toe gereden, waarbij hij de auto uiteindelijk op de tegenovergestelde weghelft tot stilstand heeft gebracht. Verdachte was op dat moment boos en teleurgesteld ten opzichte van het slachtoffer met wie hij enige ogenblikken eerder ruzie had gemaakt .

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (verder te noemen [slachtoffer 1]) . Hierin staat - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op dinsdag 09 september fietste [slachtoffer 1] op de rondweg genaamd [adres] te Venray. Op enig moment zag [slachtoffer 1] dat de personenauto van verdachte eveneens de rondweg [adres] opreed. Na een woordenwisseling tussen deze [slachtoffer 1] en verdachte waarbij verdachte herhaaldelijk heeft gezegd: “ik maak je kapot”, zag zij kans om achter de personenauto van verdachte langs te fietsen. Toen zij een stukje van verdachte verwijderd was, hoorde zij dat verdachte flink op het gaspedaal van zijn personenauto trapte en dat hij haar van achteren naderde. Opeens zag zij aan haar linkerzijde de motorkap en het rechter zijscherm van de auto van verdachte. Zij hoorde vervolgens een klap en voelde dat er iets tegen haar been aanreed. Zij zag toen dat de rechterbuitenspiegel van de auto van verdachte haar been, het stuur en de handrem van haar fiets raakte. Hierdoor raakte [slachtoffer 1] uit evenwicht maar wist zich toch staande te houden.

[slachtoffer 1] verklaart verder dat verdachte vervolgens rechts een straat in reed. Even later kwam hij weer op de rondweg [adres] uit. [slachtoffer 1] zag vervolgens dat verdachte haar met zijn personenauto tegemoet kwam rijden. Hij reed in tegengestelde richting van [slachtoffer 1]. Verdachte stuurde hierbij zijn auto naar de weghelft van [slachtoffer 1]. Zij hoorde toen dat hij flink op het gaspedaal trapte en zag dat de personenauto met hoge snelheid op haar af kwam rijden. Toen de auto haar nagenoeg was genaderd heeft [slachtoffer 1] haar fiets tot stilstand proberen te brengen, hetgeen haar niet lukte omdat haar remmen stuk waren als gevolg van de eerdere aanrijding met verdachte. [slachtoffer 1] is toen van haar fiets gesprongen en rechts van de weg in de bossage terecht gekomen. In de tussentijd hoorde zij verdachte flink remmen en zag dat de auto schuin op de weg tot stilstand was gekomen. Verdachte begon hierna tegen deze [slachtoffer 1] te schelden en te dreigen, waarbij hij onder andere de woorden uitte: “Ik maak je kapot” en “Ik zie je liever dood dan levend”.

Uit het desbetreffende proces-verbaal blijkt tevens dat de relaterende verbalisant heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] op haar linker bovenbeen een kras heeft van ongeveer 15 centimeter. Bovendien heeft de desbetreffende verbalisant geconstateerd dat de linker handrem van [slachtoffer 1] zwaar beschadigd is.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] (verder te noemen [getuige 2]) . Hierin staat - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op 09 september 2008 zag [getuige 2] over de rondweg [adres] te Venray een meisje aan komen fietsen. Op dat moment zag hij ook dat in de tegenovergestelde richting een auto kwam aanrijden die - naar schatting - ongeveer 50 km per uur reed. [getuige 2] zag dat de bestuurder van de auto vanuit de rechterzijde van de weg schuin naar het fietsende meisje toereed. Vervolgens zag hij dat het meisje van haar fiets sprong in de bossages naast de weg. [getuige 2] hoorde dat het meisje en de bestuurder van de auto tegen elkaar begonnen te schreeuwen.

[getuige 2] verklaart verder dat de auto van verdachte nagenoeg tegen de stoeprand aan stond waardoor het meisje volgens [getuige 2] onmogelijk door had kunnen fietsen zonder tegen de auto van verdachte te botsen.

Overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Uit de gedragingen van verdachte zoals gebleken uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte wellicht niet de intentie had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, doch hij door zijn rijgedrag de aanmerkelijke kans hiertoe bewust heeft aanvaard. Door een fietser met de auto zo dicht te naderen dat de buitenspiegel van de auto zowel de fiets al ook de fietser raakt, is het naar het oordeel van de rechtbank louter een kwestie van geluk geweest dat het slachtoffer het evenwicht heeft weten te behouden en zwaar lichamelijk letsel verder is uitgebleven.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte bewust met een aanmerkelijke snelheid op [slachtoffer 1] is toe gereden. Zelfs zodanig dat het slachtoffer genoodzaakt was om van haar fiets te springen, teneinde een botsing met de auto van verdachte te voorkomen. De rechtbank is gebleken dat boosheid van verdachte jegens het slachtoffer de drijfveer is geweest voor de ten laste gelegde gedragingen. Wellicht heeft hij verdachte met zijn gedragingen niet daadwerkelijk om het leven proberen te brengen, doch leidt de rechtbank uit zijn handelwijze af dat verdachte de aanmerkelijke kans hiertoe bewust heeft aanvaard. Immers bij een frontale botsing tussen een auto en een fietser moet de kans reëel worden geacht dat de fietser hierbij om het leven kan komen.

Voor wat betreft de snelheid van de auto voert de raadsman aan dat [slachtoffer 1] hierbij wellicht misleid is door de kapotte uitlaat van de auto van verdachte.

De rechtbank merkt dienaangaande op dat uit de bewijsmiddelen naar voren komt dat zowel [slachtoffer 1] als de getuige de auto tevens hebben waargenomen en zich zodoende een indruk hebben kunnen vormen van de snelheid van de auto van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Op grond van de bewijsmiddelen is tevens niet aannemelijk geworden - zoals de raadsman bepleit - dat verdachte naar [slachtoffer 1] is toe gereden om zijn excuses jegens haar aan te bieden. Een dergelijk scenario strookt immers niet met de waarnemingen van zowel het slachtoffer als de getuige. Bovendien blijkt uit beider verklaringen dat verdachte in plaats van zijn excuses aan te bieden jegens het slachtoffer haar na afloop van het voorval gaat uitschelden en bedreigen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 10 april 2009, alsmede het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] en het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegd heeft begaan.

In tegenstelling tot de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de betreffende sms-berichten bedreigend zijn geweest ten opzichte van [slachtoffer 1]. Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] van deze berichten kennis heeft genomen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (verder te noemen [naam]) . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op woensdag 23 juli 2008 heeft verdachte - zo verklaart [naam] - hem van achteren met zijn arm bij de keel gegrepen. Het voorval vond plaats in de woning van deze [naam] te Venray. Tevens zag [naam] dat verdachte op dat moment een mes vasthield. Het betrof een zogenaamd stanleymes. [naam] zag dat er een mesblad in de houder zat. Het mes had [naam] eerder gebruikt bij het behangen. Hij zag dat verdachte het mes naar hem richtte.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] (verder te noemen [getuige 3]) . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

[getuige 3] was op 23 juli 2008 in de woning van de familie [naam] te Venray. Op enig moment zag hij dat verdachte zijn vader bij de hals vasthield in een soort van wurggreep. [getuige 3] zag tevens dat verdachte een mes vasthield. Het was een soort van breekmes.

Hij zag dat het mes zo’n 5 centimeter was uitgeschoven. Verdachte hield het mes ongeveer 5 tot 10 centimeter boven de keel van zijn vader.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op 23 juli 2008 zijn de desbetreffende verbalisanten - na een melding te hebben ontvangen - naar de [adres] te Venray gegaan. Bij betreding van de woning leek het er op alsof zich in de woning een worsteling had voorgedaan. Een van de verbalisanten zag in de woonkamer van de woning een zogenaamd stanleymes liggen met uitgeschoven lemmet. Het mes is vervolgens door de desbetreffende verbalisant in beslag genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de door haar gebezigde bewijsmiddelen in deze op wezenlijke onderdelen consistent zijn en derhalve betrouwbaar dienen te worden geacht en voor de bewijsvoering kunnen worden gebezigd.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op woensdag 23 juli 2008 bevond [slachtoffer 3] zich in de woning aan de [adres] te Venray. Op enig moment bevond [slachtoffer 3] zich op de galary van deze woning en stond zijn broer (verdachte) beneden. [slachtoffer 3] hoorde verdachte toen tegen hem zeggen: “Blijf achterom kijken want jou maak ik ook nog af”.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van verhoor van verdachte . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op de vraag van de relaterende verbalisant of hij op 23 juli 2008 tegen zijn broer de woorden heeft gezegd: “Blijf achterom kijken want jou maak ik ook nog af”, reageert verdachte als volgt.

Verdachte geeft aan dat het best zo zou kunnen zijn dat hij die woorden tegen zijn broer heeft gezegd. Volgens verdachte was dat nadat hij die dag klappen van zijn broer had gekregen en daardoor behoorlijk “over de rooie” was.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Op woensdag 23 juli 2008 bevond [slachtoffer 3] zich in de woning aan de [adres] te Venray. Op enig moment kwam verdachte in de hal van de woning naar deze [naam] toe. Verdachte duwde [slachtoffer 3] in de rug waardoor hij op de grond viel. Verdachte kwam toen over deze [naam] heen staan en hij zag en voelde dat verdachte hem met tot vuisten gebalde handen meerdere malen opzettelijk en met kracht sloeg. Bovendien heeft verdachte hem met geschoeide voet opzettelijke en met kracht geschopt. Verdachte heeft hiervan pijn ondervonden.

Het strafdossier bevat een proces-verbaal van verhoor van verdachte . Hierin staat onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld.

Verdachte bevond zich op 23 juli 2008 in de woning aan de [adres] te Venray. Verdachte raakte op enig moment in een gevecht met zijn broer [naam]. Hij was toen laaiend van woede en heeft [naam] - waar hij hem maar kon raken - geslagen. Ook heeft hij zij broer geschopt.

Uit bovenvermelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte - in tegenstelling tot hetgeen de raadsman beweert - [slachtoffer 3] heeft geschopt.

De rechtbank weerlegt hiermee tevens de verweren van de raadsman.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, alsmede het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem bestuurde personenauto de voor hem fietsende [slachtoffer 1] van achteren is genaderd en vervolgens met die personenauto tegen die [slachtoffer 1] is gereden en tegen de fiets van die [slachtoffer 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 09 september 2008 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

te beroven, met dat opzet op de weg genaamd [adres], met een door hem

bestuurde personenauto met hoge snelheid op de hem tegemoet fietsende [slachtoffer 1]

is toe gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 25 augustus 2008 tot en met 27 augustus 2008 in de gemeente Venray, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend sms-berichten gezonden naar [getuige 1], inhoudende "maar één ding ze heeft geluk dat ik niet weet waar ze moet werken vandaag, maar zij gaat eraan, het boeit me niet als ik opgepakt wordt, ik ben toch alles kwijt" en "nu kun je achter [slachtoffer 1] aan gaan, dat is toch wat je wou, ben je nu tevreden, zij gaat eraan geloof me maar", terwijl de inhoud van die sms-berichten ter kennis van die [slachtoffer 1] is gekomen;

4.

hij op 23 juli 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend de punt van een mes in de richting van die [naam] gericht;

5.

hij op 23 juli 2008 in de gemeente Venray [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [naam] dreigend de woorden toegevoegd :" Blijf achterom kijken want jou maak ik ook nog af ";

6.

hij op 23 juli 2008 in de gemeente Venray opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] meermalen heeft geslagen en geschopt, waardoor voornoemde [naam] pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en kwalificatie

8.1 Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde

poging doodslag, als voortgezette handeling van poging tot mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel van 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu feit 2 direct volgt op feit 1 en een resultante is van hetzelfde wilsbesluit van verdachte, kwalificeert de rechtbank feit 2 als voortgezette handeling van feit 1.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde bedreiging van enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van een rapportage omtrent de geestvermogens van verdachte, opgemaakt door psycholoog F. van Nunen op 27 maart 2009. De deskundige concludeert hierbij dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 10 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, alsmede van het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt (ambulante) behandeling bij een nader door de Reclassering aan te wijzen (forensische) instantie.

Hierbij heeft de officier van justitie in aanmerking genomen de ernst van met name de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, waarbij het louter een kwestie van geluk is geweest dat het slachtoffer de gedragingen van verdachte heeft overleefd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze mede gelet op de door hem bepleitte vrijspraken te hoog moet worden beoordeeld. Een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een geheel voorwaardelijk opgelegde straf, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht ook als dat inhoudt het ondergaan van (ambulante) behandeling bij een door de reclasseringsinstantie nader aan te wijzen (forensische) instantie, is in zijn visie een passende bestraffing die recht doet aan de door hem bepleitte waardering van het feitencomplex en de noodzakelijke geachte behandeling van verdachte.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft getracht een persoon van het leven te beroven en deze persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. In elk geval heeft hij de aanmerkelijke kans hiertoe aanvaard. Bovendien heeft hij drie personen bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en heeft hij een van deze personen tevens mishandeld.

De rechtbank acht dergelijke misdrijven ernstig. Verdachte heeft deze personen in meer of mindere mate op een gewelddadige wijze bejegend. Een dergelijke bejegening kan diepe sporen bij het slachtoffer achterlaten die kunnen leiden tot psychische dan wel lichamelijke klachten, die nog lange tijd na het voorval kunnen blijven voortbestaan. Dit geldt met name wanneer het geweld fysiek van aard is en zoals in het geval van [slachtoffer 1] tevens levensbedreigend. Verdachte heeft hiermee de integriteit van deze personen in ernstige mate geschaad, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar toerekent.

De rechtbank heeft kennis genomen van een psychologisch rapport omtrent de geestvermogens van verdachte. Hieruit blijkt dat de deskundige heeft geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een stoornis in de impulsbeheersing met als gevolg dat hij onder druk zijn beheersing kan verliezen en agressief naar buiten toe kan afreageren. Hieraan ligt volgens de deskundige een affectieve verwaarlozing ten grondslag die in zijn jeugdjaren is ontstaan. De druk ten tijde van het ten laste gelegde betrof de relatieproblematiek met zijn vriendin. Verdachte is als gevolg hiervan gedecompenseerd, hetgeen volgens de deskundige tot de ten laste gelegde gedragingen heeft kunnen leiden. Het ten laste gelegde kan verdachte dan ook volgens de deskundige in licht verminderde mate worden toegerekend. Om herhaling van dergelijke strafbare gedragingen te voorkomen is volgens de deskundige onder toezicht van de Reclassering, intensieve ambulante behandeling noodzakelijk bij een forensische polikliniek dan wel bij een vergelijkbare instelling.

Voor het overige heeft de rechtbank kennis genomen van een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland. Hierin staat beschreven dat verdachte in de periode van de ten laste gelegde gedragingen werd geconfronteerd met een zwangere vriendin wiens zwangerschap uitmondde in een miskraam.

Als klap op de vuurpijl verbrak de vriendin met wie hij op korte termijn zou gaan samenwonen de relatie en had verdachte geen huisvesting meer.

Doordat hij de spanningen die hiermee gepaard gingen niet goed heeft kunnen verwerken, verloor hij zijn baan en kreeg hij conflicten met zijn vader en zijn broer. De problemen en spanningen rondom de relatie van verdachte zijn volgens de rapporteur mede de oorzaak geweest van de strafbare gedragingen van verdachte. Verdachte verliest de controle in het geval hij spanningen en stress ervaart.

Op grond van het vorenstaande wordt door de rapporterende deskundige wenselijk geacht om middels begeleiding/behandeling aandacht te besteden aan agressiehantering dan wel aan de impulsbeheersing van verdachte. In dat kader adviseert de Reclassering een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht en intake en behandeling binnen de forensisch psychiatrische polikliniek “de Horst”.

Uit hetgeen over de persoon van de verdachte door de deskundige is geconcludeerd - welke conclusies de rechtbank overigens tot de hare maakt - leidt de rechtbank af dat verdachte als gevolg van zijn stoornis in combinatie met de persoonlijke omstandigheden, ten tijde van het ten laste gelegde zijn zelfbeheersing volledig is verloren. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken, heeft de rechtbank evenwel de overtuiging gekregen dat het gebeuren een incident betrof in het leven van verdachte en met het ondergaan van de noodzakelijke geachte behandeling herhaling hiervan kan worden voorkomen. De rechtbank zal bij de strafmaat rekening houden hiermee, als ook met het strafverleden van verdachte dat niet getuigt van een persoon die veelvuldig betrokken is geweest bij strafbare gedragingen. Daarnaast acht de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde het bepaalde in artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving een voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een werkstraf in deze een gepaste bestraffing vormt.

De rechtbank zal de voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen voor de duur van 1 jaar, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij een door de Reclassering nader aan de wijzen (forensische) instelling. De werkstraf zal door de rechtbank worden bepaald voor de duur van 240 uren.

Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke straf passend en in overeenstemming met de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, alsmede met de persoon van verdachte zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het bovenstaande in aanmerking acht de rechtbank deze strafoplegging meer passend dan hetgeen door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging is bepleit.

10.4 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer in beslag genomen is een (merkloos) hobbymes met uitschuifbare afbreekmesjes.

Nu met betrekking tot dit voorwerp niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerp te worden teruggegeven aan degene aan wie het toebehoort, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op na te noemen de artikelen.

Wetboek van Strafrecht artikel 9, 10 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45, 56, 57, 287, 300 en 302.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, alsmede het onder 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende die proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, unit Roermond, ook

als dat inhoudt een ambulante behandeling bij enige door de Reclassering aan te

wijzen (forensische) instelling gedurende maximaal de periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan de Reclassering aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis welke verdachte heeft ondergaan 2 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte worden gesteld;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

gelast de terugave van het in beslag genomen onder 10.4 vermelde voorwerp, te weten een (merkloos) hobbymes met uitschuifbare afbreekmesjes, aan de rechthebbende;

heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, M.J.H. van den Hombergh en C.C.W.M. Aretz rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C.W. Gubbels-Willems als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 april 2009.