Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI3040

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
04/860113-07; 04/860540-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak in verband met onrechtmatig binnentreden in een woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860113-07

Parketnummer : 04/860540-06

Uitspraak d.d. : 21 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de ter terechtzitting gevoegde zaken tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2008, 11 maart 2009 en 7 april 2009.

2. De tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 04/860113-07 staat verdachte terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 2 februari 2007 in de gemeente Venray opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 4 tabletten, in elk geval een hoeveelheid

van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of brolamfetamine, zijnde cocaïne en/of MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA (3,4 methyleendioxymethamfetamine) en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine en/of brolamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

artikel 2 van de Opiumwet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Nokia heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

3.

hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Nokia, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

4.

hij in of omstreeks de periode van 15 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Sony, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Siemens heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Samsung, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

7.

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een tas, inhoudende een laptop, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde

van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

8.

hij in of omstreeks de periode van 12 april 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een scooter, merk Piaggo heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die scooter wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

9.

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een navigatiesysteem, merk Olympia, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde

van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat navigatiesysteem wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

10.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2005 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een SIM-kaart van provider Orange heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van

het verwerven of het voorhanden krijgen van die SIM-kaart wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

11.

hij in of omstreeks de periode van 13 oktober 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een digitale fotocamera, merk HP heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde

van het verwerven of het voorhanden krijgen van die camera wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

12.

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Samsung, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die GSM wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

13.

hij in of omstreeks de periode van 28 juli 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een GSM, merk Nokia, en een digitale camera, merk Olympus, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde voorwerpen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

14.

hij in of omstreeks de persiode van 23 december 2006 tot en met 2 februari 2007 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, een SD geheugenkaart heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het

verwerven of het voorhanden krijgen van die geheugenkaart wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

artikel 416 juncto artikel 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

In de zaak met parketnummer 04/860540-06 staat verdachte terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2006 tot en met 10 juni 2006 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een door

hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2006 tot en met 7 juni 2006 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht;

Althans indien terzake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2006 tot en met 7 juni 2006 in de gemeente Venray [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk

dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden op die [slachtoffer 1];

artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 15 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (meermalen) heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlasteleggingen kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlasteleggingen door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaardingen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen aan alle wettelijke eisen voldoen en dus geldig zijn.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 7 april 2009 gevorderd dat in de

zaak met parketnummer 04/860113-07 de sub 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 10 ten laste gelegde feiten en in de zaak met parketnummer 04/860540-06 het sub 2 ten laste gelegde feit bewezen zal worden verklaard. Voor de overige ten laste gelegde feiten vordert de officier van justitie vrijspraak.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak met parketnummer 04/860113-07 ten laste gelegde feiten en van het in de zaak met parketnummer 04/860540-06 onder 1 ten laste gelegde feit. Van het onder 2 ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 04/860540-06 dient verdachte ontslagen te worden van rechtsvervolging.

In de zaak met parketnummer 04/860113-07 heeft de raadsman, onder meer, als verweer - zakelijk weergegeven - het navolgende gesteld:

Op 2 februari 2007 is een machtiging binnentreden in de woning [adres] te Venray afgegeven door de hulpofficier van justitie [naam ] op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie. Volgens dat wetsartikel moet er sprake zijn van "redelijkerwijs kunnen vermoeden" dat er in de woning vuurwapens aanwezig zijn. Dit moet naar objectieve maatstaven - achteraf - toetsbaar zijn. De bevoegdheid beperkt zich tot die plaatsen waar de wapens naar men vermoedt op het moment van de doorzoeking zullen worden aangetroffen.

In casu was men op zoek naar een wapen, mogelijk in bezit van [broer verdachte], zijnde een broer van verdachte. Deze broer was echter niet woonachtig op de [adres]. Hij was elders woonachtig, hetgeen de politie ook wist. Er was zelfs GBA info over de plaats waar hij woonde. In het dossier is niets te vinden waarop het redelijk vermoeden nu, objectief, getoetst kan worden dat er in die woning, zijnde de woning van de moeder van [broer verdachte], een vuurwapen aanwezig zou zijn geweest. Vast staat dat [broer verdachte] ten tijde van de doorzoeking niet in die woning aanwezig was.

De conclusie moet zijn dat de doorzoeking niet rechtmatig is geweest wegens het ontbreken van een objectief toetsbaar vermoeden. Het geconstateerde verzuim - ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering - is onherstelbaar. Daarbij vond het plaats in het voorbereidend onderzoek en verbindt de wet geen gevolgen aan dit verzuim. Duidelijk is dat de persoonlijke levenssfeer ernstig is geschonden door deze doorzoeking. Voorts heeft de officier van justitie zich doen vergezellen van personen die niet gerechtigd waren binnen te treden. Dit is een ernstig verzuim. Het is duidelijk dat verdachte groot nadeel ondervindt van de schending waardoor hij rechtstreeks in zijn verdediging is geschaad.

Al hetgeen op het overzicht van inbeslagname staat is rechtstreeks door dit vormverzuim verkregen. De onderzoeksresultaten, verkregen door de inbeslagname van de goederen, zijn ook rechtstreeks een gevolg van dit vormverzuim.

Aan het genoemde vormverzuim dient het gevolg te worden verbonden dat deze goederen niet aan het bewijs van het ten laste gelegde mogen bijdragen.

In de zaak met parketnummer 04/860540-06 heeft de raadsman ten aanzien van het sub 1 ten laste gelegde feit bepleit dat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken, nu de verklaringen van de getuigen over dit gebeuren inconsistent en onbetrouwbaar zijn en derhalve niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, waardoor onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om te komen tot een bewezenverklaring van dit feit.

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd; de rechtbank verwijst naar die nota.

Onder punt 7.2 en 8.1 van dit vonnis zal de rechtbank de verweren van de raadsman bespreken.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank van de ten laste gelegde

feiten in de zaak met parketnummer 04/860113-07

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte de ten laste gelegde feiten in de zaak met parketnummer 04/860113-07 heeft begaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 1], brigadier van politie, behorende tot de basiseenheid Venray, district Venray, regio Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2351/07-000760 d.d. 8 maart 2007 (pagina 16 tot en met 27) blijken de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 februari 2007, omstreeks 01.35 uur, vond in een kamer, gelegen in perceel [adres] te Venray een schietincident plaats, waarbij als een van de verdachten werd aangemerkt [broer verdachte], zijnde een broer van verdachte.

Er werd(en) geen vuurwapen(s) aangetroffen en [broer verdachte] kon niet worden aangehouden.

Vervolgens vindt later op die dag een doorzoeking plaats in perceel [adres] te Venray, zijnde de woning van de ouders van [broer verdachte] en van verdachte [verdachte].

Door de hulpofficier van justitie [naam] werd ingevolge artikel 49 van de Wet wapens en munitie een machtiging afgegeven om zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning van verdachte. Het doel van het binnentreden was doorzoeking ter inbeslagneming van een vuurwapen en de daarbij behorende munitie dat vermoedelijk in de woning aanwezig zou zijn.

Vervolgens is de politie krachtens die machtiging binnengetreden in de woning van verdachte. De politie heeft geen vuurwapen aangetroffen, maar wel een groot aantal goederen, waaronder een aantal gsm toestellen en drugs, een en ander vermeld op de lijst van inbeslaggenomen goederen. Een aantal van deze goederen bleek bij nader onderzoek van diefstal afkomstig te zijn. Ter zake heling en het voorhanden hebben van de drugs is proces-verbaal tegen verdachte opgemaakt, hetgeen heeft geleid tot de onderhavige strafzaak.

Nu voorafgaande aan de doorzoeking geen adrestoetsing heeft plaatsgevonden en zich in het dossier verder ook geen enkele concrete aanwijzing bevindt dat [broer verdachte] zou wonen dan wel zou verblijven op het adres [adres] te Venray, is de rechtbank van oordeel dat het binnentreden in de woning van verdachte door de politie onrechtmatig was.

Bij de beslissing welk gevolg aan het onrechtmatig binnentreden moet worden verbonden heeft de rechtbank op de voet van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering rekening gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Nu het in de woning aangetroffen bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en naar het oordeel van de rechtbank door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift en rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, dient dat materiaal van het bewijs te worden uitgesloten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat door het onrechtmatig binnentreden het huisrecht van verdachte is geschonden. Omdat al het overige bewijsmateriaal een rechtstreeks resultaat is van dat onrechtmatig binnentreden, dient ook dat materiaal van het bewijs te worden uitgesloten. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 04/860113-07 ten laste gelegde feiten.

7.3 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank van het ten laste gelegde

feit 1 in de zaak met parketnummer 04/860540-06

Evenals de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 04/860540-06 dient te worden vrijgesproken, nu onvoldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn om te komen tot een bewezenverklaring van dit feit.

7.4 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde feit 2 in de zaak met parketnummer 04/860540-06 heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen verwijzen naar de doorlopende paginanummering rechts onderaan in het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 2], brigadier van politie, behorende tot de basiseenheid Venray, district Venray, regio

Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2350/06-003166 d.d. 6 juli 2006 (pagina 10 tot en met 23).

7.4.1 Samenvatting van de bewijsmiddelen van feit 2 in de zaak met parketnummer 04/860540-06 en oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft op 18 mei 2006 aangifte van mishandeling gedaan.

Hij heeft verklaard dat hij op 15 mei 2006, omstreeks 22.00 uur, in zijn woning aan de [adres] te Venray was. Omstreeks dat tijdstip is [verdachte], een Marokkaanse jongen, bij hem aan de deur gekomen. [verdachte] heeft hem hierna ervan beschuldigd dat hij zijn auto had bekrast.

Voor zijn woning is een schermutseling ontstaan, waarbij hij door [verdachte] met een vuist op zijn lip is geslagen. Ook sloeg [verdachte] hem met zijn vuist op zijn voorhoofd en onder zijn linkeroog. Hij voelde pijn aan zijn gezicht en zijn lip. Daarna is hij nog een keer met een vuist tegen zijn gezicht geslagen.

Later voelde hij dat hij een bloedlip had.

Door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] wordt gerelateerd dat zij op 15 mei 2006, omstreeks 22.30 uur, naar het adres [adres] te Venray zijn gegaan in verband met een vechtpartij.

Aldaar hebben zij gezien dat [slachtoffer 2] een bloedlip, een gezwollen linkeroog en diverse striemen in zijn hals had.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in de avond van 15 mei 2006 bij de woning [adres] te Venray [slachtoffer 2] heeft geslagen.

7.5 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 04/860540-06 sub 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 15 mei 2006 in de gemeente Venray opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] meermalen heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De raadsman heeft betoogd dat verdachte bij de mishandeling, ten laste gelegd als feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 04/860540-06, uit noodweer heeft gehandeld en derhalve ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Hij heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - gesteld:

Op het moment dat verdachte verhaal komt halen wegens het vermoeden dat aangever zijn auto had beschadigd, wordt hij geconfronteerd met de agressie van aangever. Hij reageert hierop door aangever van zich af te houden, waarna de moeder van de aangever verdachte ook belaagt. Het toegepaste geweld was beperkt, daarbij zag verdachte zich geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en had hij geen keus; hij werd aangevallen. Hij heeft zich zo spoedig mogelijk ontworsteld aan de schermutseling en is weggegaan.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer en overweegt hiertoe als volgt.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op 15 mei 2006 naar de woning van het slachtoffer [slachtoffer 2] is gegaan om verhaal te gaan halen in verband met een beschadiging aan zijn auto, waarvan hij vermoedde dat het slachtoffer dat had gedaan. Voor de woning is een schermutseling ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer, waarbij over en weer is geslagen.

De stelling van de verdediging dat verdachte werd aangevallen door het slachoffer wordt niet ondersteund door de verklaringen van de overige aanwezigen bij het gebeuren. Zowel de moeder als de vader van het slachtoffer verklaren dat het juist verdachte was die de confrontatie aanging. Nu verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding ten gevolge waarvan verdachte zich noodzakelijkerwijze diende te verdedigen, wordt het beroep op noodweer verworpen.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte in de zaak met parketnummer 04/860540-06 onder 2

bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

2. mishandeling.

Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 7 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 58 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde straf geen opmerkingen gemaakt.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging enerzijds rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving. De rechtbank neemt de zogenaamde oriëntatiepunten met betrekking tot straftoemeting eenvoudige mishandeling als uitgangspunt.

Door de bewezen verklaarde mishandeling wordt inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zoals blijkt uit zijn verklaring afgelegd bij de politie.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het tot een vechtpartij heeft laten komen naar aanleiding van een situatie waarin hij zich zelf heeft begeven en die hij gemakkelijk had kunnen vermijden.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte reeds eerder ter zake een mishandeling veroordeeld.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het een feit van relatief oude datum is en dat het letsel van het slachtoffer beperkt is gebleven.

Tot slot neemt de rechtbank mee de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het door de reclassering uitgebrachte rapport en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

10.4 Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een boksbeugel, een alarmpistool en een pistool, Reck Perfecta, gaspistool, type FBI8000 8mmk serienr. 387-2, dient te worden onttrokken aan het verkeer.

Genoemde, aan de verdachte toebehorende, voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, terwijl die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven zijn aangetroffen en kunnen dienen tot de voorbereiding van misdrijven dan wel de belemmering van de opsporing van misdrijven.

10.5 Teruggave in beslag genomen voorwerp aan [slachtoffer 3]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen

is: een fototoestel, Olympus U-minidig4, serienummer 561527521 digi camera en oplader.

Nu met betrekking tot dit voorwerp niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerp te worden teruggegeven aan degene aan wie het toebehoort, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.6 Teruggave in beslag genomen voorwerpen aan verdachte

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen is:

een telefoontoestel, Samsung SGH-D660, serienummer 358223/00/347096/6,

een telefoontoestel, Nokia 8850, serienummer 448901/10/098948/1,

een telefoontoestel, Nokia 3210, serienummer 449204/20/147146/0,

een telefoontoestel, Siemens C35, serienummer 449191436235135,

een telefoontoestel, Samsung SGH-E900, serienummer 359882/00/420248/5,

een fototoestel, Casio EX-Z3B, serienummer 3104543B digitaal,

een fototoestel, Canon A75PC1202, serienummer 9132212278 digitaal,

een computer, Compaq Armada 4150, serienummer 8748BLY84994 laptop,

een electra, Philips Classic LFH0388OOB, voicerecorder,

een telefoontoestel, Nokia RH/59, serienummer 35758800/763928/2,

een telefoontoestel, Nokia RH/19, serienummer 356214/00/904027/7,

een telefoontoestel, Samsung SGH-E800, serienummer 354160/00/143466/5,

een telefoontoestel, Nokia NHM-2NX, serienummer 354326/00/428923/8,

een telefoontoestel, Sagem VS3, serienummer 357323001316822,

een telefoontoestel, Siemens Benq CF110, serienummer 357547005938823,

een telefoontoestel, Samsung SGH-E300, serienummer 353225/00/470541/0,

een telefoontoestel, Nokia 6310, serienummer 351488/20/948400/7,een videorecorder, serienummer AUJ02827,

een videorecorder, Denver MT-713, serienummer 2683-05/05/01174,

een stereocombinatie, Bose AV3-2-1GS, serienummer 033160341120361AZ,

94 munten, age coins,

een versterker, serienummer 407023730,

een autoradiocompactdisc, Sony CDX-GT200S, serienummer 1585128,

een electra, Kingston SDkrt128mb, serienummer GH0515033cH0517Pa,

een sleutel, Aprilia,

een sleutel, Protec,

een glassnijder, Silberschnitt,

een telefoonkaart, TMobil simcard.

een telefoonkaart, pinpukkrt,

een telefoonkaart, pinpukkrt,

een telefoonkaart, pinpukkrt,

een verpakking met handschoenen met 2 kentekens [kenteken] [kenteken],

een electra, Compaq, serienummer G639HZA12100 dockingstation van laptop en

een schroevedraaier, kleur groen, Chroom Vadium 11 mm.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene aan wie deze toebehoren en

onder wie deze zijn inbeslaggenomen, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.6 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4], [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 4] voornoemd heeft deze schade op een bedrag van € 214,65 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36b, 36d, 300.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte in de zaak met parketnummer 04/860113-07 de sub 1 tot en met 14 ten laste gelegde feiten en in de zaak met parketnummer 04/860540-06 het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de zaak met parketnummer 04/860540-06 het onder 2 ten laste gelegde feit zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 3 weken;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden;

verklaart onttrokken aan het verkeer de onder punt 10.4 van dit vonnis genoemde voorwerpen;

gelast de teruggave aan [slachtoffer 3], [adres] van het onder punt 10.5 van dit vonnis genoemde voorwerp;

gelast de teruggave aan verdachte van de onder punt 10.6 van dit vonnis genoemde voorwerpen.

ten aanzien van feit 4 in de zaak met parketnummer 04/860113-07:

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4], [adres] niet ontvankelijk in haar vordering.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, N.H.W. Montulet-van der Meer en

E.J.H.G. van Binnebeke, rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in

tegenwoordigheid van P.W.A. Beckers als griffier en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van de rechtbank op 21 april 2009.

mr. N.H.W. Montulet-van der Meer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

typ:pb