Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI2233

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
27-04-2009
Zaaknummer
04/850720-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking tijdens een relatie. Klachtdelict: klacht ingetrokken, OM toch ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850720-08

Uitspraak d.d. : 24 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 april 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 09 september 2008 in de gemeente Nederweert, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk

dreigend tegen [verbalisant], brigadier van politie, (telefonisch) onder meer gezegd -daarbij doelend op die [slachtoffer]-: "Ik maak haar af, kapot" en/althans "Ik maak haar helemaal kapot" en/althans "Ik zeg je de politie

Nederweert zal een lijk vinden in een steeg" en/althans "Ik vind haar en maak haar dood" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreigingen die [slachtoffer] kennis heeft genomen;

art. 285 Wetboek van Strafrecht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2008 tot en met 09 september 2008 in de gemeente Nederweert, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, telefonisch contact op te nemen

althans te zoeken met die [slachtoffer]

en/of

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, sms-berichten te zenden naar die

[slachtoffer]

en/of

- door veelvuldig, in elk geval meermalen kaarten en/of brieven te zenden

althans te doen toekomen aan die [slachtoffer]

en/of

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, persoonlijk contact te zoeken met

die [slachtoffer];

art. 285b Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op of omstreeks 15 augustus 2008 in de gemeente Nederweert opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300 Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het onder 2 tenlastegelegde feit betreft een klachtdelict. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft in een brief van 2 december 2008 aangegeven haar aangifte te willen intrekken. De rechtbank is van oordeel dat dit niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit kan leiden, nu de intrekking niet heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van acht dagen na de dag van indiening van de klacht en op de bij de wet voorgeschreven wijze.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 10 april 2009 gevorderd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat er tussen [slachtoffer] en verdachte met tussenpozen en met vallen en opstaan een affectieve relatie heeft bestaan, een relatie die beiden ook wilden. Verdachte is zelf ook veelvuldig door [slachtoffer] benaderd en zij heeft nimmer gezegd dat zij geen contact met verdachte wilde.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1.

Naar aanleiding van klachten van [slachtoffer] dat zij wordt lastig gevallen door [verdachte], bevinden op 9 september 2008, omstreeks 16.00 uur, aangeefster [slachtoffer] en de verbalisant [verbalisant], brigadier van politie te Weert/Nederweert, zich in de woning van [slachtoffer], [adres]. Wanneer [slachtoffer] op haar gsm wordt gebeld, neemt de verbalisant met toestemming van de aangeefster de telefoon op. Aan de lijn is [verdachte]. [verbalisant] deelt mede dat hij een afspraak met [verdachte] wil maken over de situatie tussen [verdachte] en [slachtoffer]. In het gesprek dat volgt zegt [verdachte]: “Ik maak haar af, kapot”, “Ik maak haar helemaal kapot”, “Ik zeg je de politie Nederweert zal een lijk vinden in een steeg” en “Ik vind haar en maak haar dood”. Volgens [verbalisant] is [verdachte] furieus in zijn uitspraken en geeft hij meerdere keren te kennen aangeefster [slachtoffer] of zwaar te mishandelen of van het leven te beroven.

Aangeefster [slachtoffer] hoort dat de verbalisant [verbalisant] verdachte [verdachte] aan de lijn heeft. Zij hoort hem schreeuwen: “Ik maak haar af. Ik maak haar kapot” en nog meer dreigende uitspraken. Door deze bedreiging wordt zij bang voor [verdachte] en is zij bang dat hij haar van het leven zal beroven.

Verdachte [verdachte] verklaart dat hij op 9 september 2008 telefonisch contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en dat hij toen een gesprek heeft gehad met een politieman. Hij is kwaad geworden en heeft allerlei dingen gezegd.

Ten aanzien van feit 2.

[slachtoffer] doet aangifte van stalking, gepleegd door [verdachte] en verklaart dat zij in de periode van 1 mei 2008 tot en met 9 september 2008 in Nederweert veelvuldig is lastig gevallen door [verdachte]. Zij heeft diverse ongewenste brieven en kaarten ontvangen en voorts sms-jes op haar mobiele telefoon. Zij stelt dat zij zich daardoor door [verdachte] gestalkt en bedreigd voelt. De strekking van de sms-berichten, brieven en kaarten is dat hij wil dat zij moet stoppen met haar zogenaamde relatie met andere mannen. [slachtoffer] verklaart voorts dat verdachte haar blijft stalken, lasteren en bedreigen, dat zij er psychisch aan onderdoor gaat en dat zelfs de verhouding tussen haar en haar werkgever door het stalkgedrag van verdachte verstoord is geraakt. Ook eind augustus en begin september 2008 heeft zij nog een ansichtkaart, een brief en diverse sms-jes met dezelfde strekking van verdachte ontvangen.

Verdachte [verdachte] verklaart dat hij vanaf mei/juni 2008 tot en met 9 september 2008, en in het bijzonder in mei en juni 2008, regelmatig sms-berichten en handgeschreven kaarten en brieven naar [slachtoffer] in Nederweert heeft gestuurd, omdat hij geen vertrouwen meer in haar stelde en hij wilde dat zij tegen hem de waarheid zou spreken. De bedoeling van de sms-berichten, brieven en kaarten was dat hij wilde bewerkstelligen dat zij de waarheid zou spreken. Voorts verklaart hij dat hij haar overal volgt en haar stalkt.

Ten aanzien van feit 3.

[slachtoffer] verklaart dat zij op 15 augustus 2008 [verdachte] bij het zwembad in Nederweert heeft ontmoet. Nadat zij enige tijd op een bankje met elkaar gesproken hebben, staan zij op. Als zij aanstalten wil maken haar fiets te pakken ziet zij dat [verdachte] zijn rechterarm naar achteren haalt en met kracht met zijn tot vuist gebalde rechterhand op haar linker jukbeen slaat. Door de klap valt zij op de grond en raakt buiten bewustzijn. Wanneer zij bijkomt voelt zij dat het bloed over haar linker wang loopt. Door de klap heeft zij een wond op haar jukbeen, pijn in haar gezicht en hoofdpijn.

De arts [arts] constateert op 16 augustus 2008 bij [slachtoffer] een zwelling en een klein oppervlakkig wondje ter hoogte van de linker zygoma.

[verdachte] verklaart ter terechtzitting dat hij [slachtoffer] op 15 augustus 2008 In de gemeente Nederweert een oorvijg heeft gegeven. In voormeld telefoongesprek met de verbalisant [verbalisant] van 9 september 2008 vertelt [verdachte] dat hij mevrouw [slachtoffer] laatst in Nederweert bewusteloos heeft geslagen.

7.2.2 Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde stelt de rechtbank voorop dat van belaging sprake is indien iemand gedurende een zekere periode opzettelijk een ander herhaaldelijk lastig valt waardoor een inbreuk wordt gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Hierbij kan het gaan om diverse gedragingen, zoals het ongewenst benaderen door middel van brieven, kaarten of sms-berichten. Ook indien er een verhouding tussen die twee personen heeft bestaan en naderhand nog of wederom voortduurt, kunnen er naar het oordeel van de rechtbank perioden zijn gedurende welke er sprake is van een zodanige ongewenste stelselmatige benadering door een van de partners, dat daardoor een van de partners belaagd wordt.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij vanaf mei/juni 2008 regelmatig handgeschreven kaarten en brieven heeft gestuurd omdat hij haar niet meer vertrouwde en hij vond dat zij niet de waarheid sprak. Hij heeft haar daarom herhaaldelijk benaderd omdat hij wilde bereiken dat zij wel de waarheid zou spreken. Ook heeft verdachte verklaard dat hij haar om die reden sms-berichten heeft gestuurd.

Uit de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer] blijkt voorts dat de benaderingen door verdachte tegen de wil van het slachtoffer geschiedden en uit de reacties van het slachtoffer had verdachte moeten afleiden dat het slachtoffer van zijn benaderingen niet gediend was. Ter terechtzitting, waar [slachtoffer] als getuige is gehoord, heeft zij verklaard dat zij enerzijds prijs stelde op de relatie met verdachte, doch anderzijds zijn aanhoudende claim- door middel van onder meer kaarten en sms-berichten – haar zijn waarheid te laten verklaren als vervelend en bedreigend heeft ervaren.

Uit de omstandigheid dat verdachte het slachtoffer voortdurend wilde dwingen de waarheid te vertellen en de wijze waarop verdachte daartoe door het steeds weer sturen van brieven, kaarten en sms-berichten te werk is gegaan, de duur van de periode gedurende welke de benaderingen door verdachte plaatsvonden en de hoge frequentie en intensiteit van de benaderingen, de verklaring van het slachtoffer dat zij dit handelen als vervelend en bedreigend heeft ervaren en de psychische gevolgen die zijn handelen bij haar hebben veroorzaakt, leidt de rechtbank af dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte gedurende de tenlastegelegde periode door voormelde handelingen wederrechtelijk stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer], zodat de rechtbank het onder 2 tenlastegelegde bewezen acht. Dat er voor die periode en ook daarna en mogelijk tijdens deze periode andere, al dan niet vriendschappelijke, contacten tussen verdachte en het slachtoffer zijn geweest en het slachtoffer nadien haar aangifte heeft willen intrekken, doet daaraan niet af. Wel zal de rechtbank deze omstandigheid mee laten wegen bij de bepaling van de strafmaat.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 09 september 2008 in de gemeente Nederweert, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen [verbalisant], brigadier van politie, (telefonisch) onder meer gezegd -daarbij doelend op die [slachtoffer] -: "Ik maak haar af, kapot" en "Ik maak haar helemaal kapot" en "Ik zeg je de politie Nederweert zal een lijk vinden in een steeg" en "Ik vind haar en maak haar dood" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreigingen die [slachtoffer] kennis heeft genomen;

2.

hij in de periode van 01 mei 2008 tot en met 09 september 2008 in de gemeente Nederweert, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen,

- door veelvuldig, in elk geval meermalen, sms-berichten te zenden naar die

[slachtoffer]

en

- door veelvuldig, in elk geval meermalen kaarten en brieven te zenden althans te doen toekomen aan die [slachtoffer];

3.

hij op 15 augustus 2008 in de gemeente Nederweert opzettelijk mishandelend [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende strafbare misdrijven.

Ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht .

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

belaging.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3:

mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psycholoog drs. J.E.J. Spee is omtrent de geestvermogens van verdachte op 21 januari 2009 rapportage uitgebracht. De deskundige komt tot de conclusie dat er bij verdachte geen sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 10 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 172 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat, nu verdachte volgens de verdediging van het onder 2 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, de straf beperkt dient te blijven tot een vrijheidstraf of een werkstraf waarvan de omvang gelijk is aan de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht alsmede een mishandeling waarbij het slachtoffer letsel en pijn heeft opgelopen.

Voorts heeft verdachte veelvuldig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer [slachtoffer] door haar herhaaldelijk lastig te vallen op de manier, zoals omschreven in de bewezenverklaring.

Verdachte heeft volhard in zijn eigen waarheid en ideeën omtrent de relatie en de drijfveren van [slachtoffer]. Zijn opvatting heeft hij aan haar opgedrongen waarbij hij er niet voor terugdeinsde geweld te gebruiken.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij, zonder zich te bekommeren om de psychische gevolgen voor het slachtoffer, steeds is doorgegaan met het plegen van deze feiten. Door delicten als de bewezenverklaarde wordt de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer ernstig geschonden. Hierdoor ontstaat een algeheel gevoel van onveiligheid, hetgeen een ware aanslag op de geestelijke gezondheid kan vormen. Door die handelingen heeft hij bij het slachtoffer gevoelens van angst en onzekerheid veroorzaakt zonder daartoe enige redelijke aanleiding te hebben gehad.

Uit de processtukken blijkt voorts dat het hele gebeuren voor het slachtoffer ernstige nadelige gevolgen heeft gehad voor het functioneren op haar werk.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster op een zodanig ernstige wijze heeft benadeeld, dat geen andere straf dan een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur een passende bestraffing vormt.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn vermeld in het door de reclassering uitgebrachte rapport en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte is volgens het uittreksel uit het Justitiële Documentatie Systeem niet eerder ter zake van soortgelijke feiten veroordeeld.

De psycholoog drs. J.E.J. Spee stelt in zijn omtrent verdachte uitgebracht rapport van 21 januari 2009 dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis. Zijn gedragskeuzen c.q. zijn gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde kunnen niet vanuit een dergelijke stoornis verklaard worden. Tijdens het plegen van het bewezenverklaarde was verdachte volledig toerekeningsvatbaar. In zijn partnerrelaties heeft verdachte wel al eerder leugenachtigheid en bedrog ervaren en hij lijkt die gebeurtenissen slechts ten dele verwerkt te hebben. Aangenomen mag worden dat hij daardoor verhoogd gevoelig en extra kwetsbaar was voor nieuwe krenkingen.

De psycholoog adviseert verdachte te verplichten contact op te nemen met de reclassering teneinde te bekijken hoe de situatie er op dat moment voorstaat en te bezien welke hulpverleningsafspraken er verder gemaakt dienen te worden.

Volgens het voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland te Tilburg kan de drang van verdachte tot het hebben van een relatie wellicht tot nieuwe problemen leiden. Hij toont weinig zelfinzicht en bovendien heeft hij geen sociaal netwerk dat in staat is hem te stimuleren tot zelfreflectie en begrenzing waardoor problemen in de toekomst uitgesloten kunnen worden. Verdachte is echter niet gemotiveerd voor begeleiding dan wel behandeling. Om die reden en het gebrek aan informatie over eventuele psychische problemen, acht de reclassering een verplicht reclasseringscontact niet geïndiceerd. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overeenkomstig het voorarrest en overigens een werkstraf op te leggen.

Bij de straftoemeting houdt de rechtbank voorts rekening met de omstandigheid dat de feiten zich hebben afgespeeld binnen een relatie die beide partners niet daadwerkelijk hebben willen beëindigen, met de omstandigheid dat het slachtoffer had aangegeven haar aangifte te willen intrekken en dat zij heeft verklaard dat zij van oordeel is dat verdachte reeds genoeg gestraft is.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat kan worden volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijke deel overeenkomstig het voorarrest.

Met het opleggen voorts van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

10.4 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 telefoontoestel, kleur zilver/zwart, NOKIA mobiel, 2 megapixel, nr. [nummer] code 1752;

- 1 telefoontoestel, kleur zilver, ECOM Ex-handy04, serienr. 0120-06 30 2255, Imeinr. 35154900/161593/0,

dienen te worden verbeurdverklaard.

Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring aangezien met betrekking tot die voorwerpen het onder 2 bewezenverklaarde feit is begaan.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 285, 285b, 300.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 170 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 100 dagen niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

- 1 telefoontoestel, kleur zilver/zwart, NOKIA mobiel, 2 megapixel, nr. [nummer] code 1752;

- 1 telefoontoestel, kleur zilver, ECOM Ex-handy04, serienr. 0120-06 30 2255, Imeinr. 35154900/161593/0.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, M.J.H. van den Hombergh en

C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. F. Oelmeijer voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.T. Frijns als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 24 april 2009.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.