Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI1437

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
17-04-2009
Zaaknummer
04/610056-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijheidsberoving en poging zware mishandeling. (On)bruikbaarheid verklaringen aangeefster. Vrijspraak bedreigingen politie, bewezenverklaring beledigingen politie en ambtsbelemmering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610056-08

04/861237-08 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraak d.d. : 15 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [P.]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

thans gedetineerd in P.I. Zuid Oost, HvB Roermond, Keulsebaan 530, Roermond.

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2009 en 1 april 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

Ten aanzien van parketnummer 04/610056-08:

1.

hij op of omstreeks 05 mei 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk tegen [naam], hoofdagent van politie, gezegd

- dat wanneer iemand met een pistool naar hem zou blijven kijken, hij para zou worden en zich dan genoodzaakt voelde om zich ook te bewapenen, al waren zij van de politie; en/of

- dat het persoonlijk aan het worden was en waarvoor hij de vorige keer ook al had gewaarschuwd;

en/of

- dat op Curaçao, als mensen elkaar zo aankeken, na twee minuten werd geschoten;

en/of

- dat als het om mensen lastigvallen zou gaan, hij daar kankers in was; hij meer dan dertig jongens achter zich had; zij de hele dag rondjes zouden gaan rijden en de hele dag niets te doen hadden, zulks om te zien of zij dat dan leuk zouden vinden;

en/of

- hij niet dacht dat [slachtoffer 1] dat leuk zou vinden als er dertig man de hele dag voor haar deur zouden staan, omdat haar moeder daar ook bij woonde, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging(en) slachtoffer 1] kennis heeft genomen; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 05 mei 2008 in de gemeente Roermond [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend tegen [naam], hoofdagent van politie, gezegd

- dat wanneer iemand met een pistool naar hem zou blijven kijken, hij para zou worden en zich dan genoodzaakt voelde om zich ook te bewapenen, al waren zij van de politie;

en/of

- dat het persoonlijk aan het worden was en waarvoor hij de vorige keer ook al had gewaarschuwd;

en/of

- dat het al de zoveelste agent was die de hele tijd naar hem bleef kijken en dat die agent die schele, een dikzak was die op [naam] zou lijken en die [slachtoffer 2] zou heten;

en/of

- dat hij dat ook tegen deze [slachtoffer 2] zou zeggen, wanneer hij hem zou vinden en/of dat hij naar hem kijken niet tolereerde en dat zulks lastigvallen heette; althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke bedreiging [slachtoffer 2] kennis heeft genomen; (artikel 285 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 09 april 2008 in de gemeente Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(e) te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld, althans tot afgifte van enig goed; (artikel 282A Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 3 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 09 april 2008 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gedwongen een woning binnen te gaan en (vervolgens) die [slachtoffer 3] in die woning heeft gehouden en/of door die [slachtoffer 3] in die woning te tapen althans vast te binden; (artikel 282 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 09 april 2008 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een verhit strijkijzer tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. (artikel 302 juncto 45 Wetboek van Strafrecht)

Ten aanzien van parketnummer 04/861237-08

1.

hij in of omstreeks de nacht van 3 op 4 maart 2008 te Reuver, in elk geval in de gemeente Beesel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto, merk Audi,

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine, althans een hoeveelheid brandbare vloeistof, over die personenauto gegoten en vervolgens die benzine, althans die brandbare vloeistof in brand gestoken, althans vlam heeft doen vatten, in elk geval opzettelijk vuur in aanraking gebracht met benzine, althans een brandbare vloeistof, ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen - te weten voor de op zeer korte afstand van genoemde personenauto geparkeerd staande voertuigen - en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen - te weten de zich in de woningen, gelegen in de nabijheid van genoemde personenauto, bevindende perso(o)n(en) - te duchten was; (art. 157 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 21 september 2007 in de gemeente Roermond een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk die onbekend gebleven persoon dreigend de woorden toegevoegd: "Wacht maar tot dadelijk. Ik schiet je hoofd er af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (art. 285 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2008 in de gemeente Roermond opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 4], brigadier van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Rooie kankerhoer" en/of "Kankerhoer" en/of "Rooie kuthoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; (art. 267 van het Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 26 september 2006 te Born, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [straat] gelegen pand (school) heeft weggenomen een aantal laptops, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Dacapo College, locatie Born, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door een ruit van een raam van dat pand (school) te verbreken en vervolgens naar binnen te klimmen, in elk geval naar binnen te gaan;

(art. 311 van het Wetboek van Strafrecht)

5.

hij op of omstreeks 09 maart 2008 in de gemeente Roermond, toen [naam] en/of [naam], hoofdagent(en) van politie, belast

met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, trachtte(n) over te gaan tot de feitelijke aanhouding van [naam] als verdacht van overtreding

van artikel 209 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit op heterdaad ontdekt, teneinde die genoemde [naam], ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van

justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van de politie te Roermond, deze door die opsporingsambten(a)ar(en) ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handeling(en) opzettelijk heeft belet en/of belemmerd, door voor die [naam] te gaan staan en/of zich op te dringen tegen die opsporingsambtena(a)r(en) en/of een dreigende houding aan te nemen teneinde te voorkomen dat voornoemde [naam] door die opsporingsambtena(a)r(en) zou worden meegenomen; (artikel 184 Wetboek van Strafrecht)

6.

hij op of omstreeks 09 maart 2008 in de gemeente Roermond, opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [naam] en/of [naam], hoofdagent(en) van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, in dier/diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kanker wouten" en/of "Teringlijer"

en/of "Homo", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; (artikel 266 jo 267 Wetboek van Strafrecht)

7.

hij op of omstreeks 26 februari 2008 in de gemeente Roermond, opzettelijk en wederrechtelijk een slagboom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan REO Midden-Limburg b.v., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. (artikel 350 Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft zich ter zitting d.d. 1 april 2009 ten aanzien van feit 4 van parketnummer 04/861237-08 primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op een overschrijding van de redelijke termijn. Het feit dateert van meer dan 2,5 jaar geleden. Dit terwijl het een eenvoudige, niet bewerkelijke zaak betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte is op 16 oktober 2006 terzake dit feit aangehouden en voor de eerste keer gehoord, welke datum als aanvang van de redelijke termijn dient te worden aangemerkt. Ten tijde van de behandeling ter zitting op 1 april 2009 zijn bijna 2,5 jaar verstreken. Daardoor is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn aanmerkelijk, maar niet buitensporig lang is. Weliswaar heeft het langer geduurd dan wenselijk alvorens de zaak op zitting is behandeld, maar blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan een overschrijding van de redelijke termijn enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsvrouw niet aangevoerd en is ook niet gebleken dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in deze sprake is. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen. Wel zal deze overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank gecompenseerd worden in de hiernavolgende strafoplegging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 1 april 2009 gevorderd dat verdachte zal worden vrijgesproken van feit 7 van parketnummer 04/861237-08 en van feit 3 primair van parketnummer 04/610056-08.

Met betrekking tot de feiten 1 t/m 6 van parketnummer 04/861237-08 en de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 van parketnummer 04/610056-08 heeft de officier van justitie gevorderd dat deze bewezen zullen worden verklaard. De officier van justitie heeft haar standpunt ten aanzien van de bewezenverklaring van voormelde feiten neergelegd in een -aan de rechtbank overgelegd- schriftelijk requisitoir. De rechtbank verwijst daarvoor naar de inhoud van dat requisitoir, dat aan het proces-verbaal van terechtzitting zal worden gehecht en daarvan deel zal uitmaken.

De raadsvrouw heeft -zakelijk weergegeven- het navolgende aangevoerd en heeft daartoe een pleitnota overgelegd, welke aan het proces-verbaal van terechtzitting zal worden gehecht en daarvan deel zal uitmaken.

Ta.v. feit 1 en 2 van parketnummer 04/610056-08:

Verdachte heeft de verbalisant [naam] -zijnde verdachtes contactpersoon bij de politie- gebeld omdat hij het zat was dag en nacht geschaduwd te worden. Blijkens jurisprudentie kan niet elke onbeheerste uiting van woede worden aangemerkt als een bedreiging. Bewezen moet worden verklaard dat verdachte de wil had om vrees teweeg te brengen. De bedreiging moet van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden verliezen. Bovendien mag van deze functionarissen gezien de aard van hun werkzaamheden verlangd worden dat zij over een verhoudingsgewijs groter incasseringsvermogen beschikken. Verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken.

T.a.v. feit 3 primair en subsidiair en feit 4 van parketnummer 04/610056-08:

[getuige 1] heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd en valse beschuldigingen geuit en de verbalisanten hadden moeten twijfelen aan haar geloofwaardigheid. Ze wordt zelf verdacht van een ripdeal. Haar doel was de aanhouding van verdachte te bewerkstelligen. Het enige houvast van het openbaar ministerie is het telefoongesprek dat [slachtoffer 3] met de politie had. In haar aangifte noemt [slachtoffer 3] immers verdachte niet als dader. Een aangifte van [slachtoffer 3] tegen verdachte ontbreekt dus. [slachtoffer 3] is meermalen zeer uitvoerig gehoord. Zij heeft verklaard dat verdachte haar niet heeft gegijzeld, en dat zij eerder zijn naam noemde om hem zwart te maken. Bij de rechter-commissaris heeft zij onder ede verklaard dat zij verdachte eerder valselijk heeft beschuldigd. [slachtoffer 3] heeft uiteindelijk op een foto de dader van de gijzeling en mishandeling aangewezen. Het bleek om [naam] te gaan. Op een stuk tape dat mogelijk is gebruikt bij de gijzeling/marteling, is een vingerafdruk van [naam] gevonden. Tijdens de observaties is verdachte niet herkend.

Verdachte heeft [slachtoffer 3] wel naar de woning gebracht, maar hij wist niet [slachtoffer 3] daar zou worden gegijzeld en mishandeld. Om tot een bewezenverklaring te komen dient er sprake te zijn van dubbel opzet; verdachte moest op de hoogte zijn van hetgeen er zou gaan gebeuren. Nu dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, dient verdachte van deze feiten te worden vrijgesproken.

T.a.v. feit 1 van parketnummer 04/861237-08:

Er is slechts één belastende verklaring tegen verdachte, te weten die van

[medeverdachte 1]. De andere stukken in het dossier leveren geen bewijsmiddelen op. De enkele verklaring van [medeverdachte 1] is onvoldoende om het feit wettig en overtuigend te bewijzen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

T.a.v. feit 2 van parketnummer 04/861237-08:

Verdachte ontkent dit feit, hij zegt dat er geen contact was. Om dit feit te kunnen bewijzen is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder omstandigheden geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. Nu er geen aangever is om dit te bevestigen, kan het feit niet bewezen worden verklaard en dient vrijspraak te volgen

T.a.v. feit 3 van parketnummer 04/861237-08:

[slachtoffer 4] heeft reeds eerder aangifte gedaan tegen verdachte van bedreiging. Inmiddels is verdachte op 10 februari 2009 door het Gerechtshof te Den Bosch van dat feit vrijgesproken, omdat de woorden weliswaar van intimiderende aard waren, maar op zichzelf beschouwd niet als bedreiging kunnen worden aangemerkt. Een politiefunctionaris moet over een dikkere huid beschikken. De uitlatingen van verdachte vonden plaats in de beslotenheid van de ophoudcel. De uitlatingen zijn bovendien gedaan door een voor de verbalisanten onmiskenbaar in kennelijke staat van dronkenschap verkerende en hen ambtshalve bekende man. Verdachte dient derhalve ook hiervan te worden vrijgesproken.

T.a.v. feit 4 van parketnummer 04/850920-08:

Verdachte ontkent dit feit en [medeverdachte 2] heeft verklaard het feit alleen te hebben gepleegd. Er is verder onvoldoende bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, zodat vrijspraak dient te volgen. Om van een verdenking in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) te kunnen spreken, is onvoldoende de intuïtie van verbalisanten die gebaseerd is op het feit dat ze verdachte ambtshalve kennen.

T.a.v. feit 5 en 6 van parketnummer 861237-08:

Verbalisanten wisten dat ze te maken hadden met een voor hen onmiskenbaar in kennelijke staat van dronkenschap verkerende en hen ambtshalve bekende man. Volgens de getuigen [naam] en [naam] was verdachte niet agressief. Het feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard en vrijspraak dient te volgen.

T.a.v. feit 6 van parketnummer 04/861237-08:

Er is uit geen enkele foto of reparatiefactuur op te maken waaruit de schade en het herstel van de slagboom heeft bestaan. Verdachte dient derhalve ook van dit feit te worden vrijgesproken.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

Feiten 1 en 2 van parketnummer 04/610056-08

Blijkens het proces-verbaal bevindingen van de verbalisant [naam] heeft op 5 mei 2008 een telefoongesprek plaatsgevonden tussen hem en verdachte. Tijdens dit gesprek heeft verdachte een aantal uitlatingen gedaan, waaronder die zoals in de tenlastelegging zijn vermeld. Van dit gesprek werden door [naam] aantekeningen en een gespreksverslag gemaakt. Naar aanleiding van dit gesprekverslag, waarvan zij kennis hebben genomen, hebben [slachtoffer 1] en van [slachtoffer 2] aangifte gedaan van bedreiging door verdachte middels de in de tenlastelegging vermelde uitlatingen. Zij hebben beiden in de aangifte aangegeven zich door die uitlatingen van verdachte bedreigd te hebben gevoeld.

De voornoemde verbalisant [naam] heeft blijkens het ambtelijk verslag van het dossier een Antilliaanse achtergrond en wordt vaker benaderd als aanspreekpunt door de Antilliaanse gemeenschap in Roermond.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij kwaad was omdat de agenten hem bleven aankijken en volgen. Hij voelde zich bedreigd. Hij heeft niet tegen [naam] gezegd dat hij diens collega’s ging omleggen. Voorts heeft hij verklaard dat hij de naam [slachtoffer 2] noemde omdat hij degene was die hem de dag ervoor aankeek. Het is niet zo dat hij [slachtoffer 2] iets wilde aandoen. De naam [slachtoffer 1] heeft hij gewoon als voorbeeld genoemd, omdat hij haar toevallig kent. Hij zou haar nooit iets aandoen.

Verdachte heeft ter zitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat hij de in de tenlastelegging vermelde woorden wel heeft gebezigd, maar dat hij dit niet als een bedreiging heeft bedoeld. Hij heeft de namen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] slechts als voorbeeld genoemd. De naam van [slachtoffer 1] was de eerste die hem te binnen schoot.

De rechtbank overweegt dat de woorden die verdachte heeft gebruikt wellicht bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] intimiderend zijn overgekomen. Gelet op de context waarin de woorden zijn gebruikt, uitte verdachte zijn frustratie op het gehele politiekorps in verband met de wijze waarop hij door de politie werd behandeld. Hij uitte deze frustratie bij [naam], die als vertrouwenspersoon voor verdachte kon worden aangemerkt en bij wie verdachte minder geremd zijn frustratie kon uiten dan hij bij een andere politiefunctionaris zou hebben gedaan. Verdachte bedoelde zich met zijn uitlatingen kennelijk hardop af te vragen hoe de politieagenten zich zouden voelen als ze zo behandeld zouden worden als hij door de politie wordt behandeld. Zijn bewoordingen waren niet gericht tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] persoonlijk; hij had niet de intentie om juist hun te bedreigen. Verdachte zal om deze redenen van deze feiten worden vrijgesproken.

Feit 3 primair van parketnummer 04/610056-08

De rechtbank is van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden voor de aanname dat verdachte [slachtoffer 3] van haar vrijheid heeft beroofd met het oogmerk haar te dwingen tot de afgifte van geld. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Feit 2 van parketnummer 04/861237-08

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen heeft de verbalisant [naam] verklaard op 21 september 2007 in het ziekenhuis te Roermond te hebben gehoord dat verdachte in zijn mobiele telefoon zei “wacht maar tot dadelijk. Ik schiet je hoofd er af”.

Verdachte heeft ter zitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat hij heeft gebeld, maar dat hij niemand heeft gesproken. Hij dacht dat hij wel verbinding had, maar volgens hem was er niemand aan de andere kant van de lijn. Hij heeft derhalve naar eigen zeggen niemand bedreigd.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (HR 7 juni 2005, LJN: AT3659).

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet is komen vast te staan of er iemand aan de andere kant van lijn was ten tijde van het uitspreken van de woorden door verdachte. Indien er van wordt uitgegaan dat dit wel het geval was, dan is nog niet duidelijk wie deze persoon was, en of hij/zij zich bedreigd voelde door de woorden van verdachte, hetgeen vereist is om tot een bewezenverklaring te komen. Nu de rechtbank het feit gelet op het vorenoverwogene niet wettig en overtuigend acht, zal verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

Feit 7 van parketnummer 04/861237-08

In het dossier bevindt zich een aangifte van [aangever] namens de P.I. Roermond. In deze aangifte staat dat een slagboom, toebehorende aan REO Midden-Limburg b.v., is vernield. Blijkens de M.O.-omschrijving behorende bij de aangifte werd de slagboom door de dader afgebroken. Als bijlage bij de aangifte is een ‘melding complexbeveiliging’ van de portier gevoegd. Hierin wordt vermeld dat verdachte de slagboom heeft vernield. De portier heeft gehoord dat de slagboom was afgebroken en dat een nieuwe geplaatst moest worden.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat hij de slagboom omhoog heeft geduwd. Het betreft een kunststof slagboom die erg buigzaam is. Het is mogelijk dat de slagboom daardoor iets krom is geworden. De slagboom werkte wel nog gewoon.

Gelet op voormelde tegenstrijdigheden en het feit dat uit het dossier onvoldoende duidelijk is geworden waaruit de schade en eventuele herstelwerkzaamheden van de slagboom hebben bestaan, is de rechtbank -met de officier van justitie en de raadsvrouw- van oordeel dat het feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Verdachte zal derhalve van dit feit worden vrijgesproken.

7.3 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

Feit 3 subsidiair en feit 4 van parketnummer 04/610056-08

De rechtbank merkt vooreerst het navolgende op. Het slachtoffer [slachtoffer 3] heeft reeds vóór haar aangifte telefonisch aan verbalisant [naam] verteld wat er met haar is gebeurd en wie haar dat heeft aangedaan. Vervolgens heeft zij in haar aangifte en de daaropvolgende verklaringen andere daders aangewezen. De rechtbank overweegt dat de verklaring die [slachtoffer 3] telefonisch bij de verbalisant heeft gedaan op bijna alle onderdelen wordt ondersteund door meerdere objectieve bewijsmiddelen (zoals in de na te volgen overwegingen zal blijken). Dit kan niet gezegd worden van de aangifte en de daarop volgende verklaringen waaronder begrepen haar verklaring bij de rechter-commissaris, die sterk wisselen.

De rechtbank overweegt voorts als volgt. [slachtoffer 3] is op haar verklaring dat verdachte degene was die haar van haar vrijheid heeft beroofd teruggekomen. Zo heeft zij bij de politie verklaard dat zij zich vergist heeft en dat ze geen contact meer had gehad met verdachte , zulks terwijl ze verdachte goed kent en er blijkens de printgegevens en de verklaring van verdachte ter zitting na de vrijheidsberoving wel degelijk telefonisch contact tussen hen is geweest. Vervolgens heeft [slachtoffer 3] op dit punt bij de rechter-commissaris verklaard dat [getuige 1] en haar vriend [naam] dachten dat verdachte het huis van [getuige 1] in brand had gestoken, en dat zij daarom hadden besloten om verdachte overal de schuld van te geven. De rechtbank stelt vast dat ook vorenstaande verklaring niet kan kloppen. Immers blijkens de verklaring van [medeverdachte 3] heeft [slachtoffer 3] immers al op 9 april 2008 (de dag van de vrijheidsberoving) rond 20-21 uur tegen hem gezegd dat verdachte degene was die haar heeft meegenomen en mishandeld. Dit was nog voordat [slachtoffer 3] [getuige 1]heeft gezien, hetgeen blijkt uit de verklaring van [naam] dat [slachtoffer 3] tussen 20.00 en 21.00 uur in haar woning was en pas rond 23.00 de woning met [getuige 1] weer heeft verlaten . [slachtoffer 3] heeft dus met [medeverdachte 3] gesproken vóórdat zij [getuige 1] heeft gezien. Bovendien heeft de brand in het huis van [getuige 1] pas op 12 april 2008 plaatsgevonden, zodat [slachtoffer 3] niet reeds op 9 april 2008 verdachte de schuld kon geven van de vrijheidsberoving in verband met een vermeende brandstichting op 12 april 2008. Gelet hierop acht de rechtbank de verschillende verklaringen van [slachtoffer 3] afgelegd na het telefonisch contact met [naam] onbruikbaar voor het bewijs en zal zij derhalve uitgaan van die eerste telefonische verklaring.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen zijn de verbalisanten [naam] en [naam] op 12 april 2008 naar de woning aan de [straat] te Roermond gegaan in verband met een brandmelding. De bewoonster van deze woning bleek te zijn [getuige 1]. De verbalisant [naam] heeft later die ochtend telefonisch contact opgenomen met [getuige 1] . [getuige 1] deelde hem mede dat zij en haar vriendin [slachtoffer 3] ernstig bedreigd werden door [verdachte] en enkele Marokkanen uit Rotterdam. De woensdag ervoor was [slachtoffer 3] volgens [getuige 1] door [verdachte] ontvoerd en vervolgens gemarteld met een heet strijkijzer. Vervolgens kreeg de verbalisant [slachtoffer 3] aan de lijn. [slachtoffer 3] deelde hem mede dat zij afgelopen woensdag bij het station te Roermond door [verdachte] in zijn auto was gesleurd. Vervolgens was zij door [verdachte] gebracht naar de woning van de broer van [verdachte] genaamd [medeverdachte 7]. Aldaar was zij getapet en vastgebonden in een stoel. [verdachte] had vervolgens een heet strijkijzer tegen haar been gehouden waarvan ze nu nog brandwonden had. Vervolgens was ze aangerand en geslagen door [verdachte] en nog twee mannen. Ook had men getracht haar te ontkleden. Volgens [slachtoffer 3] waren zeker 20 man in de woning terwijl zij gemarteld en mishandeld werd. De meeste mannen waren Antillianen geweest doch er hadden ook enkele Marokkanen tussen gezeten. De mannen zouden uit zijn geweest op geld dat zij en [getuige 1] zouden hebben. Zij wenste nu aangifte te doen omdat zij voor haar leven vreesde.

[getuige 1] heeft in haar aangifte d.d. 13 april 2008 terzake bedreiging verklaard dat zij sinds een aantal weken bedreigd werd door een aantal Marokkanen uit Rotterdam, vermoedelijk [naam] en [naam]. Afgelopen woensdag begon ook [verdachte] zich ermee te bemoeien. Ze weet dat [verdachte] [slachtoffer 3] tegen haar wil heeft meegenomen naar [naam], zijn broer, op de Donderberg. [slachtoffer 3] heeft haar verteld dat zij naar binnen is gebracht en dat ze haar met 10 man in elkaar hebben geslagen en naar boven hebben gebracht waar zij haar hebben vastgebonden. Ze hebben [slachtoffer 3] gemarteld door haar met een heet strijkijzer te bewerken. [getuige 1] heeft de driehoekige brandplekken op haar onderbenen en haar linkerhand gezien. Nadat [slachtoffer 3] was vrijgelaten, is zij naar de moeder van [getuige 1] gegaan. [getuige 1] hoorde van [slachtoffer 3] dat [verdachte] haar had gevraagd waar het geld was. [getuige 1] wist meteen dat het ging om het geld dat [naam] kwijt was geraakt en [naam] heeft [verdachte] verantwoordelijk gesteld voor het kwijtraken van het geld. [naam] bedreigde [verdachte] zijn kind iets aan te doen als [verdachte] niet uitzocht waar het geld is gebleven. [verdachte] heeft haar afgelopen woensdag ook gebeld toen hij [slachtoffer 3] had meegenomen. Hij vertelde dat hij en zijn zoontje werden bedreigd vanuit de Rotterdamse groep. Ze hoorde daarbij op de achtergrond [slachtoffer 3] schreeuwen en praten. Ze hoorde [slachtoffer 3] haar naam roepen.

Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat zij op 9 april 2008 omstreeks 17.00 uur werd gebeld door [verdachte]. Hij zei: “met [verdachte], jouw vriendin zit hier langs mij en jullie weten iets wat ik moet weten”. [getuige 1] zei dat ze niks wist en vervolgens verklaarde [verdachte] dat hij werd bedreigd en dat zijn zoontje iets zou worden aangedaan en dat zij hem moesten vertellen wat zij wisten. Volgens [getuige 1] klopt de verklaring van [slachtoffer 3] dat [naam] en [naam] haar hadden meegenomen niet. Ze heeft [verdachte] zelf aan telefoon gehad en ze herkende zijn stem. [getuige 1] heeft aangegeven niet te snappen waarom [slachtoffer 3] [verdachte] in bescherming neemt.

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem op 9 april 2008 belde voor het telefoonnummer van [slachtoffer 3]. Hij heeft het nummer aan [verdachte] gegeven. Hij heeft [slachtoffer 3] naar het station gebracht. Hij had [slachtoffer 3] gebeld omdat [verdachte] haar wilde spreken. Bij het station stond [verdachte]. [verdachte] zei tegen haar “kom kom” en ze liepen naar de auto. [slachtoffer 3] liep gewoon met [verdachte] mee. Tussen 20.00 en 21.00 uur belde [slachtoffer 3] hem op en ze hebben afgesproken bij de friettent [naam]. [slachtoffer 3] zei “kijk eens wat [verdachte] heeft gedaan.” Ze wees naar een rode vlek op haar rechter-onderbeen.

Voorts heeft hij verklaard dat [slachtoffer 3] tegen hem heeft verteld dat ze haar hadden meegenomen en dat ze daarna was geslagen en dat ze haar met iets hadden gebrand maar ze wilde niet vertellen hoe dat was gebeurd. Hij heeft bij haar rode vlekken op haar been gezien. Dit was een paar uur nadat ze haar hadden meegenomen. [slachtoffer 3] liet hem toen haar been zien en zei ”kijk wat [verdachte] met mij heeft gedaan, kijk hier die brandwond, [verdachte] heeft mij geslagen”. Ze zei tegen hem dat [verdachte] haar met een strijkijzer tegen haar benen had gedrukt. Ze noemde alleen de naam [verdachte].

[naam], de moeder van [getuige 1], heeft verklaard dat [getuige 1] en [slachtoffer 3] op de woensdag voor de brand (9 april 2008) ’s middags samen bij haar thuis zijn geweest. [getuige 1] kwam tussen 17.00 en 18.00 uur terug van de speeltuin, zonder [slachtoffer 3]. [getuige 1] zei dat [slachtoffer 3] even weg moest en binnen een half uurtje terug zou zijn. Het duurde langer en [getuige 1] werd ongerust. [getuige 1] ging naar huis en kwam na een tijdje weer terug. Toen [naam] tussen 20.00 en 21.00 uur beneden kwam, zat [slachtoffer 3] op de bank. [naam] zag dat een been van haar helemaal rood was. [getuige 1] was opgewonden en zei dat ze [slachtoffer 3] hadden meegenomen. [slachtoffer 3] vertelde dat zij in een auto was gestapt bij twee jongens en die hadden haar naar een huis gebracht waar een stuk of tien jongens waren. Ze werd naar binnen gebracht. Binnen werd zij vastgebonden en hebben de jongens een warme strijkbout op haar armen en been gehouden. [slachtoffer 3] heeft de naam [verdachte] genoemd als een van de personen die erbij was geweest. [getuige 1] en [slachtoffer 3] zijn samen weggegaan en zijn die avond rond 23.00 uur naar Rotterdam gegaan naar de woning van de vriend van [getuige 1].

[naam], de vriend van [naam], heeft verklaard dat hij de brandwonden op de onderbenen van [slachtoffer 3] heeft gezien. Hij hoorde haar vertellen wat ze met haar hadden gedaan. Hij hoorde dat ze vertelde dat ze haar hadden meegenomen en hij hoorde de naam [verdachte] vallen. Hij hoorde dat ze haar uit de auto gesleept hadden en een woning hadden ingesleurd. Daar werd ze geslagen en geschopt en daarna gebrand met een strijkijzer.

Voorts bevindt zich in het dossier een ‘rapportage letselschade’ van dr. C.J. van Leeuwen. Blijkens deze rapportage zijn bij [slachtoffer 3] op 13 april 2008 een twintigtal puntvormige en streepvormige verwondingen op haar onderbenen en linker pols waargenomen. Volgens dr. van Leeuwen is er zeer waarschijnlijk sprake van intentionele verbrandingen van de huid, waarschijnlijk veroorzaakt door een heet voorwerp. Gezien de vormen van den brandwonden, zouden deze zeer wel veroorzaakt kunnen zijn door een hete strijkbout.

Blijkens het proces-verbaal van observatie d.d. 9 april 2008 hebben de verbalisanten op 9 april 2008 in het kader van een opsporingsonderzoek naar [naam] onder andere de volgende waarnemingen gedaan. Omstreeks 16.56 uur werd een Opel Astra geparkeerd op de [straat] te Roermond. De beide inzittenden van de Astra, nader te noemen NN-1 en NN-2, beide negroïde mannen, stapten uit het voertuig en gingen de woning [straat] te Roermond binnen. Omstreeks 17.14 uur reed over de [straat] te Roermond een zwarte Renault Clio. De Clio werd ter hoogte van de woning [straat] te Roermond tot stilstand gebracht. NN-1 kwam uit de woning lopen en ging aan de bijrijderszijde van de Clio staan. Vanaf de achterbank van de Clio stapte een negroïde man, nader te noemen NN-4. NN-4 reikte naar de achterbank van de Clio en begeleidde vanaf de achterbank van de Clio een meisje uit de auto. NN-4 zorgde ervoor dat hij het meisje tijdens het uitstappen steeds met minimaal één hand vasthield. NN-4 ging toen het meisje was uitgestapt dicht tegen haar aan staan, waarbij hij zijn rechterarm achter de rug van het meisje hield. NN-1 ging aan de andere zijde van het meisje dicht tegen haar aan staan. Het meisje werd hierdoor tussen NN-1 en NN-4 geklemd en werd hierdoor beperkt in haar bewegingen. Het meisje kon niet anders dan in dezelfde richting te bewegen als NN-1 en NN-4. NN-1, NN-4 en het meisje gingen de woning [straat] te Roermond binnen. De verbalisant heeft aangegeven dat hij naar aanleiding van deze feiten sterk de indruk had dat het meisje gedwongen en tegen haar wil de woning in werd geleid. Omstreeks 19.50 uur heeft een vrouw, passend in het signalement van de vrouw uit de genoemde Renault Clio alleen de woning aan de [straat] verlaten.

De rechtbank merkt in dit verband op dat verdachte ter terechtzitting d.d. 1 april 2009 heeft verklaard dat zich in de auto enkel hijzelf, [medeverdachte 4] en [slachtoffer 3] bevonden. De rechtbank heeft ter zitting kunnen waarnemen dat verdachte een negroïde man is en [medeverdachte 4] dat niet is. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de man is, die door de verbalisanten NN-4 wordt genoemd en dat [slachtoffer 3] het meisje/vrouw is.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen hebben op het telefoonnummer 06-20342076 tapgesprekken op 9 april 2008 plaatsgevonden. De gebruiker van dit telefoonnummer bevond zich tijdens het gesprek kennelijk in het pand [straat] te Roermond. In dit tapverslag wordt vermeld dat om 18.47 uur en 18.51 uur gesprekken plaatsvinden, tijdens welke gesprekken onder andere ‘man 3’ is te horen. De verbalisanten hebben aangegeven de stem van deze ‘man 3’ te hebben herkend als de stem van de hun ambtshalve bekende [verdachte].

Verdachte heeft ter zitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat hij en [medeverdachte 4] [slachtoffer 3] bij het station hebben opgehaald en met haar zijn rondgereden om te praten. In de auto heeft verdachte aan [slachtoffer 3] gevraagd waar hij de Rotterdammers kon vinden. Dit omdat de Rotterdammers dachten dat hij een ripdeal had gepleegd en daarom zijn zoontje bedreigden. Verdachte was van plan om [slachtoffer 3] weer bij het station af te zetten, maar hij moest de auto terugbrengen naar de eigenaar die zich in de woning aan de [straat] bevond. Verdachte dacht dat hij daar wel een andere auto zou kunnen lenen, maar dat is niet gelukt. Hij heeft de woning dan ook vrij snel weer verlaten. Hij is via de achterdeur vertrokken. Hij weet niet hoe lang hij in de woning is geweest. Dat kan best een half uur of een uur zijn geweest. Misschien is hij in de tussentijd ook even in de achtertuin geweest.

De verklaring van verdachte dat hij maar even in de woning is geweest, is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig. Het observatieteam heeft immers waargenomen dat verdachte om 17.14 uur bij de woning arriveerde en blijkens stemherkenning naar aanleiding van getapte telefoongesprekken was verdachte om 18.51 uur nog in de woning.

Gelet op voormelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen met anderen [slachtoffer 3] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden (feit 3 subsidiair) en dat verdachte heeft gepoogd om [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door een heet strijkijzer tegen haar lichaam te houden (feit 4).

De rechtbank overweegt met betrekking tot feit 4 nog als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel door het houden van een heet strijkijzer tegen het lichaam zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan, waaronder de rechtbank begrijpt derdegraads verbrandingen, dan wel zodanige verbrandingen dat daarvan blijvende littekens het gevolg zijn. Of dat gevolg intreedt is onder meer afhankelijk van de hitte van het strijkijzer en de tijdspanne gedurende welke dit tegen het lichaam wordt gehouden. In het onderhavige geval kan worden vastgesteld dat

blijkens de ‘rapportage letselschade’ van dr. C.J. van Leeuwen bij [slachtoffer 3] een twintigtal puntvormige en streepvormige verwondingen op haar onderbenen en linker pols zijn waargenomen. Deze verwondingen passen het meest bij verbranding van de huid, graad 2, op enkele plekjes graad 3. Volgens dr. van Leeuwen is er zeer waarschijnlijk sprake van intentionele verbrandingen van de huid, waarschijnlijk veroorzaakt door een heet voorwerp. Daarmee staat vast dat het gebruikte strijkijzer zodanig heet was dat dit verbrandingen kon teweeg brengen, waarbij de ernst daarvan uitsluitend af hing van de vraag hoe lang het strijkijzer tegen haar lichaam werd gehouden. Het strijkijzer is door verdachte gebruikt om dit zo lang tegen haar lichaam te houden totdat zij zou gaan praten. Dusdoende heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 3] als gevolg van het houden van hete strijkijzer tegen haar lichaam zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Feit 1 van parketnummer 04/861237-08

[slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan van brandstichting van zijn auto. Op 4 maart 2008 stond zijn auto geparkeerd ter hoogte van zijn woning te Reuver. Rond 01.00 uur hoorde hij een knal en hoorde hij een persoon hard wegrennen. Hij zag dat zijn auto in brand stond en hij zag vlammen van enkele meters hoog. Blijkens de M.O.-omschrijving bij de aangifte is de auto geheel uitgebrand. Voorts heeft [slachtoffer 5] verklaard dat hij vermoedt dat [medeverdachte 5] er iets mee te maken heeft, gelet op diens gedragingen vlak voor en na de brandstichting. Volgens [slachtoffer 5] weet [medeverdachte 5] waar [slachtoffer 5] woont en welke auto van hem is.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen zagen de verbalisanten die ter plaatse waren dat de vlammen ongeveer 3 a 4 meter hoog waren en dat de auto ongeveer 3 meter van de woning met huisnummer 68 stond. De verbalisanten zagen dat er in de directe omgeving meerdere personenauto’s stonden.

Blijkens het proces-verbaal technisch onderzoek is er vermoedelijk sprake geweest van brandstichting. Vermoedelijk heeft (hebben) onbekende dader(s) met behulp van een brandbare (vloei)stof brand gesticht onder/op voornoemde personenauto. Blijkens nader onderzoek van een grondmonster door het NFI is motorbenzine aangetoond in dit grondmonster.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte een brandstichting van een auto van een politieagent in Reuver heeft gepleegd. Verdachte heeft benzine over de auto gegooid en een benzinespoor over de weg gelegd. Verdachte zou daarvoor € 250 of € 300 van [medeverdachte 5] krijgen. De benzine is gehaald bij het Shell tankstation in Kaldenkerken (Duitsland). Hijzelf was bij die brandstichting aanwezig.

Voorts heeft hij verklaard dat hij [medeverdachte 5] die dag ontmoette bij Shoarmazaak [naam] in Reuver. Ze zijn omstreeks 22.00 uur met zijn BMW gaan rijden. Uiteindelijk zijn ze naar verdachte gereden op de Donderberg. [medeverdachte 5] is met de auto van [medeverdachte 1] weggereden en kwam terug met een zwarte jerrycan. Vervolgens zijn ze naar een Shell tankstation in Kaldenkerken gereden. [medeverdachte 5] zei dat hij ruzie had met een politieagent omdat deze hem had genaaid. [medeverdachte 5] zei dat hij de agent dan ook niet liet rijden. [medeverdachte 1] begreep dat hij de auto van die agent in brand wilde steken. In Kaldenkerken kocht verdachte een gele jerrycan van ongeveer 5 liter. De twee jerrycans werden gevuld met benzine. Ze zijn toen naar Reuver gereden naar de woning van die agent. [medeverdachte 5] wees de auto aan, het was een Audi A3. [medeverdachte 5] en verdachte hebben ieder een helft van de auto met benzine overgoten. Verdachte had de gele jerrycan en nam de linkerzijde en [medeverdachte 5] de rechterkant met de zwarte jerrycan. Verdachte maakte een spoor over de weg en stak dat aan met een aansteker. Vervolgens hoorde [medeverdachte 1] een plof en hij zag dat de auto in lichterlaaie stond. [medeverdachte 5] beloofde verdachte aan het eind van de maand € 300 te betalen. Vervolgens zijn ze nog even in Roermond geweest. [medeverdachte 1] heeft gezien dat de gebruikte jerrycans bij een flat door verdachte in brand zijn gestoken. Daarna zijn ze naar Geleen gereden naar de vriendin van verdachte. Hij heeft verdachte in Geleen afgezet en [medeverdachte 5] en hijzelf zijn ergens tussen 03.00 en 03.30 uur terug naar Reuver gereden. Volgens [medeverdachte 1] weten ene [naam] van de sportschool, ene [naam] en [naam] er ook van.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen is nader onderzoek gedaan naar de plaats waar volgens [medeverdachte 1] de jerrycans in brand zijn gestoken. [medeverdachte 1] heeft de verbalisanten de plaats gewezen en de verbalisanten zagen een brandvlek tegen de muur van de gevel. Tevens troffen zij op die plek een gesmolten substantie aan. Een van de verbalisanten herkende de substantie als gesmolten kunststof. De verbalisanten herkenden in die substantie de kleuren geel, rood en zwart.

Vervolgens zijn de historische printgegevens van de betreffende periode opgevraagd van telefoonnummers vermoedelijk in gebruik bij [medeverdachte 1] (1 nummer), [medeverdachte 5] (2 nummers) en verdachte (1 nummer) .

Blijkens het onderzoek bevond de telefoon van [medeverdachte 1] zich op 3 maart 2008 om 23.27.56 uur in Reuver. Vervolgens bevond hij zich om 23.41.36 uur in Roermond. Blijkens de gegevens van de telefoons van [medeverdachte 5] bevonden zijn telefoons zich op 4 maart 2008 om 00.45.59 uur en om 00.48.03 uur in Duitsland, om 01.00.03 uur en om 01.00.17 uur te Tegelen, om 02.05.45 uur te Geleen en vanaf 02.53.14 uur te Reuver. De telefoon van verdachte bevond zich op 4 maart 2008 om 00.04.58 uur te Roermond, tussen 00.17.33 uur en 00.25.28 uur te Reuver en om 01.53.50 uur te Stein.

Voorts bevinden zich in het dossier een aantal getuigenverklaringen.

[getuige 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] hem heeft verteld dat hij in Reuver de auto van een politieagent, die hem had gepakt, in brand had gestoken. Dat had ’s nachts plaatsgevonden.

[getuige 3], de zus van [medeverdachte 1], heeft verklaard dat [medeverdachte 1] haar verteld heeft dat [medeverdachte 5] een auto in brand heeft gestoken.

[getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] hem heeft meegenomen naar de Sterrenbosweg te Reuver. [medeverdachte 5] wees hem op een zwarte plek op de rijbaan en trottoir en zei “daar stond de auto van [slachtoffer 5]. Dat is de politieagent die mij heeft zien rijden zonder rijbewijs. Ik heb zijn auto in brand gestoken. Als ik niet kan rijden dan kan hij ook niet rijden.”

De medeverdachte [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 1] in Reuver was, toen verdachte belde dat hij zonder benzine stond. Ze namen een jerrycan van [medeverdachte 1] mee en ze zijn in Duitsland benzine gaan halen. Verdachte kocht daar nog een jerrycan en ze hebben de auto van verdachte met benzine gevuld. Verdachte is doorgereden en [medeverdachte 1] zou [medeverdachte 5] thuis afzetten. Op de Sterrenbosweg was van alles aan de hand, hij zag licht en de brandweer. [medeverdachte 1] heeft hem afgezet.

Verdachte heeft ter zitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat hij ergens in Reuver met zijn auto stond en dat zijn benzine op was. Het was al laat. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] zijn hem komen ophalen en ze zijn in Kaldenkerken twee jerrycans met benzine gaan halen. Één jerrycan hadden ze bij zich en één hebben ze daar gekocht. Ze hebben de jerrycan in zijn auto leeggegooid. Daarna is hij nog even in Roermond geweest om iets bij zijn broer af te geven. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] niet met hem naar Geleen zijn gereden.

Gelet op voormelde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk de betreffende auto in brand heeft gestoken. [medeverdachte 1] heeft verklaard wat er die avond is gebeurd en hij heeft verdachte en [medeverdachte 5] als mededaders genoemd. De verklaring van [medeverdachte 1] omtrent de gebeurtenissen van die avond wordt gesteund door:

-de verklaring van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 5] dat zij die avond bij [medeverdachte 1] waren en in Duitsland benzine zijn gaan halen;

-het aantreffen op de door [medeverdachte 1] aangewezen plaats van gesmolten (gele en zwarte) kunststof;

-de printgegevens van de telefoons van [medeverdachte 1], verdachte en [medeverdachte 5], in het bijzonder het gegeven dat de telefoon van [medeverdachte 5] zich op 4 maart 2008 om 02.05.45 uur te Geleen bevond, terwijl verdachte stelt dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] niet met hem naar Geleen zijn gereden;

-de getuigenverklaringen van [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] omtrent het aandeel van [medeverdachte 5].

De rechtbank is voorts van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte en de medeverdachten door de brandstichting gevaar voor goederen hebben doen ontstaan, nu blijkens het proces-verbaal van bevindingen de vlammen ongeveer 3 á 4 meter hoog waren en in de directe omgeving van de auto meerdere personenauto’s stonden. Echter naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat er tevens gevaar voor personen bestond. Enkel blijkt uit de bewijsmiddelen dat de auto 3 meter van een woning stond verwijderd. De rechtbank acht deze enkele constatering, gelet op de -niet zeer geringe- afstand en zonder verdere onderbouwing waaruit het gevaar voor personen zou bestaan, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van dat onderdeel te komen. Verdachte zal derhalve van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Feit 3 van parketnummer 04/861237-08

Gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (“ik heb zeer zeker tegen haar gezegd dat ze een kankerhoer is”) en ter terechtzitting van 1 april 2009; en

- het proces-verbaal van bevindingen ,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Het verweer van de raadsvrouw dat het schelden van verdachte een onbeheerste uitlating van woede en onmacht betreft, die plaatsvond in de beslotenheid van de ophoudcel, en dat een politiefunctionaris over een verhoudingsgewijs groot incasseringsvermogen dient te beschikken, kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval geen doel treffen. Verdachte zat in de ophoudkamer, toen de verbalisant [slachtoffer 4] voorbij kwam lopen. Verdachte stak zijn hoofd uit de deuropening en riep de in de tenlastelegging vermelde woorden naar [slachtoffer 4]. Gelet op de voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer 4], - [slachtoffer 4] heeft in 2006 aangifte gedaan wegens bedreiging door verdachte - en de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 4] heeft uitgescholden, omdat hij boos was op haar , is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een onbeheerste uitlating, maar van een berekenende, op de persoon gerichte belediging. Er bestond op dat moment geen aanleiding voor verdachte om naar [slachtoffer 4] te roepen, enkel de wrok die hij jegens haar voelde. Verdachte had derhalve naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk de bedoeling om [slachtoffer 4] te beledigen.

Dat verdachte zich in de ophoudcel bevond, maakt dit oordeel niet anders. Verdachte werd immers niet in die cel met [slachtoffer 4] geconfronteerd. [slachtoffer 4] liep slechts langs de cel en had verder geen bemoeienis met hetgeen met verdachte gebeurde, toen verdachte welbewust zijn hoofd door de deuropening van de cel stak en de woorden -in de tegenwoordigheid van meerdere collega’s van [slachtoffer 4]- naar haar riep.

Dat politiefunctionarissen blijkens jurisprudentie over een verhoudingsgewijs groot incasseringsvermogen dienen te beschikken, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat zij een dergelijke doelbewuste, grove, en op de persoon gerichte, belediging als de onderhavige dienen te accepteren. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte in de afgelopen jaren met de politie in Roermond een relatie heeft opgebouwd die zich kenmerkt door een negatieve en agressieve houding van verdachte jegens politiefunctionarissen. De rechtbank is van oordeel dat beledigende uitlatingen van verdachte in dit ruimere verband mogen worden gezien. Daarom hoeven deze politiefunctionarissen dergelijk gedrag van verdachte niet (meer) te tolereren. Aan het werk van de politie is in het algemeen inherent dat van politiefunctionarissen een groter incasseringsvermogen mag worden verlangd waar het beledigen betreft, dan van gewone burgers. Dat neemt niet weg dat ook deze ruimte beperkt is. Door de aard van de relatie die verdachte met de politie heeft opgebouwd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank elke claim op coulance verspeeld.

Feit 4 van parketnummer 04/861237-08

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 2] hebben de verbalisanten [naam] en [naam] tijdens de algemene surveillance te Susteren op 26 september 2006 omstreeks 01.30 uur een auto zien rijden. Gelet op een bijzondere verkeershandeling van die auto zijn de verbalisanten achter de auto aangereden om deze te controleren. De auto verhoogde zijn snelheid. Bij navraag bij de regionale meldkamer bleek de auto op naam van [medeverdachte 6] te staan. De verbalisanten gaven de auto een stopteken ingevolge de Wegenverkeerswet 1994, waar deze aan voldeed. Er bevonden zich drie personen in de auto. Een van de verbalisanten zag een gele handschoen voor de achterzitting liggen. De personen gedroegen zich zenuwachtig en de persoon op de achterbank had een versnelde ademhaling. In het portiervak van de voorste passagiersportier lag een grote hoeveelheid kleingeld. De personen in de auto hadden geen identiteitsbewijs bij zich, maar verklaarden te zijn: [medeverdachte 6] (bestuurder), [medeverdachte 7] (voorste passagiersstoel) en [medeverdachte 2] (achterbank). De verbalisanten deden navraag bij de regionale meldkamer en vernamen dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] reeds bekend waren in het politieregister in verband met inbraken. De verbalisanten vorderden dat de kofferbak werd geopend. De bestuurder rende vervolgens weg, waarna ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] wegrenden. Alleen [medeverdachte 2] kon ter plaatse worden aangehouden. In de kofferbak werden 11 laptops gevonden, die met stickers waren genummerd. Deze laptops bleken bij later onderzoek afkomstig te zijn van diefstal.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen werden in de auto onder meer aangetroffen:

- elf laptops, met op elke laptop een sticker van het Dacapo College, locatie Born;

- een drietal draagtassen.

Op 26 september 2006 is aangifte gedaan van inbraak in het Dacapo college te Born. In de school was een raam ingeslagen, waarna de daders de espagnoletsluiting konden bedienen en het raam konden openen. De daders zijn bij het raam kunnen komen door op het plat dak van de luifel te klimmen. Uit het computerlokaal zijn 11 laptops weggenomen. Deze laptops zijn alle voorzien van stickers met een volgnummer.

De getuige [getuige 5] heeft verklaard dat haar zoon haar op 26 september 2006 omstreeks 01.00 uur heeft gewekt omdat zich aan de overkant van hun woning bij het Dacapo College drie jongens verdacht ophielden. Ze heeft zelf naar buiten gekeken en zag ook drie jongens. Ze zag dat twee jongens door een ruit, welke ze hadden ingeslagen, naar binnen gingen. De andere persoon bleef buiten staan. Kort daarna zag ze de twee weer naar buiten komen met plastic zakken. Ze kon zien dat er iets in de plastic zakken zat, maar niet wat. De jongens liepen met versnelde pas weg en reden vervolgens weg in een auto.

[medeverdachte 2] heeft bekend dat hij de inbraak heeft gepleegd .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zich in de auto bevond en bij de controle de naam van zijn broer heeft opgegeven. Verbalisant [naam] heeft, toen hem meerdere kleurenfoto’s van Antilliaanse mannen zijn getoond, verdachte herkend als de man met het Antilliaanse uiterlijk die zich in de auto bevond en opgaf [medeverdachte 7] te zijn.

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 1 april 2009 verklaard dat [medeverdachte 6] en hijzelf met de auto [medeverdachte 2] hebben opgehaald. [medeverdachte 2] had twee tassen of plastic zakken bij zich en heeft deze in de kofferbak van de auto gelegd. Verdachte wist niet wat er in de tassen zat. Toen de politie de auto aanhield, zei [medeverdachte 2] dat er gestolen laptops in de auto lagen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] vluchtten, waardoor verdachte ook is weggerend.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw over het ontbreken van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv, als volgt. De verbalisanten hebben de auto naar aanleiding van een verkeershandeling door [medeverdachte 6] een stopteken gegeven op grond van de Wegenverkeerswet 1994. De verbalisanten vorderden om de kofferbak te openen, gelet op de goederen die zij in de auto zagen liggen (handschoen, veel kleingeld), het feit dat de personen zich zenuwachtig gedroegen, dat blijkens navraag bij de meldkamer [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] reeds eerder veroordeeld waren voor inbraken, en het tijdstip waarop het vorenstaande plaatsvond (omstreeks 01.30 uur). Nog voordat aan die vordering gevolg werd gegeven, renden de inzittenden van de auto weg. Naar het oordeel van de rechtbank was gelet op de vorenomschreven omstandigheden sprake van een verdenking in de zin van artikel 27 Sv; de aanhouding heeft derhalve niet onrechtmatig plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Blijkens de verklaring van [getuige 5] hebben zowel zijzelf als haar zoon rond 01.00 uur gezien dat drie personen bij het Dacapo College te Born aan het inbreken waren. Deze getuigenverklaring is door de verdediging niet weersproken.

Vervolgens zijn rond 01.30 uur, derhalve kort na de melding van de inbraak [getuige 5], aangetroffen [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] en verdachte in de auto waarin de gestolen laptops lagen. [medeverdachte 2] heeft bekend de inbraak te hebben gepleegd.

De verklaring van verdachte ter zitting dat hij en [medeverdachte 6] [medeverdachte 2] enkel met de auto hebben opgehaald en dat [medeverdachte 2] bij de auto aan kwam lopen met tassen (met daarin de 11 gestolen laptops), acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de verklaring van [getuige 5] dat drie jongens actief aan de inbraak deelnamen.

Feit 5 van parketnummer 04/861237-08

Gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (“De politie zei tegen mij dat de meisjes mee naar het bureau moesten. Ik vond dat niet reëel. Ik ben mij er mee gaan bemoeien. Ik heb tegen de politie gezegd dat de meisjes niet mee zouden gaan. Omdat jouw collega’s bang zijn voor mij zijn de meisjes niet aangehouden.”) en ter terechtzitting van 1 april 2009; en

- het proces-verbaal van bevindingen ; en

- de verklaring van [naam] (“Hij heeft zich er mee bemoeid.”),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Feit 6 van parketnummer 04/861237-08

Gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (“Ik heb teringlijer en homo gezegd. Ik kan me indenken dat een of meer van uw collega’s zich hierdoor beledigd voelden.”) en ter terechtzitting van 1 april 2009; en

- het proces-verbaal van bevindingen ,

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Dit met uitzondering van het woord ‘kankerwouten’, aangezien verdachte dit onderdeel van de tenlastelegging ontkent.

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien van een belediging geen sprake is nu de verbalisanten wisten dat ze te maken hadden met een voor hen onmiskenbaar in kennelijke staat verkerende en ambtshalve bekende man, kan naar het oordeel van de rechtbank geen doel treffen. De rechtbank overweegt dat verdachte zich bemoeide met een zaak waar hij niets mee te maken had en hij zo zelf de confrontatie met de politieagenten aan ging. Dit terwijl er reeds meermalen incidenten hebben plaatsgevonden tussen verdachte en politiefunctionarissen en verdachte met de politie in Roermond in de afgelopen jaren een relatie heeft opgebouwd die zich kenmerkt door een negatieve en agressieve houding van verdachte jegens politiefunctionarissen. Voor deze situatie geldt hetzelfde als de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van feit 3 van parketnummer 04/861237-08.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 subsidiair en 4 van parketnummer 04/610056-08 en het onder 1, 3, 4, 5 en 6 van parketnummer 04/861237-08 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van parketnummer 04/610056-08

3 subsidiair.

hij op 09 april 2008 in de gemeente Roermond tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 3] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hierin bestaande dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen voornoemde [slachtoffer 3] heeft gedwongen een woning binnen te gaan en vervolgens die [slachtoffer 3] in die woning heeft gehouden en die [slachtoffer 3] in die woning met tape heeft vastgebonden;

4.

hij op 09 april 2008 in de gemeente Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een verhit strijkijzer tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3] heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van parketnummer 04/861237-08

1.

hij in de nacht van 3 op 4 maart 2008 te Reuver, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto, merk Audi, immers hebben verdachte en een van zijn mededaders toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid benzine over die personenauto gegoten en vervolgens die benzine in brand gestoken, ten gevolge waarvan die personenauto is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen - te weten voor de op zeer korte afstand van genoemde personenauto geparkeerd staande voertuigen -

te duchten was;

3.

hij op 11 maart 2008 in de gemeente Roermond opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4], brigadier van

politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Rooie kankerhoer" en "Kankerhoer" en "Rooie kuthoer";

4.

hij op 26 september 2006 te Born, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de Graaf van Loonstraat gelegen pand (school) heeft weggenomen een aantal laptops, toebehorende aan het Dacapo College, locatie Born, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang

tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door een ruit van een raam van dat pand (school) te verbreken en vervolgens naar binnen te klimmen;

5.

hij op 09 maart 2008 in de gemeente Roermond, toen [naam] en [naam], hoofdagenten van politie, belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, trachtten over te gaan tot de feitelijke aanhouding van [naam] als verdacht van overtreding van artikel 209 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, teneinde die genoemde [naam], ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en haar daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van de politie te Roermond, deze door die opsporingsambtenaren ter uitvoering van het bepaalde in artikel 53 van het Wetboek van Strafvordering ondernomen handelingen opzettelijk heeft belemmerd, door voor die [naam] te gaan staan en zich op te dringen tegen die opsporingsambtenaren en een dreigende houding aan te nemen teneinde te voorkomen dat voornoemde [naam] door die opsporingsambtenaren zou worden meegenomen;

6.

hij op 09 maart 2008 in de gemeente Roermond, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [naam] en [naam], hoofdagenten van politie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Teringlijer" en "Homo", althans woorden van gelijke beledigende aard en strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

T.a.v. 04/610056-08 feit 3 subsidiair:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het misdrijf (04/610056-08 feit 3 subsidiair) is strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/610056-08 feit 4:

poging tot zware mishandeling.

Het misdrijf (04/610056-08 feit 4) is strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/861237-08 feit 1:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het misdrijf (04/861237-08 feit 1) is strafbaar gesteld bij artikel 157 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/861237-08 feit 3:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het misdrijf (04/861237-08 feit 3) is strafbaar gesteld bij artikel 267 juncto 266 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/861237-08 feit 4:

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Het misdrijf (04/861237-08 feit 4) is strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/861237-08 feit 5:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren, meermalen gepleegd.

Het misdrijf (04/861237-08 feit 5) is strafbaar gesteld bij artikel 184 juncto 57 van het Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. 04/861237-08 feit 6:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Het misdrijf (04/861237-08 feit 6) is strafbaar gesteld bij artikel 267 juncto 266 juncto 57 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door psycholoog H.A. van Kempen en psychiater A.E. Ederveen-Grochowska, beide verbon¬den aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek, is omtrent de geestvermogens van verdachte op 12 december 2008 een rapportage uitgebracht. De deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten weliswaar lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens (antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken en psychopathie), doch dat deze feiten -indien bewezenverklaard- hem volledig kunnen worden toegerekend.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu ook overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 1 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 van parketnummer 04/610056-08 en de feiten 1 t/m 6 van parketnummer 04/861237-08 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 9 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft aangegeven bij deze eis met name rekening te hebben gehouden met de documentatie van verdachte, zijn persoonlijkheid, en het feit dat zij verdachte ziet als een gevaarlijk man met een hele hoge kans op recidive. Naar de mening van de officier van justitie dient de samenleving langdurig tegen verdachte te worden beschermd.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat indien tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten wordt overgegaan, het niet gerechtvaardigd is om een gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Voorts bestaat er volgens de raadsvrouw met betrekking tot de gijzeling geen gevaar voor recidive, hetgeen mede blijkt uit het feit dat het slachtoffer [slachtoffer 3] de zitting d.d. 1 april 2009 heeft bijgewoond.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een vrijheidsberoving, een poging tot zware mishandeling, een inbraak in vereniging, brandstichting van de auto van een politieagent, belediging van drie verbalisanten, en ambtsbelemmering.

Met betrekking tot de vrijheidsberoving overweegt de rechtbank dat dit een zeer ernstig feit betreft. Verdachte heeft het slachtoffer met de auto opgehaald teneinde haar naar een woning te brengen. Verdachte en de mededaders hebben het slachtoffer uit de auto gehaald en de woning in begeleid. In de woning is het slachtoffer met tape vastgebonden en een aantal uren vastgehouden. In de tijd dat het slachtoffer werd vastgehouden is geweld tegen haar gebruikt. Verdachte heeft een heet strijkijzer tegen het lichaam van het slachtoffer aangehouden. Het betreft derhalve een geplande en gewelddadige vrijheidsberoving, die een ingrijpende aantasting van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer inhoudt.

Anderzijds houdt de rechtbank in dit verband rekening met het feit dat de vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden binnen het criminele milieu. Bovendien heeft het slachtoffer na het feit contact gehouden met verdachte en lijkt zij geen wrok te koesteren jegens hem.

Voorts overweegt de rechtbank met betrekking tot de beledigingen en de ambtsbelemmering dat deze feiten hebben plaatsgevonden tegen agenten in de uitoefening van hun functie. De brandstichting heeft voorts plaatsgevonden aan de auto van een agent. Voorgaande feiten zijn kenmerkend voor de relatie tussen verdachte en de politie in Roermond, die zich kenmerkt door een negatieve en agressieve houding van verdachte jegens hen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.

De rechtbank acht voorts van belang dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds veelvuldig is veroordeeld, in het bijzonder voor geweldsmisdrijven en inbraken.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens de psychiatrische rapportage Pro Justitie van prof. dr. Dillen Chris d.d. 29 juni 2008, heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken. Bovendien houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het over verdachte uitgebrachte adviesrapport van de GGZ Noord- en Midden Limburg d.d. 14 mei 2008, en het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 12 december 2008.

Blijkens het voornoemde rapport van het Pieter Baan Centrum van zijn er geen aanwijzingen dat verdachte tijdens het plegen van de bewezenverklaarde feiten beperkt was in zijn keuzevrijheid door zijn stoornissen aangezien hier de berekenende kant van zijn stoornissen voorop lijkt de staan. De rechtbank herkent dit in de berekenende en nietsontziende wijze waarop verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd, waarbij hij zich schijnbaar aan niemand dan hemzelf iets gelegen laat liggen.

De rechtbank houdt met betrekking tot feit 4 van parketnummer 04/861237-08

ten voordele van verdachte rekening met het lange tijdsverloop sedert het plegen van het bewezenverklaarde feit. Waar de rechtbank normaliter voor dit feit een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken passend zou achten, zal zij gelet op het lange tijdsverloop 2 weken gevangenisstraf in mindering brengen.

Nu verdachte voor meerdere feiten wordt vrijgesproken, komt de rechtbank tot een lagere straf dan gevorderd door de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van verdachte en het milieu waar verdachte zich in bevindt, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor na te noemen duur passend en geboden is, teneinde verdachte een halt toe te roepen en de samenleving tegen hem te beschermen.

10.4 Teruggave

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen zijn:

20300198878 1 1.00 STK Pet Kl:zwart

-

baseball cap

20300198878 2 1.00 STK Kleding Kl:blauw

-

spijkerbroek

20300198878 3 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

hemd

20300198878 4 1.00 PR Schoenen Kl:rood

NIKE sport

1 paar sportschoenen

20300198878 5 1.00 STK Handdoek Kl:wit

-

20300198878 6 1.00 STK Bijl Kl:rood.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan verdachte

10.5 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1], d.t.v. mr. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder feit 1 van parketnummer 04/610056-08 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

[slachtoffer 2], d.t.v. mr. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder feit 2 van parketnummer 04/610056-08 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt. Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

[slachtoffer 4], d.t.v. mr. W. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder feit 3 van parketnummer 04/861237-08 ten laste gelegde feit geleden immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de immateriële schade op een bedrag van € 300,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 3 van parketnummer 04/861237-08 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als

volgt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde is het een ervaringsregel dat daardoor bij het slachtoffer immateriële schade van enige omvang wordt veroorzaakt. De door het slachtoffer opgelopen immateriële schade rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een bedrag van € 100,00. De vordering immateriële schade, die door verdachte is weersproken, is naar het oordeel van de rechtbank voor dat bedrag voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal een bedrag van € 100,00 toekennen, en de vordering voor het overige afwijzen.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 100,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 2 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 4] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 45, 47, 57, 157, 184, 266, 267, 282, 302, 310, 311.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1, 2, 3 primair van parketnummer 04/610056-08 en het sub 2 en 7 van parketnummer 04/861237-08 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het sub 3 subsidiair en 4 van parketnummer 04/610056-08 en het sub 1, 3, 4, 5, en 6 van parketnummer 04/861237-08 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 54 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1], d.t.v. mr. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, niet-ontvankelijk;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], d.t.v. mr. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, niet-ontvankelijk;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

wijst gedeeltelijk toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4], d.t.v.

mr. W. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 4], d.t.v. mr. W. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, te betalen een bedrag van € 100,00;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 100,00 subsidiair 2 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 4] d.t.v. mr. W. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 100,00, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde

partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te

vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] d.t.v. mr. W. Verhoeven, Postbus 52, 5900 AB Venlo, voor het overige af;

gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomene, te weten:

20300198878 1 1.00 STK Pet Kl:zwart

-

baseball cap

20300198878 2 1.00 STK Kleding Kl:blauw

-

spijkerbroek

20300198878 3 1.00 STK Kleding Kl:wit

-

hemd

20300198878 4 1.00 PR Schoenen Kl:rood

NIKE sport

1 paar sportschoenen

20300198878 5 1.00 STK Handdoek Kl:wit

-

20300198878 6 1.00 STK Bijl Kl:rood.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, V.P. van Deventer en M.B.T.G. Steeghs, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 april 2009.