Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI1296

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
04/610070-08 en 04/850180-09 (ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplichtigheid gijzeling/vrijheidsberoving. Dubbel opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/610070-08

04/850180-09 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraak d.d. : 15 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [naam]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [plaats]

thans gedetineerd in [adres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 september 2008 en 1 april 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

Tenlastelegging met parketnummer: 04/610070-08:

1.

[medeverdachte] op of omstreeks 09 april 2008 in de gemeente Roermond,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en) te dwingen tot afgifte van

een hoeveelheid geld, althans tot afgifte van enig goed, bij het plegen van

welk misdrijf verdachte op of omstreeks 9 april 2008 in de gemeente Roermond

opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met voornoemde

[medeverdachte] genoemde [slachtoffer] in een personenauto naar de [adres] te vervoeren

en/of (vervolgens) deze [slachtoffer] het pand [adres] binnen te brengen;

(artikel 282A (juncto 48) Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

[medeverdachte] op of omstreeks 09 april 2008 in de gemeente Roermond

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, hierin bestaande dat [medeverdachte], tezamen en in vereniging

met een ander of anderen voornoemde [slachtof[slachtoffer] heeft gedwongen een woning binnen te gaan en (vervolgens) die [slachtoffer] in die woning heeft gehouden en/of door die [slachtoffer]

in die woning te tapen althans vast te binden, bij het plegen van welk

misdrijf verdachte op of omstreeks 9 april 2008 in de gemeente Roermond

opzettelijk behulpzaam is geweest door tezamen en in vereniging met voornoemde

[medeverdachte] genoemde [slachtoffer] in een personenauto naar de [adres] te vervoeren

en/of (vervolgens) deze [slachtoffer] bovengenoemde woning binnen te brengen;

(artikel 282 (juncto 48) Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 april 2008 tot en met 1 juli 2008 te

Nunhem, in elk geval in de gemeente Leudal en/of in de gemeente Roermond, in

elk geval in Nederland, een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een

pistool (merk BBM, type .315 auto), voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

(Artikel 26 Wet wapens en munitie).

Tenlastelegging met parketnummer 04/850180-09:

1.

hij op of omstreeks 15 maart 2009 in de gemeente Roermond

voorhanden heeft gehad:

a. een wapen van categorie III onder 1°, te weten een pistool (merk Crvema

Zastava, model MOD.70);

b. munitie van categorie III, te weten 3, in elk geval een aantal, patronen.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

(Artikel 26 Wet Wapens en Munitie).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De (geldigheid van de) dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

Ten aanzien van de ter zitting gevoegde feiten met parketnummers 04/610070-08 en 04/860180-09 heeft de raadsvrouw verzocht om deze feiten af te splitsen, nu zij van mening is dat voor de feiten met parketnummer 04/610070-08 vrijspraak dient te volgen.

De rechtbank overweegt dat de voeging is geschied in het belang van het onderzoek. Het verzoek om splitsing wordt afgewezen, aangezien een mogelijk schadevergoedingsbelang voor verdachte bij splitsing zich niet voordoet, nu compensatie plaatsvindt door de hierna te nemen beslissing ten aanzien van de aftrek van het voorarrest.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 1 april 2009 in de zaak met parketnummer 04/610070-08 gevorderd dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte] het oogmerk had om het slachtoffer [slachtoffer] te dwingen tot afgifte van geld. Naar de mening van de officier van justitie kan het onder 1 subsidiair van de zaak met parketnummer 04/610070-08 ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Blijkens de waarnemingen van het observatieteam trad verdachte op als bestuurder tijdens de autorit naar de [adres]. Verdachte heeft tijdens deze autorit het gesprek tussen [medeverdachte] en het slachtoffer [slachtoffer] kunnen horen en hij wist dus dat [medeverdachte] boos was. Verdachte is desondanks toch met [medeverdachte] en [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] gereden. Verdachte heeft gezien dat het slachtoffer de woning werd binnengeleid en de manier waarop dat plaatsvond. Bovendien is uit de telefoontaps gebleken dat het slachtoffer zich tot verdachte heeft gewend voor het krijgen van zwijggeld.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat feit 2 van de zaak met parketnummer 04/610070-08 wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard, aangezien het wapen is aangetroffen in de woning waar verdachte destijds stond ingeschreven. Ook het feit met parketnummer 04/850180-09 kan naar de mening van de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, nu het wapen en de munitie zijn aangetroffen in een tasje dat verdachte om zijn nek had hangen.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 van parketnummer 04/610070-08; zowel van de primaire als van de subsidiaire variant. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verdachte tijdens haar verklaringen bij de politie niet genoemd. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer] een verklaring onder ede afgelegd welke overeenkomt met de verklaring van verdachte.

Blijkens de verklaring van verdachte, het slachtoffer en getuigen zat verdachte wel in de auto die het slachtoffer bij de woning aan de [adres] heeft afgezet.

Betwist wordt dat verdachte de bestuurder van de auto was. Als toch zou worden aangenomen dat verdachte als de bestuurder van de auto heeft opgetreden, dan is nog niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte behulpzaam is geweest bij de gijzeling danwel vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Voor die bewezenverklaring moet er sprake zijn van dubbel opzet. Daarvan is hier niet gebleken, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte wist dat een gijzeling c.q. vrijheidsberoving zou plaatsvinden. Het enkele feit dat verdachte in de auto zou hebben gehoord dat [medeverdachte] boos was op [slachtoffer], maakt dit niet anders.

Met betrekking tot feit 2 van parketnummer 04/610070-08 heeft de raadsvrouw eveneens aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Verdachte sliep op de betreffende dag voor het eerst sinds lange tijd weer in de woning. Mevrouw [vriendin verdachte] heeft het wapen aan de politie gegeven. Zij heeft verklaard het wapen voor iemand te bewaren, maar zij wil niet zeggen voor wie. Voorts hebben zowel mevrouw [moeder vriendin verdachte] als mevrouw [vriendin verdachte] verklaard dat het wapen al een paar dagen op de kast lag.

Met betrekking tot het feit met parketnummer 04/850180-09 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) jegens verdachte bestond, waardoor er sprake was van een onrechtmatige aanhouding. Het verkregen materiaal dient van het bewijs te worden uitgesloten en verdachte dient te worden vrijgesproken. Indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake was van een verdenking, dan kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair van parketnummer 04/610070-08

Ten laste is gelegd dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest (medeplichtigheid) bij de gijzeling danwel vrijheidsberoving van [slachtoffer] door [medeverdachte] (en anderen), door samen met [medeverdachte] die [slachtoffer] met een auto naar de woning aan de [adres] te vervoeren en/of haar de woning binnen te brengen.

Voor de beoordeling of verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest zijn de navolgende stukken in het dossier voorhanden.

Blijkens het proces-verbaal bevindingen heeft de verbalisant [naam] op 12 april 2008 telefonisch contact gehad met [getuige] . Hij kreeg toen ook [slachtoffer] aan de lijn. [slachtoffer] deelde hem mede dat zij afgelopen woensdag bij het station te Roermond door [medeverdachte] in zijn auto was gesleurd. Vervolgens was zij door [medeverdachte] gebracht naar de woning van de broer van [medeverdachte] genaamd [naam broer medeverdachte]. Aldaar was zij getapet en vastgebonden in een stoel. [medeverdachte] had vervolgens een heet strijkijzer tegen haar been gehouden waarvan ze nu nog brandwonden had. Vervolgens was ze aangerand en geslagen door [medeverdachte] en nog twee mannen. De mannen zouden uit zijn geweest op geld dat zij en [getuige] zouden hebben.

[medeverdachte] heeft verklaard dat hij en verdachte samen [slachtoffer] op het station hebben opgehaald en naar de [adres] hebben gebracht. Hijzelf reed. Hij heeft met [slachtoffer] gesproken over de situatie met de Rotterdammers.

De getuigen [naam] en [naam ] hebben beiden verklaard dat [slachtoffer] de woning in kwam met [medeverdachte], een andere neger en verdachte. Verdachte is na vijf of tien minuten weg gegaan.

Tijdens de eerdere behandeling ter terechtzitting d.d. 25 september 2008 heeft verdachte verklaard dat hij als passagier in de auto zat waarmee [slachtoffer] naar de [adres] werd gebracht. Hij is daar uitgestapt en even blijven hangen, voordat hij daar weer weg ging.

Het observatieteam heeft voorts op 9 april 2008 waargenomen dat [slachtoffer] door twee negers de woning is binnengeleid en dat de blanke bestuurder van de auto twee minuten later de auto uitstapte en de woning inging.

Op grond van voormelde stukken gaat de rechtbank er van uit dat verdachte en [medeverdachte] samen [slachtoffer] bij het station hebben opgehaald en naar de woning aan de [adres] hebben gebracht. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten voorhanden zijn om tot het oordeel te komen dat verdachte reeds vóór de autorit kennis had van hetgeen [medeverdachte] (en/of anderen) van plan waren met het slachtoffer [slachtoffer]. Ook bestaan er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat verdachte tijdens de autorit wist of kwam te weten dat [medeverdachte] (en/of anderen) over zou(den) gaan tot de gijzeling danwel vrijheidsberoving van [slachtoffer]. Weliswaar vond tijdens de autorit een gesprek plaats tussen [medeverdachte] en [slachtoffer], maar deze enkele omstandigheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat verdachte daardoor wist (opzet) of de redelijke kans heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat [slachtoffer] in de woning zou worden vastgehouden. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij de gijzeling danwel vrijheidsberoving van [slachtoffer].

Gelet op het vorenoverwogene dient verdachte van dit feit (primair en subsidiair) te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 van parketnummer 04/610070-08

Op 1 juli 2008 is in het kader van een doorzoeking op grond van de Wet wapens en munitie de woning aan de [adres] te Nunhem doorzocht . Voorafgaande aan die doorzoeking is verdachte in die woning aangehouden. Tijdens de doorzoeking waren onder andere in de woning aanwezig de hoofdbewoonster [moeder vriendin verdachte] en haar dochter [vriendin verdachte], de vriendin van verdachte. [vriendin verdachte] pakte een plastic draagtas van de bovenzijde van een kast in de woonkamer en overhandigde deze aan de verbalisanten. In de tas bleek het wapen zoals vermeld op de tenlastelegging te zitten. Blijkens nader onderzoek betreft het een wapen van categorie III .

Verdachte heeft verklaard dat hij toevallig die nacht in de woning sliep, maar daar niet verblijft. Het wapen is niet van hem.

[vriendin verdachte] heeft verklaard dat verdachte voor het eerst sinds 2 of 3 maanden weer bij haar sliep. Toen de politie in haar woning kwam om verdachte aan te houden en de woning te doorzoeken, heeft zij zelf het wapen aan de verbalisanten gegeven. Het wapen heeft zij al sinds zondag (29 juni 2008). Zij heeft het wapen bij zich gehouden totdat de eigenaar het zou komen ophalen. Van wie ze het wapen heeft wil ze niet zeggen. [moeder vriendin verdachte] heeft verklaard dat [vriendin verdachte] in haar woning verblijft. Verdachte woont ergens anders. Verdachte was voor zover zij weet al maanden niet meer in de woning geweest. Het wapen heeft zij niet eerder gezien. Wel heeft ze de plastic draagtas op de kast in de woonkamer zien liggen. Zij heeft de tas op maandag 30 juni 2009 al op de kast zien liggen.

Gelet op de verklaringen van verdachte, [vriendin verdachte] en [moeder vriendin verdachte] dat verdachte niet in de betreffende woning woont maar daar in de nacht voorafgaande aan de doorzoeking toevallig voor het eerst sinds langere tijd weer eens heeft geslapen, en gelet op het feit dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit blijkt dat het betreffende wapen wel aan verdachte toebehoort danwel dat hij dat wapen voorhanden heeft gehad, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte dient derhalve van dit feit te worden vrijgesproken.

7.3 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 04/850180-09

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat ten tijde van het controleren van verdachte geen verdenking in de zin van artikel 27 Sv bestond, als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen is het de verbalisanten, die deel uitmaken van het Drugs Overlast Team te Roermond, ambtshalve bekend dat personen van Marokkaanse afkomst, afkomstig van de Randstad, in Roermond dealen in harddrugs. Voorts is het de verbalisanten ambtshalve bekend dat deze zogenaamde drugsrunners uit de Randstad vaak in sportieve auto’s rijden.

Als de verbalisanten op 15 maart 2009 tijdens een surveillance bij het [adres] te Roermond een Seat Leon zien met twee mannen van vermoedelijk Noord-Afrikaanse afkomst, doen zij aan de hand van het kenteken van de auto navraag bij de regionale meldkamer. De auto blijkt op naam te staan van [naam], een Marokkaan uit Amsterdam. Omstreeks tien minuten later zien zij voormelde auto staan op de parkeerplaats bij de sporthal aan de [adres] te Roermond. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat op deze plaats veelvuldig gedeald wordt in verdovende middelen. De verbalisanten besluiten de personen behorende bij die auto te observeren. Enkele minuten later zien zij een groene Volkswagen Polo ter hoogte van de Seat Leon stoppen. Door een persoon uit de Seat Leon wordt door het geopende portiervenster iets overgegeven aan een persoon in de Volkswagen Polo. Enkele minuten later rijdt de Volkswagen Polo met hoge snelheid weg.

Naar het oordeel van de rechtbank konden en mochten de verbalisanten op grond van deze feiten en omstandigheden het redelijke vermoeden hebben dat zij een drugstransactie hadden waargenomen. Zij waren daarom gerechtigd de verdachten terzake aan te houden. De verbalisanten volgen de auto, die uiteindelijk stopt bij het [adres]. Dit betreft tevens een plaats waarvan de verbalisanten ambtshalve weten dat er veelvuldig wordt gedeald in verdovende middelen. Op grond van de Opiumwet controleren de verbalisanten vervolgens de inzittenden van de auto. Een van de inzittenden van deze auto blijkt verdachte te zijn. Dat in de auto weliswaar geen drugs worden aangetroffen, doet niet af aan de rechtmatigheid van de aanhouding en het later aantreffen van het in de tenlastelegging vermelde vuurwapen. Het verweer van de verdediging gaat derhalve niet op en er zal geen bewijsuitsluiting plaatsvinden.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, gelet op:

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van het wapen met munitie bij verdachte ;

- het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar het wapen en de munitie ;

- de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (“Ik wist dat in mijn tasje een vuurwapen zat”; “er zaten patronen in het magazijn.”) en ter terechtzitting van

1 april 2009.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 04/850180-09 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 15 maart 2009 in de gemeente Roermond voorhanden heeft gehad:

a. een wapen van categorie III onder 1°, te weten een pistool (merk Crvema

Zastava, model MOD.70);

b. munitie van categorie III, te weten 3 patronen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

a. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en

munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

b. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De misdrijven zijn strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 1 april 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 subsidiair en 2 van parketnummer 04/610070-08 en het feit met parketnummer 04/850180-09 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie, door een vuurwapen van categorie III voorhanden te hebben.

De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder zwaar aan dat hij zich met dit vuurwapen, dat halfgeladen was, op de openbare weg bevond. Hij heeft zo een gevaarlijke situatie doen ontstaan voor de samenleving.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister veelvuldig is veroordeeld. Bovendien is hij in 2006 reeds eerder terzake overtreding van artikel 26 van de Wet wapens en munitie veroordeeld.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het over verdachte door de Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapport d.d. 23 september 2008 en adviesrapportage d.d. 31 oktober 2008, en zoals die overigens ter terechtzitting zijn gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Aangezien verdachte wordt vrijgesproken van de feiten 1 primair en subsidiair en 2 van parketnummer 04/610070-08, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Nu blijkens de voormelde adviesrapportage verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan de intakeprocedure en plaatsing bij de Stichting Moria, zal de rechtbank -overeenkomstig het advies van de reclassering- niet tevens een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opleggen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 63, 91.

Wet wapens en munitie art. 26, 55.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de feiten 1 primair en subsidair en 2 van parketnummer 04/610070-08 heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 04/850180-09 ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 maanden;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht terzake de zaken met parketnummers 04/610070-08 en 04/850180-09, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop

de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de straf.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, V.P. van Deventer en

M.B.T.G. Steeghs, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in

tegenwoordigheid van mr. I.E.A. van Eijk-Bronkhorst als griffier en

uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 15 april 2009.