Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI0961

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
14-04-2009
Zaaknummer
04/990006-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting en valsheid in geschrift. Rechtbank acht opzet aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/990006-07

Uitspraak d.d. : 14 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 juli 2005 te Roermond, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

- een schuldbekentenis, gedateerd 19 februari 2003 (D-001 9/14) en/of

- een schuldbekentenis, gedateerd 16 april 2003 (D-001 10/14) en/of

- een schuldbekentenis, gedateerd 18 december 2003 (D-001 11/14) en/of

- een schuldbekentenis, gedateerd 1 juli 2005 (D-001 12/14 en D-001 13/14),

gericht aan en/of bestemd voor de heer [slachtoffer 1] - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij verdachte (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op die schuldbekentenis(sen) vermeld -zakelijk weergegeven - dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] deze rechtsgeldig vertegenwoordigt, en [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] voor deze

schuldbekentenis(sen) hoofdelijk verbindt jegens de schuldeiser, de heer [slachtoffer 1], terwijl hij verdachte in werkelijkheid met ingang van 23 september 2002 niet (langer meer) bevoegd was om in rechte op te treden en/of

rechtsgeldige verbintenissen aan te gaan namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-025 1/4), zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

(artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2001 tot en met 1 februari 2006 te Roermond, althans in Nederland en/of te Düsseldorf, althans in Duitsland en/of te Maaseik, althans in België, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer van na te noemen personen heeft bewogen en/of doen bewegen tot de afgifte van (telkens) een of meer geldbedragen, elk geval enig goed, te weten van

- [slachtoffer 1], een geldsom totaal groot circa 500.500,- euro (D-005 1/8, D-037 2/14, D-037 3/14, D-037 5/14, D-037 6/14, D-037 7/14, D-037 9/14 en D-037 11/14) en/of

- [slachtoffer 2], een geldsom totaal groot circa 129.920,- euro (D-005 1/8, D-008, D-009, D-10 1/3, D-010 2/3, D-010 3/3, D-38 3/4 en D-45 5/17) en/of

- [slachtoffer 3], een geldsom totaal groot circa 40.000 euro (D-005 1/8 en D-45 2/17, D-48 1/4 en D-48 2/4) en/of

- [slachtoffer 4], een geldsom totaal groot circa 103.000,- euro (D-005 2/8, D-037 1/14, D-037 2/14, D-037 7/14, D-045 15/17, D-045 17/17 en D-047) en/of

- [slachtoffer 5], een geldsom totaal groot circa 33.200,- euro (D-005 2/8, D-045 4/17 en D-045 11/17) en/of

- [slachtoffer 6], een geldsom totaal groot circa 50.000,- euro (D-005 2/8)

hebbende verdachte, en/of zijn mededader(s), toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich tegenover voornoemde perso(o)n(en) heeft voorgedaan als een (professionele) (beleggings)deskundige, terwijl hij verdachte niet beschikte over een vergunning afgegeven door De Nederlandsche Bank en/of aan verdachte

geen ontheffing was verleend (D-036), en/of

- op het internet (www.kapaza.nl) geadverteerd -zakelijk weergegeven- dat bij een minimale inleg van 1000 euro, 25% rendement binnen 90 dagen kon worden behaald (D-028), en/of

- een valse hoedanigheid aangenomen, immers heeft hij zich tegenover een of meer voornoemde perso(o)n(en) voorgedaan als directeur ("Vorstand") van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] terwijl verdachte daartoe niet (langer meer) bevoegd was,(D-25 1/4) en/of zich heeft voorgedaan als (professionele) investeerder en/of (beleggings)deskundige, en/of

- aan voornoemde pers(o)on(en) (telkens) verzocht (een) geldbedrag(en) ter beschikking te stellen aan hem, verdachte, en/of aan [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] ter investering en/of ter belegging, en/of

- (daarbij) aan de navolgende perso(o)n(en) hoge rentepercentages, althans

hoge rendementen voorgespiegeld, te weten aan [slachtoffer 2] 10% en/of aan [slachtoffer 5] 10% (V 01-02) en/of aan [slachtoffer 3] 10% (D-048 2/4) en/of aan [slachtoffer 6] 200% (V 01-02) en/of

aan [slachtoffer 1] (D-001 11/14) hoge rendementen in het vooruitzicht gesteld, en/of

- (meermalen) een persoon, een advocaat, genaamd [medeverdachte 1], als vertrouwenwekkend tussenpersoon ingeschakeld en/of ter berde gebracht, waar [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] vertrouwen aan ontleenden dat het met beleggingsvoorstel 'goed zat' (D 001 2/14 en 3/14) (G 2-01), en/of

- in het jaar 2003 een [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] brochure uit 2001 ter beschikking gesteld aan [slachtoffer 1] waarin een foto van hem verdachte als directeur ("Vorstand") was opgenomen (D-001 7/14) terwijl hij verdachte in werkelijkheid met ingang van

23 september 2002 niet (langer meer) bevoegd was om in rechte op te treden en/of rechtsgeldige verbintenissen aan te gaan namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-025 1/4), en/of

- een of meer Engelstalige prospectus(sen) getoond en/of voorgehouden aan [slachtoffer 2] waarin informatie was opgenomen met betrekking tot effecten en/of waardepapieren (Engelse 'Gilts') (G 2-01), en/of

- ter bevestiging van de ter beschikking gestelde/ontvangen gelden, schuldbekentenissen opgesteld en/of ter hand gesteld aan voornoemde gelduitlener(s) (D-001 9/14, 10/14, 11/14, 12/14, 13/14, D-009, D-047 en D-048) waaraan de gelduitleners de gerechtvaardige verwachting konden ontlenen dat ze te maken hadden met een betrouwbare/bonafide zakenpartner en/of financieel deskundige, en/of

- in de schuldbekentenissen van [slachtoffer 1] zichzelf opgevoerd als directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-001 9/14, 10/14, 11/14, 12/14 en 13/14), terwijl verdachte daartoe niet (langer meer) bevoegd was (D-025 1/4), en/of

- geen, althans onvoldoende gespecificeerde administratie gevoerd en/of bijgehouden waaruit de rechten van voornoemde perso(o)n(en) (gelduitleners) konden worden ontleend.(D-015), en/of

- ten tijde van de vervaldata van voornoemde schuldbekentenissen, althans in de periode daarna, aan voornoemde perso(o)n(en) (telkens) geen, althans onvoldoende inzicht geboden met betrekking de status van de investeringen,

en/of de hierbij betrokken personen en/of instellingen, en/of ten aanzien van de terugbetalingen van de uitgeleende gelden, en/of

- aan voornoemde personen (telkens) uiteenlopende leugens en/of uitvluchten verteld aangaande de stand van de investering en/of belegging en/of terugbetalingen, en/of een of meer andere beloften en/of toezeggingen gedaan

aangaande de terugbetalingen van de uitgeleende gelden,

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);

(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

althans indien terzake het vorenstaande onder 2 geen veroordeling zou volgen:

hij in of omstreeks de periode van 26 mei 2001 tot en met 9 juli 2008 te Roermond, althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, te weten van

- [slachtoffer 1], een geldsom totaal groot circa 500.500 euro, met als terugbetalingsdatum 30 juli 2005 (D-001 12/14) en/of

- [slachtoffer 2], een geldsom totaal groot circa 129.920 euro, waaronder 45.000 NLG (20.420 euro) met als terugbetalingsdatum eind september 2001(D-009) en/of

- [slachtoffer 3], een geldsom van 25.000 euro met als terugbetalingsdatum 15 juni 2001 (D-048 1/4) en/of een geldsom van 20.000 euro met als terugbetalingsdatum 15 juni 2001 (D-048 2/4) en/of

- [slachtoffer 4], een geldsom totaal groot circa 103.000 euro (D-005 2/8, D-037 1/14, D-037 2/14, D-037 7/14, D-045 15/17 en D-045 17/17) en/of

- [slachtoffer 5], een geldsom totaal groot circa 33.200 euro (D-005 2/8, D-045 4/17

en D-045 11/17) en/of

- [slachtoffer 6], een geldsom totaal groot circa 50.000 euro (D-005 2/8) en/of

geheel of ten dele toebehorende aan bovengenoemde personen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten krachtens (mondelinge)

overeenkomst, welke (mondelinge) overeenkomst en/of ter bevestiging daarvan opgemaakte schuldbekentenissen, inhield dat verdachte dit/deze geldbedrag(en) zou investeren en/of beleggen in en/of door tussenkomst van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2], onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte toen aldaar de in bruikleen ontvangen contante gelden en/of de gelden welke hij verdachte in contanten van de bank (ABN-AMRO bank te Roermond en/of KBC Bank te Maaseik te België) heeft opgenomen, weggemaakt, althans niet aantoonbaar geïnvesteerd en/of belegd en/of aan het zicht van voornoemde perso(o)n(en) en/of toezichthouder onttrokken;

(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 7 juni 2001 tot en met 20 mei 2005 te Roermond, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig, al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken en/of ter beschikking verkregen of ter beschikking heeft gehad, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), toen aldaar, (meermalen)

- van [slachtoffer 1] tot een totaalbedrag groot circa 200.500,- euro en/of

- van [slachtoffer 2] tot een totaalbedrag groot circa 129.920,- euro en/of

- van [slachtoffer 3] tot een totaalbedrag groot circa 40.000 euro,- en/of

- van [slachtoffer 4] tot een totaalbedrag groot circa 103.000,- euro en/of

- van [slachtoffer 5] tot een totaalbedrag groot circa 33.200,- euro en/of

- van [slachtoffer 6] een totaalbedrag groot circa 50.000,- euro,

althans van een of meer (voornoemde) pers(o)on(en) een of meer geldbedrag(en), aangetrokken en/of ontvangen op zijn privé-bankrekening. (zie standpuntbepaling van de DNB)

(artikel 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

(artikel 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Uit onderzoek is de rechtbank gebleken dat verdachte Nederlander is, dat het onder 2 ten laste gelegde feit door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en dat op dat feit door de wet van België en Duitsland, waar het zou zijn begaan, straf is gesteld.

De officier van justitie is ontvankelijk in zijn vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 31 maart 2009 gevorderd dat de ten laste gelegde feiten zullen worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, nu het voor een bewezenverklaring vereiste opzet – ook in de voorwaardelijke variant – ontbreekt.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

7.2.1 Samenvatting van de bewijsmiddelen en oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

- De verklaring die verdachte ter terechtzitting d.d. 31 maart 2009 heeft afgelegd.

Verdachte verklaart dat hij in de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 juli 2005 een viertal schuldbekentenissen gericht aan en bestemd voor de heer [slachtoffer 1] heeft opgemaakt en dat hij in die schuldbekentenissen heeft vermeld dat hij deze heeft opgemaakt in zijn hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] en dat [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] voor deze schuldbekentenissen hoofdelijk jegens de schuldeiser was verbonden. Dit laatste heeft hij gedaan op aanraden van advocaat mr. [medeverdachte 1] omdat dit voor [slachtoffer 1] beter zou zijn. Verdachte geeft aan dat deze schuldbekentenissen door [slachtoffer 1] en hem zijn ondertekend.

- De heer [slachtoffer 1] heeft tegenover de opsporingsambtenaren op 1 februari 2006 schriftelijk aangifte gedaan.

In deze aangifte verklaart hij dat hij dat hij vanaf februari 2003 tot en met juni 2005 in totaal € 500.500,00 heeft geïnvesteerd en overgedragen aan de hem bekende verdachte en dat voor deze investeringen schuldbekentenissen zijn opgemaakt.

- In het strafdossier zijn 4 schuldbekentenissen aanwezig gedateerd respectievelijk 19 februari 2003, 16 april 2003, 18 december 2003 en 1 juli 2005. Deze schuldbekentenissen houden onder meer in - zakelijk weergegeven - dat

[verdachte], geboren op [geboortedatum] verklaart dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van de [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2], kantoorhoudend te Düsseldorf, Duitsland namens zichzelf zomede namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] waarbij beiden zich jegens [slachtoffer 1] hoofdelijk althans voor zover nodig elk voor zich verbinden ter titel van geldlening en het verschuldigde aan [slachtoffer 1] voornoemd te voldoen.

- Ten aanzien van dit feit is aanwezig een in de Duitse taal gesteld uittreksel uit de Kamer van Koophandel te Düsseldorf, d.d. 18 mei 2006, welk uittreksel onder meer bevat, in de Nederlandse taal weergegeven, dat [verdachte], geboren op

[geboortedatum] met ingang van 23 september 2002 geen directeur meer is van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] te Düsseldorf.

De raadsman en verdachte hebben aangevoerd dat verdachte weliswaar in de schuldbekentenissen heeft vermeld dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] optrad, doch dat hij niet wist dat hij op dat moment niet meer bevoegd was om als directeur op te treden.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat uit het Uittreksel van de Kamer van Koophandel te Düsseldorf blijkt dat verdachte de enige persoon met bevoegdheden binnen [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] was. Dat verdachte dan niet weet dat hij niet meer bevoegd is, komt de rechtbank ongeloofwaardig over.

De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte wist, althans had behoren te weten, dat hij vanaf 23 september 2002 geen enkele bevoegdheid meer had binnen de vennootschap.

Verder heeft de raadsman betoogd dat tevens opzet ontbrak en dat verdachte de schuldbekentenissen ten opzichte van [slachtoffer 1] [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] eigenlijk niet zou hebben willen gebruiken, maar dat hij dit op advies van advocaat [medeverdachte 1] toch zou hebben gedaan.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte in hun eerste contact ter sprake bracht dat hij - samen met [medeverdachte 2] – [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] had opgericht, een IT investeringsbedrijf. Van dit bedrijf kreeg hij, [slachtoffer 1], een professionele folder aangeboden. Vanwege het vertrouwen dat hij had in [medeverdachte 1] en het verhaal van verdachte heeft hij ingestemd. Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij [slachtoffer 1] later nog een brochure van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] heeft gegeven.

Op grond van het vorengaande concludeert de rechtbank dat verdachte welbewust en opzettelijk in de schuldbekentenissen zijn hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] heeft opgevoerd, wetende dat dit in strijd met de waarheid was . Dat dit wellicht gebeurde mede door toedoen van [medeverdachte 1] doet daar niet aan af.

Door het opmaken van schuldbekentenissen in de hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] werd aan [slachtoffer 1] extra zekerheid geboden en aldus heeft verdachte het oogmerk gehad het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.

Ten aanzien van feit 2:

Partiele vrijspraak.

In dit feit wordt verdachte verweten dat hij, al dan niet samen met een ander of anderen, door middel van oplichtingsmiddelen mensen heeft bewogen tot afgifte van gelden. Om te weten wat personen heeft bewogen gelden af te geven, moeten deze personen een verklaring hebben afgelegd; zij immers zijn degenen die het besluit tot afgifte hebben genomen.

In de onderhavige tenlastelegging staan onder meer vermeld als degene die gelden hebben afgegeven [slachtoffer 3], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6].

Genoemde personen hebben geen verklaring afgelegd. Nu zij geen verklaring hebben afgelegd is niet vast te stellen de reden waarom zij gelden aan verdachte hebben beschikbaar gesteld. Ten aanzien van deze niet gehoorde personen kan derhalve ook niet worden vastgesteld en bewezen dat zij gelden hebben afgegeven op basis van (een van de) door verdachte gebruikte oplichtingsmiddelen zoals nader omschreven in de tenlastelegging.

Nu niet kan worden bewezen dat verdachte van genoemde personen gelden heeft verkregen door middel van een of meer oplichtingsmiddelen, dient verdachte te worden vrijgesproken van (het medeplegen van) oplichting van [slachtoffer 3],

[slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6].

Naar het oordeel van de rechtbank kan wel worden bewezen verklaard het medeplegen van oplichting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en wel op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

- De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd.

Verdachte verklaart dat hij begin 2001 samen met de hem bekende [medeverdachte 2] als geldbemiddelaar werkzaam is en dat hij in 2003 via de hem bekende advocaat [medeverdachte 1], in wie zowel hij als na te melden [slachtoffer 1] vertrouwen heeft, in contact komt met de heer [slachtoffer 1]. Op dat moment bestaat in Düsseldorf een bedrijf genaamd [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] en dat bedrijf is opgericht door mensen die veel gelden willen investeren in projecten. Verdachte is directeur van dat bedrijf en hij is alleen bevoegd. In het contact dat [medeverdachte 1] met [slachtoffer 1] heeft, vraagt [medeverdachte 1] of [slachtoffer 1] interesse heeft in een investering. [slachtoffer 1] heeft dat en tegenover de door [slachtoffer 1] afgegeven gelden / investeringen worden door verdachte schuldbekentenissen opgemaakt. [medeverdachte 1] adviseert [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] in de schuldbekentenissen op te nemen en zodoende komt [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] in de kontakten tussen [slachtoffer 1], [medeverdachte 1] en verdachte ter sprake. Verdachte geeft aan [slachtoffer 1] een brochure van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] waarin hij als directeur staat vermeld. Bij een foto van verdachte in die brochure staat vermeld dat dit de directeur is.

Afspraak is dat [slachtoffer 1] van de opbrengst van zijn investering [medeverdachte 1] voor diens bemiddeling betaalt en dat verdachte 50% van de commissie die [medeverdachte 2] krijgt over de gelden die verdachte van derden ontvangt en aan [medeverdachte 2] overdraagt, krijgt. De door derden gestorte gelden haalt verdachte van zijn bankrekening in Maaseik en hij geeft dat geld contant af aan [medeverdachte 2].

Van mevrouw [slachtoffer 2] ontvangt verdachte ook geld. Op een gegeven moment heeft hij het geld zo hard nodig dat hij mevrouw [slachtoffer 2] smeekt om meer geld.

Hij gaat over tot smeken omdat hem via [medeverdachte 2] dreigementen bereiken van de opdrachtgevers van [medeverdachte 2], de mensen achter het grote vermogen, en omdat hij bang is dat hij ook in de problemen zal komen indien hij het geld niet zal kunnen aanleveren.

- De heer [slachtoffer 1] heeft tegenover de opsporingsambtenaren op 1 februari 2006 schriftelijk aangifte gedaan.

In deze aangifte verklaart hij dat hij dat hij vanaf februari 2003 tot en met juni 2005 in totaal € 500.500,00 heeft geïnvesteerd en overgedragen aan de hem bekende verdachte en dat voor deze investeringen schuldbekentenissen zijn opgemaakt.

In februari 2003 komt hij via zijn advocaat mr. [medeverdachte 1] in contact met verdachte. [medeverdachte 1] heeft hem verteld dat hij verdachte al lang kent en dat verdachte geld tekort komt om een zakentransactie af te ronden. Hij laat zich overtuigen door [medeverdachte 1] en hij ontmoet op het vliegveld in Düsseldorf verdachte. Verdachte vertelt dat hij met [medeverdachte 2] iets probeert te verkopen en dat daartoe [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] te Düsseldorf is opgericht. Hij krijgt van verdachte een brochure en verdachte biedt hem € 2.000.000,00 plus de investering van [slachtoffer 1] ad € 130.000,00 als [slachtoffer 1] investeert. Vanwege het vertrouwen dat [slachtoffer 1] in [medeverdachte 1] heeft en het verhaal van verdachte, stemt [slachtoffer 1] uiteindelijk in, en maakt het geld over naar de rekening van verdachte bij de KBC bank te Maaseik. Hierna betaalt hij nog diverse bedragen nadat hij door verdachte en [medeverdachte 1] benaderd is te investeren. In 2004 betaalt hij nog twee bedragen aan verdachte. Begin 2005 geeft verdachte aan dat hij de laatste betaling niet kan rondkrijgen. Verdachte geeft aan dat [slachtoffer 1] echt moet geloven en hij zegt dat het de allerlaatste betaling is. Op 19 mei 2005 maakt [slachtoffer 1] een bedrag groot € 40.000,00, over. Verdachte belooft hem dat hij eind juli 2005 zijn geld zal terugkrijgen. Hijzelf, zijn vrouw , familie en andere investeerders zouden al meer dan 3 miljoen in deze transactie hebben gestoken. [slachtoffer 1] verklaart dat verdachte vertelde dat in verband met een nieuwe EU-regel overboekingskosten ad € 55.000,00 betaald moesten worden. Omdat [slachtoffer 1] dit bedrag niet helemaal had en meer zekerheid wilde, is er een bespreking geweest in Parijs met alle betrokken partijen. Besloten werd dat € 40.000,00 maar betaald hoefde worden en dat [slachtoffer 1] niet 2x maar 3x de investering zou terugkrijgen. Bij die gelegenheid heeft hij, [slachtoffer 1], [medeverdachte 2] voor de eerste maal telefonisch gesproken. Ondanks vele toezeggingen heeft [slachtoffer 1] op het moment van aangifte nog geen cent ontvangen.

- Mevrouw [slachtoffer 2] , wonende te Roermond, heeft tegenover de opsporingsambtenaren een verklaring afgelegd op 22 april 2008. In deze verklaring geeft zij aan dat zij in een seniorenontmoetingsplek te Roermond advocaat [medeverdachte 1] tegenkomt. Verdachte komt daar ook vaker. Op een gegeven moment zegt [medeverdachte 1] dat hij samen met verdachte grote zaken gaat doen. Zij kent [medeverdachte 1] al een tijdje en heeft vertrouwen in hem. Verdachte laat haar een chique prospectus zien. Hij zegt dat hij een zaak in Düsseldorf heeft. Hij vraagt om geld omdat hij geld tekort heeft en zij geeft hem fl. 45.000,00, nadat hij zegt dat hij een vriend, een notaris, heeft die alles zal regelen. Zij krijgt over dat bedrag 10% rente. Dit staat ook vermeld in de schuldbekentenis met betrekking tot deze fl. 45.000,00.

Later vertelt verdachte haar een verhaal over geld dat hij op een bank in Parijs heeft staan en waarvan hij de sleutel heeft. Het zou miljoenen opbrengen. Hij ging altijd met haar naar de bank en zij gaf het door haar afgehaalde geld aan verdachte.

De laatste keer maakt zij € 60.000,00 aan hem over via de bank.

In totaal heeft zij verdachte € 129.920,00 gegeven ter investering. Zij heeft nooit geld teruggekregen en als zij verdachte tegenkomt, dan wel met hem telefoneert, zegt hij telkens dat hij geld gaat halen en dat het allemaal goed komt en dat zijn vrouw en kinderen hem ook geld hebben geleend. Mevrouw [slachtoffer 2] voelt zich opgelicht.

- In het strafdossier is een schuldbekentenis aanwezig gedateerd 31 juli 2001. Deze schuldbekentenis houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - dat verdachte van mevrouw [slachtoffer 2] Ngl 45.000,00 leent en dat verdachte de lening uiterlijk per 1 september 2001 zal terugbetalen. Deze schuldbekentenis is voorzien van een plaats en datum van ondertekening, namelijk Roermond 31 juli 2001.

- In het strafdossier zijn 4 schuldbekentenissen aanwezig gedateerd respectievelijk 19 februari 2003, 16 april 2003, 18 december 2003 en 1 juli 2005. Deze schuldbekentenissen houden onder meer in - zakelijk weergegeven - dat

[verdachte], geboren op [geboortedatum] verklaart dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van de [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2], kantoorhoudend te Düsseldorf, Duitsland namens zichzelf zomede namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] waarbij beiden zich jegens [slach[slachtoffer 1] hoofdelijk althans voor zover nodig elk voor zich verbinden ter titel van geldlening en het verschuldigde aan [slachtoffer 1] voornoemd te voldoen.

- Ten aanzien van dit feit is aanwezig een in de Duitse taal gesteld uittreksel uit de Kamer van Koophandel te Düsseldorf, d.d. 18 mei 2006, welk uittreksel onder meer bevat, in de Nederlandse taal weergegeven, dat [verdachte], geboren op

[geboortedatum] met ingang van 23 september 2002 geen directeur meer is van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] te Düsseldorf.

De raadsman en verdachte hebben aangevoerd dat het opzet om in de tenlastelegging vermelde personen te benadelen ontbreekt.

Op de momenten dat verdachte met genoemde personen contacten had en toezeggingen deed, was hij in de veronderstelling dat hij directeur was van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] en dat met de ingelegde bedragen de beloofde rendementen konden worden behaald, immers verdachte had 100% vertrouwen in de bij hem en [medeverdachte 2] onder handen zijnde projecten, dat de door hem gedane toezeggingen met betrekking tot de hoogte van de te ontvangen rente en rendementen reëel waren en konden worden nagekomen.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer geen doel treft. Immers blijkt uit hetgeen dienaangaande met betrekking tot feit 1 is overwogen dat verdachte wist dat, op het moment dat hij zich bij [slachtoffer 1] uitgaf als directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2], hij dat niet meer was en voorts heeft verdachte verzuimd aan mevrouw [slachtoffer 2] te melden dat hij vanaf 23 september 2002 geen directeur meer was van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2]. Zoals hiervoor reeds is overwogen acht de rechtbank de stelling van verdachte dat hij niet wist dat hij geen directeur meer was van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] ongeloofwaardig.

Ook voor de stelling van verdachte dat hij de ingelegde gelden telkens (veelal van zijn Belgische bankrekening opnam en vervolgens) contant aan [medeverdachte 2] overhandigde, is geen enkel (begin van) bewijs voorhanden.

Daarnaast verwijst verdachte ter onderbouwing van zijn stelling dat de door hem en [medeverdachte 2] aangeboden investeringsprojecten rendabel waren, telkens naar mededelingen dienaangaande van [medeverdachte 2]. Verdachte beschikt kennelijk over geen enkel schriftelijk stuk, dan wel ander bewijsmiddel, op basis waarvan ook maar enigszins aannemelijk gemaakt kan worden dat de door [medeverdachte 2] en hem aangeboden projecten, die varieerden van Engelse Gilts tot vastgoed in Dubai, echt bestonden. Verdachte verwijst bij doorvragen telkens naar een groep zeer vermogende personen, met een vermogen van tussen de 300 en 400 miljard, die kennelijk de gelden die [medeverdachte 2] en verdachte bijeenbrachten opeisten in ruil voor een dikke provisie van ettelijke tientallen miljoenen indien [medeverdachte 2] en verdachte iets konden betekenen teneinde dat vermogen op een andere wijze te beleggen zonder dat de namen van deze vermogende personen bekend zouden worden. Die beloofde provisie zou volgens verdachte dan gewoon door de bank aan hem worden uitbetaald, ook zonder dat daarover iets op papier stond. Daarna zou verdachte over gaan tot terugbetaling van de lening verhoogd met het beloofde rendement aan de investeerders.

De rechtbank acht dit verhaal dermate ongeloofwaardig en onzinnig dat zij het onaannemelijk acht dat verdachte zelf op grond hiervan het vertrouwen kon hebben dat alles wel goed zou komen. Dat verdachte dit vertrouwen ook niet had blijkt uit de omstandigheid dat hij naar eigen zeggen mevrouw [slachtoffer 2] heeft gesmeekt om een extra kapitaalsinjectie, niet omdat hij zo’n vertrouwen had in de gedane investering, maar omdat hij kennelijk bang was voor zijn eigen veiligheid.

Uit het gegeven dat het verweer wordt verworpen volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het opzet van verdachte wel degelijk gericht was op de oplichting van de investeerders.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat verdachte wordt verweten dat hij met het aantrekken van gelden artikel 82 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992) heeft overtreden, terwijl dit verbod per 1 januari 2007 is vervangen door artikel 3:5, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). In een nota van 27 februari 2009 is door het Expertisecentrum Handhaving het standpunt van De Nederlandse Bank (DNB) weergegeven ten aanzien van de toepasselijke wetgeving. Uit de Memorie van Toelichting behorende bij artikel 7 van de Invoerings- en aanpassingswet Wft (TK 2005/2006, 30658, no.3) leidt DNB af dat op het ten laste gelegde feit de Wtk 1992 van toepassing is. Dit is slechts anders indien de thans geldende regeling gunstiger is voor verdachte. Voor toepassing van de Wtk 1992 is van belang dat DNB een Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 (Beleidsregel 2005, stcrt 2004, 254) heeft opgesteld, waarin de begrippen ‘bedrijfsmatig’, ‘publiek’, ‘besloten kring’ en ‘al dan niet opvorderbare gelden’ zijn gedefinieerd.

DNB stelt vast dat verdachte in een periode van vier jaar 26 keer geld heeft geleend van zes verschillende particulieren en concludeert, op basis van beleidsregel 2005, dat er sprake is van een stelselmatig en geregeld karakter waardoor verdachte bedrijfsmatig handelde in de zin van het in artikel 82, eerste lid, van de Wtk 1992 vervatte verbod. Voorts concludeert DNB dat er geen sprake was van een ‘besloten kring’ van personen waarvan gelden zijn aangetrokken, er derhalve sprake is van ‘publiek’ en, nu het geleende gelden betreft, er eveneens sprake is van ‘al dan niet opvorderbare gelden’. Verdachte heeft derhalve gehandeld in strijd met het in artikel 82, eerste lid, van de Wtk 1992 vervatte verbod. Er is voor verdachte geen vrijstellingsregeling van toepassing en aan verdachte is geen ontheffing verleend door DNB, als bedoeld in artikel 82, derde, respectievelijk vierde lid, van de Wtk 1992.

De rechtbank onderschrijft deze conclusies van DNB en de uitgangspunten waarop deze zijn gebaseerd, zoals weergegeven in eerdervermelde nota die zich bij de dossierstukken bevindt

Voorts overweegt de rechtbank dat DNB ten aanzien van het begrip ‘professionele marktpartij’, dat van belang is voor de bepaling of er gelden zijn aangetrokken van ‘publiek’, aansluiting heeft gezocht bij artikel 3, tweede lid, Besluit definitiebepalingen Wft, nu dit gunstiger is voor verdachte. Hieruit volgt dat de heer en mevrouw [slachtoffer 6] en de heer [slachtoffer 1], voor zover het de leningen van 20 februari 2003 (€ 130.000,-) en 16 april 2004 (€ 170.000,-) betreft, als professionele marktpartijen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank kan zich vinden in dit standpunt van DNB. Dit heeft tot gevolg dat voor wat betreft de lening van de heer en mevrouw [slachtoffer 6] (€ 50.000,-) en voornoemde leningen van [slachtoffer 1], geen sprake is van van ‘publiek’ aangetrokken gelden. Dit heeft geen gevolg voor de bewezenverklaring ten aanzien van de gelden van [slachtoffer 1] nu voornoemde leningen onder feit 3 niet zijn ten laste gelegd.

Ten aanzien van de lening van de heer en mevrouw [slachtoffer 6] komt de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 82 WTK.

Gebruikte bewijsmiddelen

- De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd.

Verdachte verklaart dat hij in de periode van juni 2001 tot en met 20 mei 2005 in Roermond meermalen van [slachtoffer 1] tot een totaalbedrag van € 500.500,-, van [slachtoffer 2] tot een totaalbedrag van € 129.920,-, waarvan één storting € 60.000,00 bedraagt, van [slachtoffer 3] tot een totaalbedrag van € 40.000,-, van [slachtoffer 4] tot een totaalbedrag van € 103.000,- en van [slachtoffer 5] tot een totaalbedrag van € 33.200,00 ter lening heeft aangetrokken en op zijn privé-bankrekening heeft ontvangen. Die gelden zouden aan inleners worden terugbetaald.

De ontvangen gelden worden door hem van zijn rekening gehaald en beschikbaar gesteld aan [medeverdachte 2]. Bij de terugbetaling van de gelden zou een gedeelte daarvan worden gegeven aan advocaat [medeverdachte 1] als vergoeding voor diens interventies bij het verkrijgen van (een deel van) de gelden.

- De heer [slachtoffer 1] heeft tegenover de opsporingsambtenaren op 1 februari 2006 schriftelijk aangifte gedaan.

In deze aangifte verklaart hij dat hij dat hij vanaf februari 2003 tot en met juni 2005 in totaal € 500.500,00 heeft overgedragen aan de hem bekende verdachte.

- Mevrouw [slachtoffer 2] , wonende te Roermond, heeft tegenover de opsporingsambtenaren een verklaring afgelegd op 22 april 2008.

In deze verklaring geeft zij onder meer aan dat zij in totaal aan verdachte € 129.920,00 heeft gegeven ter investering.

Verweren.

Zowel verdachte als de raadsman hebben aangevoerd dat het handelen van verdachte volgens hen niet kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig in de zin van de Wet toezicht kredietwezen, zodat verdachtes handelen niet valt onder de werking die wet. Verder is aangevoerd dat verdachte het feit niet opzettelijk heeft begaan.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het al of niet bedrijfsmatig handelen dat zij van oordeel is dat het in ongeveer 4 jaar tijd 26 maal aantrekken van gelden, enkel kan worden gekwalificeerd als bedrijfsmatig aantrekken, zoals hiervoor overwogen.

Ten aanzien van het verweer dat verdachte het feit niet opzettelijk heeft begaan, overweegt de rechtbank dat het aantrekken en ter beschikking krijgen van gelden alleen maar bewust kan gebeuren. Daarbij komt dat van verdachte, die afgestudeerd econoom is en jarenlang als accountant/boekhouder werkzaam is geweest, ook verwacht mag worden dat hij op de hoogte is, althans had moeten zijn, van de regelgeving dienaangaande.

De rechtbank verwerpt derhalve de verweren.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte onder 1, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 februari 2003 tot en met 1 juli 2005 te Roermond meermalen telkens

- een schuldbekentenis, gedateerd 19 februari 2003 (D-001 9/14) en

- een schuldbekentenis, gedateerd 16 april 2003 (D-001 10/14) en

- een schuldbekentenis, gedateerd 18 december 2003 (D-001 11/14) en

- een schuldbekentenis, gedateerd 1 juli 2005 (D-001 12/14 en D-001 13/14),

gericht aan en bestemd voor de heer [slachtoffer 1] - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij verdachte telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid

op die schuldbekentenissen vermeld - zakelijk weergegeven - dat hij in zijn hoedanigheid van directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] deze rechtsgeldig vertegenwoordigt, en [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] voor deze

schuldbekentenissen hoofdelijk verbindt jegens de schuldeiser, de heer [slachtoffer 1], terwijl hij verdachte in werkelijkheid met ingang van 23 september 2002 niet (langer meer) bevoegd was om in rechte op te treden en

rechtsgeldige verbintenissen aan te gaan namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-025 1/4), zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

2.

hij in de periode van 26 mei 2001 tot en met 1 februari 2006 te Roermond en/of te Düsseldorf en/of te Maaseik tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van telkens geldbedragen, te weten van

- [slachtoffer 1], een geldsom totaal groot circa 500.500,- euro en/of

- [slachtoffer 2], een geldsom totaal groot circa 129.920,- euro,

hebbende verdachte, en/of zijn mededaders, toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- een valse hoedanigheid aangenomen, immers heeft hij zich tegenover [slachtoffer 1] voorgedaan als directeur ("Vorstand") van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] terwijl verdachte daartoe niet (langer meer) bevoegd was, (D-25 1/4) en/of

- aan voornoemde personen telkens verzocht geldbedragen ter beschikking te stellen aan hem, verdachte, en/of aan [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] ter investering en/of

- daarbij aan [slachtoffer 2] een hoog rentepercentages, 10%, in het vooruitzicht gesteld en aan [slachtoffer 1] een hoog rendement voorgespiegeld en/of

- meermalen een persoon, een advocaat, genaamd [medeverdachte 1], als vertrouwenwekkend tussenpersoon ingeschakeld, waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vertrouwen aan ontleenden dat het met beleggingsvoorstel 'goed zat' (G 2-01), en/of

- in het jaar 2003 een [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] brochure uit 2001 ter beschikking gesteld aan [slachtoffer 1] waarin een foto van hem verdachte als directeur ("Vorstand") was opgenomen (D-001 7/14) terwijl hij, verdachte, in werkelijkheid met ingang van

23 september 2002 niet (langer meer) bevoegd was om in rechte op te treden en/of rechtsgeldige verbintenissen aan te gaan namens [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-025 1/4), en/of

- ter bevestiging van de ter beschikking gestelde/ontvangen gelden, schuldbekentenissen opgesteld en ter hand gesteld aan voornoemde gelduitlener(s) (D-001 9/14, 10/14, 11/14, 12/14, 13/14 en D-009) waaraan de gelduitleners de gerechtvaardige verwachting konden ontlenen dat ze te maken hadden met een betrouwbare/bonafide zakenpartner en/of

- in de schuldbekentenissen van [slachtoffer 1] zichzelf opgevoerd als directeur van [Bedrijf van verdachte en medeverdachte 2] (D-001 9/14, 10/14, 11/14, 12/14 en 13/14), terwijl verdachte daartoe niet (langer meer) bevoegd was (D-025 1/4), en/of

- aan voornoemde personen telkens uiteenlopende leugens en/of uitvluchten verteld aangaande de stand van de investering en/of terugbetalingen, en/of een of meer andere beloften en/of toezeggingen gedaan aangaande de terugbetalingen van de uitgeleende gelden, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;

3.

hij in de periode van 7 juni 2001 tot en met 20 mei 2005 te Roermond tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk bedrijfsmatig, al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken en ter beschikking verkregen, immers heeft hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, toen aldaar, meermalen

- van [slachtoffer 1] tot een totaalbedrag groot circa 200.500,- euro en

- van [slachtoffer 2] tot een totaalbedrag groot circa 129.920,- euro en

- van [slachtoffer 3] tot een totaalbedrag groot circa 40.000 euro,- en

- van [slachtoffer 4] tot een totaalbedrag groot circa 103.000,- euro en

- van [slachtoffer 5] tot een totaalbedrag groot circa 33.200,- euro

aangetrokken en ontvangen op zijn privé-bankrekening.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en kwalificatie

8.1. De strafbaarheid

De bewezen verklaarde feiten zijn strafbaar nu niet is gebleken van enige omstandigheid die de strafbaarheid van die feiten zou opheffen.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van feit 1

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan en meermalen gepleegd.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 2 is strafbaar gesteld bij de artikelen 326 juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 3 is strafbaar gesteld bij artikel 1 juncto artikel 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straf en maatregel

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 31 maart 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de drie ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman en verdachte hebben vrijspraak bepleit.

Geheel subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat ook verdachte is te zien als slachtoffer van oplichtingspraktijken door anderen en dat hij geen enkel voordeel heeft genoten van deze feiten. Hierbij dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdachte zijn bewezen verklaard onder meer het plegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van oplichting van een aantal personen tot een totaalbedrag van ruim € 800.000,00.

Verdachte heeft samen met anderen gelden verworven. Daartoe spiegelt verdachte voor, dat degene die aan hem geld beschikbaar stelt, met dat beschikbaar gestelde geld veel geld kan verdienen en geeft hij aan dat er ook personen met maatschappelijk aanzien, zoals een advocaat, bij het project betrokken zijn. Ook heeft hij hen voorgespiegeld dat hij zelf gelden in het voorgespiegelde project zou hebben gestoken, terwijl verdachte ter terechtzitting heeft verklaard geen geld te hebben gehad en dus ook geen eigen geld te hebben geïnvesteerd.

Verdachte blijft degenen die geld via hem investeren, benaderen en om geld vragen. Door de investeerders aan het lijntje te houden en hen voor te houden dat alles zeker in orde zal komen, heeft verdachte hen substantiële bedragen afgetroggeld. De investeerders zijn al hun aan verdachte gegeven gelden kwijtgeraakt.

Door zo te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de investeerders in hem hadden, hetgeen de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk neemt.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank naast het vorenstaande ook rekening gehouden met het feit dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals zijn leeftijd en gezondheid.

De rechtbank is van oordeel dat het op grove wijze misbruik maken van het vertrouwen van mensen en hen benadelen voor substantiële bedragen alleen maar kan worden bestraft met een forse gevangenisstraf.

Gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, dient naar het oordeel van de rechtbank een forse gevangenisstraf te worden opgelegd, waarvan in deze casus het onvoorwaardelijke gedeelte de eis van de officier van justitie overstijgt.

Met het daarnaast opleggen van een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten, het misbruik maken van het vertrouwen van mensen, een taakstraf in de vorm van een werkstraf niet aan de orde is, zodat het verzoek van verdachte en de verdediging om als onvoorwaardelijke straf geen vrijheidsstraf maar een taakstraf op te leggen, wordt afgewezen.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schademaatregel

[slachtoffer 2], wonende [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van de hiervoor onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten geleden materiële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade, inclusief de post kosten rechtsbijstand ad € 1.659,94, op een bedrag van € 131.579,94 en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte zijn de hiervoor onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen.

Het zijn strafbare feiten en verdachte zal ter zake van die feiten worden veroordeeld.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de hoogte van het schadebedrag overweegt de rechtbank dat de vordering is opgebouwd uit twee posten, namelijk de post “afgegeven bedrag” tot een bedrag van € 129.920,00 en de post “kosten rechtsbijstand” tot en bedrag van € 1.659,94.

De rechtbank zal de benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, namelijk met betrekking tot de post "kosten rechtsbijstand", nu deze kosten niet als rechtstreekse schade toegebracht door het bewezenverklaarde kunnen worden beschouwd.

De rechtbank beschouwt de post als zijnde kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken en zal daaromtrent beslissen zoals in het dictum vermeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de post “afgegeven bedragen”, die door verdachte niet zijn weersproken, voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op een totaalbedrag van € 129. 920,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op € 1.659,94.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 129.920,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van één jaar, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 2], voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 47, 57, 91, 225, 326.

Wet op de economische delicten art. 1 en 6

Wet toezicht kredietwezen 1992 art. 82

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van twaalf maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf drie maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op

2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], [adres], gedeeltelijk toe en wel tot een bedrag van € 129.920,00;

verklaart voornoemde benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering met betrekking tot de post "kosten rechtsbijstand";

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 2], [adres], te betalen een bedrag van € 129.920,00;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 129.920,00 subsidiair 1 jaar hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2], wonende te [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 129.920,00, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde

benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer

komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op een bedrag van

€ 1.659,94.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.J.H. van den Hombergh en

C.M.W.M. Aretz , rechters, van wie mr. M.J.A.G. van Baal voorzitter, in

tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van de rechtbank op 14 april 2009.

Mr. C.M.W.M. Aretz is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

typ: JBIC