Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI0786

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
04/850001-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf voor mishandeling gepleegd in de oudejaarsnacht. Geen wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van poging tot doodslag/zware mishandeling dan wel het in vereniging plegen van geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/850001-09

Uitspraak d.d. : 10 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 01 januari 2009 in de gemeente Weert ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] - terwijl deze op de grond lag - meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 287 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

althans indien ter zake het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 01 januari 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag, meermalen, althans eenmaal, in het gezicht, althans tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geschopt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 302 juncto 45 van het Wetboek van Strafrecht;

althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 01 januari 2009 in de gemeente Weert met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Oelemarkt, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en/of schoppen van voornoemde [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag;

artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht;

althans indien ter zake al het vorenstaande geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 01 januari 2009 in de gemeente Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, heeft geschopt en/of geslagen, terwijl deze op de grond lag, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 27 maart 2009 gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat zowel [medeverdachte 1] (hierna te noemen [medeverdachte 1]) als [medeverdachte 2] (hierna te noemen [medeverdachte 2]) slachtoffer [slachtoffer] (hierna te noemen [slachtoffer]) tegen het hoofd hebben geschopt, terwijl [slachtoffer] op dat moment de grond lag. Naar de mening van de officier van justitie kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachten door het met geschoeide voet tegen de zijkanten van het hoofd van het slachtoffer schoppen, willens en wetens bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het slachtoffer [slachtoffer] zou komen te overlijden. Naar de mening van de officier van justitie bevat het dossier immers onvoldoende informatie met betrekking tot kracht waarmee door de verdachten is geschopt. Daarnaast is de officier van justitie van mening dat het hoofd weliswaar kwetsbare plekken heeft, maar dat deze zich met name aan de achterzijde van het hoofd bevinden. Dit terwijl de medeverdachten tegen de rechter- en linkerzijde van het hoofd van [slachtoffer] hebben geschopt. Gelet op het hiervoor overwogene is de officier van justitie van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn mededaders het (voorwaardelijke) opzet hebben gehad op het om het leven brengen van [slachtoffer].

De officier van justitie vordert dat het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe de navolgende verweren gevoerd.

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde is de raadsman – evenals de officier van justitie – van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte en zijn mededaders het (voorwaardelijke) opzet hebben gehad op het om het leven brengen van [slachtoffer].

Met betrekking tot het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd, dat niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten gewelddadige handelingen heeft gepleegd. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] vóór het gewelddadige incident op oudejaarsnacht hebben geprobeerd om verdachte te kalmeren en te voorkomen dat er geweld zou worden gebruikt door verdachte. Desalniettemin heeft verdachte [slachtoffer] aangevallen. Gelet op het feit dat er noch sprake was van een gezamenlijk plan noch van een gezamenlijke intentie op de uitvoering van het gebezigde geweld, is de raadsman van mening dat medeplegen ex artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht niet bewezen kan worden verklaard. Dit betekent naar de mening van de raadsman dat alleen de gewelddadige handelingen van verdachte en niet de gewelddadige handelingen van de medeverdachten – die bestonden uit het meermalen tegen het hoofd schoppen van [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag – aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Met betrekking tot de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging, heeft de raadsman aangevoerd dat eveneens niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd.

Gelet op het hiervoor overwogene is de raadsman van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het meest subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

7.2 Bewijsmiddelen en (vrijspraak)overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 januari 2009 na middernacht op de Oelemarkt in Weert is geweest. Verdachte verklaart dat hij zich niets meer kan herinneren van wat er zich daar heeft afgespeeld.

Aangever [slachtoffer] verklaart dat hij op 1 januari 2009 omstreeks 4.30 uur samen met zijn vrouw, [vrouw slachtoffer], op de Hoogstraat in Weert liep in de richting van de Oelemarkt. Op een gegeven moment zag hij twee jongens staan. Deze twee jongens hielden een andere jongen in bedwang. [slachtoffer] is vervolgens met zijn vrouw langs de drie jongens gelopen. Hij zag dat de jongen die in bedwang werd gehouden, hard naar hem toe kwam rennen. Deze persoon vloog vervolgens tegen een winkelruit aan. [slachtoffer] wilde toen met zijn vrouw doorlopen in de richting van de Oelemarkt. Even later zag [slachtoffer] dat de persoon die tegen de ruit aan is gerend weer in zijn richting rende en vervolgens tegen hem aansprong. [slachtoffer] viel toen samen met deze persoon op de grond. [slachtoffer] verklaart dat toen hij op de grond lag, de persoon die hem ten val had gebracht op hem zat. Deze persoon heeft hem toen meerdere keren met zijn vuisten in zijn gezicht heeft geslagen.

In zijn tweede verhoor verklaart [slachtoffer] dat hij drie à vier keer door deze persoon is gelagen. [slachtoffer] verklaart dat deze persoon hem niet in zijn gezicht heeft geslagen, maar aan de zijkant van zijn hoofd en tegen de achterzijde van zijn hoofd.

De vrouw van aangever [slachtoffer], [vrouw slachtoffer], verklaart over dit gewelddadige incident dat zij samen met haar man op de Hoogstraat in Weert langs de drie personen is gelopen. Op gegeven moment zag [vrouw slachtoffer] dat er een “dronken man” haar man probeerde om te rennen. Dit lukte deze man niet, waarna zij een knal hoorde. Zij had toen het gevoel dat deze persoon tegen een etalageruit is aangerend. Vervolgens is [vrouw slachtoffer] doorgelopen, omdat ze zich bedreigd voelde door de drie mannen. [vrouw slachtoffer] verklaart dat nog voordat zij het in de gaten had, de “dronken man” boven op haar man lag. Deze man maakte toen slaande bewegingen in de richting van het lichaam van haar man. [vrouw slachtoffer] verklaart dat de persoon die later die avond door de politie is aangehouden, de persoon is die zij in haar verklaring de “dronken man” noemt.

In haar tweede verklaring bij de politie verklaart [vrouw slachtoffer] dat, op het moment dat haar man op de grond lag, de “dronken man” op de benen van haar man zat. De dronken man heeft toen diverse keren geslagen tegen de rug en tegen de zijkant van het lichaam van haar man.

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding is verdachte op aanwijzingen van [slachtoffer] en zijn vrouw op 1 januari 2009 omstreeks 4.30 uur door [verbalisant] aangehouden. Verdachte werd door [slachtoffer] aangewezen als zijnde de persoon die hem die nacht meermalen heeft geslagen.

[Medeverdachte 1] verklaart dat hij op 1 januari 2009 in café D&S op de Oelemarkt in Weert was. Omstreeks 4.20 uur zag hij dat de hem bekende verdachte buiten bezig was met de politie. [medeverdachte 1] zag dat de verdachte overstuur was en in het wilde weg aan het schreeuwen was. [medeverdachte 1] is vervolgens naar buiten gegaan en zag toen dat de hem bekende medeverdachte [medeverdachte 2] erbij stond. Verdachte was op dat moment erg druk en agressief en sloeg constant om zich heen. [medeverdachte 1] heeft toen geprobeerd hem te kalmeren, maar hij kreeg geen vat op hem. [medeverdachte 1] verklaart dat verdachte vervolgens weg is gelopen naar de Hoogstraat. [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn hem toen gevolgd en probeerden hem opnieuw vast te pakken en op hem in te praten. Verdachte trok zich weer los en was verbaal agressief tegen hen. Vervolgens zag [medeverdachte 1] dat een stel hen tegemoet kwam lopen. Toen het stel passeerde trok verdachte zich los van [medeverdachte 1] en rende meteen achter dit stel aan. [medeverdachte 1] verklaart dat door toedoen van verdachte de man op de grond is gevallen. Toen de man op de grond lag, zag [medeverdachte 1] dat verdachte boven op de man sprong en met zijn vuisten de man op zijn hoofd en tegen zijn lichaam heeft geslagen.

Deze verklaring vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 2] . Met betrekking tot dit incident verklaart [medeverdachte 2] dat hij de ruzie met het Engelse stel heeft zien ontstaan. [medeverdachte 2] verklaart dat verdachte helemaal door het lint ging en het slachtoffer van alle kanten met zijn vuisten heeft geslagen.

Met betrekking tot het opgelopen letsel verklaart [slachtoffer] dat hij pijn had aan zijn rechterkaaklijn tijdens het eten. Daarnaast had [slachtoffer] zowel pijn aan zijn rug en de zijkant van zijn rug als aan de voor- en achterzijde van zijn hoofd.

Gegeven bovenstaande feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank ten aanzien van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde als volgt.

Met betrekking tot het medeplegen van het primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht de gewelddadige handelingen die medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden verweten - namelijk het (meermalen) tegen hoofd van [slachtoffer] schoppen, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag - niet bewezen.

Met betrekking tot medeverdachte [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 2] erkent dat hij een trappende beweging in de richting van de romp van [slachtoffer] heeft gemaakt, die waarschijnlijk op de kin van [slachtoffer] terecht is gekomen. [medeverdachte 2] verklaart dat hij deze beweging heeft gemaakt op het moment dat hij verdachte van [slachtoffer] af wilde trekken, om te voorkomen dat [slachtoffer] zich weer aan verdachte zou vastgrijpen. [medeverdachte 2] verklaart dat hij met deze trappende beweging niet de intentie heeft gehad enig nadeel toe te brengen, maar dat hij alleen het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer] wilde beëindigen. De rechtbank heeft op grond van deze verklaring niet de overtuiging dat [medeverdachte 2] het opzet heeft gehad om [slachtoffer] om het leven te brengen dan wel hem (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is op grond van deze verklaring evenmin van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm en de aard van de gedraging blijkt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het intreden van voornoemde gevolgen.

[Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij niet tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt. Deze verklaring van [medeverdachte 1] spoort met die van [medeverdachte 2], die verklaart dat hij niet gezien heeft dat [medeverdachte 1] heeft geschopt en dat [medeverdachte 1] achter hem stond toen [medeverdachte 2] [verdachte] en [slachtoffer] uit elkaar probeerde te halen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] geloofwaardig is en acht derhalve geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor het schoppen door [medeverdachte 1].

De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door het feit dat uit diverse getuigenverklaringen blijkt dat verdachte een deel van de oudejaarsnacht zeer opgefokt richting zowel derden als zijn vrienden heeft gereageerd. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] hebben een tijd lang tevergeefs geprobeerd om verdachte te kalmeren en te voorkomen dat er een gewelddadige escalatie zou plaatsvinden. De intentie van zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] was naar het oordeel van de rechtbank gericht op het beëindigen van het gevecht tussen verdachte en [slachtoffer].

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat er geen wettig en overtuigend in het dossier voorhanden is met betrekking tot het bewijs voor het medeplegen van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het primair ten laste gelegde

Gelet op het feit dat de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden acht voor het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer], is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte de gewelddadige handelingen heeft medegepleegd die - in de visie van het openbaar ministerie - zijn verricht door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. De gewelddadige handelingen die verdachte alleen heeft gepleegd, bestonden uit het meermalen slaan tegen het hoofd en tegen het lichaam van [slachtoffer]. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de poging tot doodslag - die nader is verfeitelijkt als het meermalen schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag – niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het primair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat uit de feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte het blote opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer]. De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of verdachte door zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans daartoe heeft aanvaard, hetgeen dient te blijken uit de uiterlijke verschijningsvorm en de aard van de gedragingen. De gewelddadige gedragingen van verdachten bestonden uit het naar de grond brengen van [slachtoffer] en vervolgens, terwijl hij op het lichaam van [slachtoffer] zat, meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] slaan. De vrouw van verdachte, [vrouw slachtoffer], verklaart dat haar man zijn hoofd heeft beschermd tegen het jegens hem gebezigde geweld door zijn handen voor zijn hoofd te houden. [slachtoffer] verklaart dat hij niet in zijn gezicht is geslagen, maar drie tot vier maal tegen de zijkanten van zijn hoofd is geslagen. De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de gedragingen van verdachte niet van dien aard waren, dat de kans aanmerkelijk was dat [slachtoffer] door de klappen tegen de zijkanten van zijn hoofd zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene niet wettig en overtuigend bewezen dat medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de hun verweten gewelddadige handelingen - namelijk het (meermalen) tegen hoofd van [slachtoffer] schoppen, terwijl deze [slachtoffer] op de grond lag – hebben gepleegd. De rechtbank is immers van oordeel, dat de medeverdachten juist hebben geprobeerd om het gevecht te beëindigen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat eveneens niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte in vereniging geweld heeft gepleegd en spreekt verdachte vrij van het meer subsidiair ten laste gelegde.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 januari 2009 in de gemeente Weert opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen heeft geslagen, terwijl deze op de grond lag, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 27 maart 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werksstraf voor de duur van 200 uren, indien die niet wordt verricht te vervangen door 100 dagen hechtenis. Daarnaast vordert de officier van justitie een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Bij deze voorwaardelijke straf vordert de officier van justitie dat als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte zich gedurende 1 jaar dient te houden aan het toezicht van de reclassering.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat bij de op te leggen straf er rekening mee moet worden gehouden dat er sprake is geweest van een eenmalige opwelling bij verdachte, die waarschijnlijk is ingegeven door zijn persoonlijke omstandigheden. Zo verblijft verdachtes moeder al langere tijd regelmatig in een psychiatrisch ziekenhuis en heeft zij al een aantal malen een zelfmoordpoging gedaan, waarvan de laatste keer enkele weken vóór het delict. Voorts moet er bij de op te leggen straf rekening mee worden gehouden dat verdachte een blanco strafblad heeft. Gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, zoals die ook blijken uit het rapport van de reclassering en het feit dat hij tot een andere bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman de hoogte van de werkstraf te matigen.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Aannemelijk is dat het overvloedig gebruik van alcohol in de oudejaarsnacht in combinatie met de vele spanningen waaronder verdachte gebukt ging de oorzaak zijn van de agressieve ontlading van verdachte in de vroeg morgen van het nieuwe jaar. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte als het ware volledig zichzelf kwijt was en zich ook agressief jegens zijn vrienden, die probeerden verdachte weer veilig naar huis te loodsen, heeft gedragen.

Het gevolg van dit gedrag van verdachte is wel dat een voor het echtpaar [slachtoffer] leuke uitgaansavond op een zeer vervelende manier is geëindigd. Gelukkig viel het letsel mee en waren alle klachten na een dag of tien verdwenen. Het echtpaar [slachtoffer] geeft aan dat zij ten gevolge van dit feit niet meer in Weert durven uit te gaan.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst en de gewelddadige aard van dit feit, mede gelet op het leed dat bij de slachtoffers is veroorzaakt, in beginsel een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats is.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank echter rekening met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend uitreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 14 januari 2009 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, alsmede met de persoonlijke omstandigheden zoals die door de raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.

Daarnaast houdt de rechtbank ten voordeelde van verdachte rekening met de over verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapportage d.d. 23 maart 2009, opgemaakt door de heer J.M.G. Peeters, reclasseringsmedewerker. De heer Peeters merkt op dat er binnen de directe omgeving van verdachte sprake is van zware familieomstandigheden. Verdachte wordt vanwege zijn betrokkenheid en binding zwaar emotioneel belast door deze familieomstandigheden. Verdachte heeft hulp van een psycholoog, die hem helpt om te komen tot een min of meer “neutrale betrokkenheid”. Voor het overige lijkt de verdachte de goede keuzes te maken. Hij is gemotiveerd bezig om zijn leven goed op de rails te zetten. De rapporteur komt tot de conclusie dat het recidive- en gevaarsrisico laag in te schatten is. Het bewezenverklaarde feit is zijns inziens in te schatten als een incident. Dit incident past niet binnen het beeld dat verdachte bij de rapporteur achterlaat; namelijk een sensitieve, sociale en vriendelijke jongeman. De rapporteur adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. Een reclasseringstoezicht van een half jaar zal – gelet op het lage recidive- en gevaarsrisico – voldoende zijn.

De rechtbank kan zich vinden in bovenstaande bevindingen en acht en oplegging van bovengenoemde bijzondere voorwaarde geïndiceerd, met dien verstande dat zij een reclasseringstoezicht van een jaar geboden acht.

Naast bovengenoemde persoonlijke omstandigheden houdt de rechtbank tevens rekening met het feit dat verdachte oprecht spijt heeft en ook meermalen geprobeerd heeft om zijn spijt te betuigen richting de slachtoffers. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal de rechtbank volstaan met het opleggen van een deels onvoorwaardelijke werkstraf. De rechtbank is van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 80 en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen, hiervan zal de rechtbank 20 uren subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk opleggen met bovengenoemde bijzondere voorwaarde.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 300.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meest subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 80 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast;

bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 20 uren, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 10 dagen vervangende hechtenis, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de periode van één jaar (1) de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de periode van één jaar (1) zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond;

verstaat dat het onvoorwaardelijke gedeelte van de taakstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal zijn voltooid;

beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht en bepaalt dat de aftrek aldus zal geschieden dat tegenover één dag inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis welke verdachte heeft ondergaan twee uren taakstraf worden gesteld.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, V.P. van Deventer en A.K. Kleine, rechters van wie mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, in tegenwoordigheid van

mr. R.P. van der Pijl als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 april 2009.

typ: PIJL