Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI0688

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
AWB 09 / 262
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De rechter komt tot het oordeel dat verweerder het vermogen van verzoekster per de datum in geding te hoog heeft vastgesteld, maar daaruit kan op dit moment niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat er op 1 september 2008 geen sprake was van een vermogen boven de vermogensgrens en dat verzoekster per die datum recht had op algemene bijstand. Die vermogensvaststelling is beperkt tot de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken en verweerder heeft niet bezien of de bijstand opnieuw had moeten worden toegekend vanaf een latere datum, terwijl gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wwb in verbinding met artikel 45, derde lid, van dde Wwb die beoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven.

Voorziening getroffen dat aan verzoekster voorschotten moeten worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 09 / 262

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[verzoekster] te [plaats], verzoekster,

gemachtigde mr. A. van den Eshoff

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 22 december 2008, verzonden op 6 januari 2009, heeft verweerder verzoeksters uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 1 september 2008 beëindigd.

1.2. Tegen dit besluit is namens verzoekster bij schrijven van 13 februari 2009 een bezwaarschrift op grond van de Awb ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoekster zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoeksters gemachtigde gezonden.

1.4. Het verzoek is behandeld ter zitting van 20 maart 2009, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. A. van den Eshoff, advocaat te Echt, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door A.J.G. Kuijpers, werkzaam bij verweerders gemeente.

2. Overwegingen

2.1. In verband met de scheiding van haar echtgenoot heeft verzoekster op 6 maart 2007 een uitkering op grond van de Wwb aangevraagd ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder met ingang van 13 februari 2007 (datum melding bij het CWI) aan verzoekster uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder ad EUR 865,80 netto per maand in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 48, tweede lid, onder a, van de Wwb. In deze beschikking is het vermogen ten tijde van de bijstandsaanvraag voorlopig vastgesteld op een bedrag van EUR 10.417,61 (saldo bankrekeningen). Het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, derde lid, onder b, van de Wwb is voorlopig vastgesteld op EUR 72,39.

2.2. Bij de periodieke verklaring met betrekking tot de maand september 2008 heeft verzoekster bewijsstukken gevoegd van een door haar ontvangen bedrag van EUR 23.637,58, dat is vrijgekomen bij de boedelscheiding. Tevens zijn twee bewijsstukken van overboekingen ter aflossing van schulden overgelegd ten bedrage van EUR 6.000,00 en EUR 3.000,00.

2.3. Bij besluit van 22 december 2008, verzonden op 6 januari 2009, heeft verweerder het vermogen van verzoekster vervolgens als volgt vastgesteld:

tabel

Verweerder heeft daarbij overwogen dat schulden aan familie niet worden meegerekend bij de vermogensvaststelling en dat om die reden de schuld van EUR 6.000,00 niet in de vaststelling is betrokken. De schuld van € 3.000,00 aan [...] is wel als schuld meegenomen. Aangezien het maximaal vrij te laten vermogen ex artikel 34, derde lid, onder b, van de Wwb wordt overschreden, heeft verweerder beslist de Wwb-uitkering per 1 september 2008 te beëindigen en daarbij aangegeven dat verzoekster – na intering – over 16 maanden weer een beroep kan doen op een Wwb-uitkering.

2.4. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij verweerder en tevens is aan de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening verweerders besluit van 22 december 2008 te schorsen. Daartoe is - samengevat - het volgende aangevoerd:

Verweerder heeft ten onrechte het bij de toekenning van de uitkering voorlopig vastgestelde vermogen definitief vastgesteld op een bedrag van EUR 10.417,61, omdat in dat bedrag twee spaarrekeningen van de kinderen zijn begrepen waarover verzoekster niet (zonder toestemming van haar ex-echtgenoot) kan beschikken. Verder is erop gewezen dat er inmiddels feitelijk geen saldo meer is op de rekeningen (waarover verzoekster kan beschikken).

Verweerder heeft verder ten onrechte geen rekening gehouden met de op het vermogen in mindering te brengen schulden, zoals de door verzoekster vanwege de echtscheidingsprocedure verschuldigde advocaatkosten ad EUR 4.124,54, de lening van haar ouders ad EUR 6.000,00, de schuld aan de belastingdienst ad EUR 1.057,00, de schuld aan de woningstichting wegens huurachterstand ad EUR 539,00 en de schuld aan verweerder in verband met de terug te betalen leenbijstand. Rekening houdend met de lagere vaststelling van het aanvangsvermogen en met voornoemde schulden, resteert volgens verzoeksters gemachtigde een bedrag dat lager is dan het vrij te laten vermogen. Primair wordt het standpunt ingenomen dat de uitkering ten onrechte is beëindigd en subsidiair dat de periode van intering sedert de beëindiging van de uitkering is verstreken.

2.5. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.6. Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoekster zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoekster bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

2.7. De rechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Roermond bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

2.8. Omtrent de voorwaarde van de vereiste onverwijlde spoed is uit hetgeen van de kant van verzoekster omtrent haar financiële positie is uiteengezet voldoende aannemelijk geworden dat zij thans in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat zij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aangezien deze vaststelling nog niet zonder meer betekent dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, zal vervolgens een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtmatigheid van verweerders besluit.

2.9. De rechter stelt voorop dat de in artikel 34 van de Wwb neergelegde systematiek van vermogensvaststelling, de zogeheten staffelmethode, tot gevolg heeft dat indien sprake is van tijdens de bijstandsverlening ontvangen vermogensbestanddelen naar aanleiding waarvan het vermogen opnieuw dient te worden vastgesteld, daarbij uitgegaan dient te worden van het verschil tussen de op het moment van de vermogenstoeval toepasselijke vermogensgrens en het eerder vastgestelde bedrag van het vermogen.

2.10. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bedrag aan vermogen bij aanvang van de bijstand definitief vastgesteld op EUR 10.417,61. Ingevolge het bepaalde in artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. Artikel 34, tweede lid, van de Wwb bepaalt dat niet als vermogen in aanmerking wordt genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. Ten tijde in geding was deze grens voor een alleenstaande ouder met kinderen EUR 10.650,00. Verzoekster heeft in bezwaar aangevoerd dat zij niet over het volledige bedrag aan banksaldi ad EUR 10.417,61 kon beschikken. Verweerder dient derhalve bij zijn te nemen beslissing op bezwaar alsnog een standpunt in te nemen over de vraag of verzoekster over het gehele bedrag van EUR 10.417,61 heeft kunnen beschikken en of dat bedrag in zijn geheel bij de definitieve vermogensvaststelling per 1 september 2008 kon worden gehanteerd.

2.11. Het vorenstaande geldt eveneens ten aanzien van de door verzoekster opgevoerde op het vermogen in mindering te brengen schulden. Naar vaste jurisprudentie wordt met een schuld alleen dan rekening gehouden voor zover deze in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en voor zover aan die schuld ook een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling is verbonden. Naar het voorlopig oordeel van de rechter voldoen de door verzoekster opgevoerde schulden, waaronder een schuld aan haar ouders van EUR 6.000,00 aan voormeld criterium. Verder heeft verzoekster terecht bezwaar gemaakt tegen het feit dat de schuld aan verweerder in verband met de vanaf 13 februari 2007 teruggevorderde leenbijstand niet op het vermogen in mindering is gebracht. Volledigheidshalve en wellicht ten overvloede wijst de rechter erop dat bij het nemen van de beslissing op bezwaar uitgegaan dient te worden van alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden, die voor de vermogensvaststelling per 1 september 2008 relevant zijn (de zogenoemde ex nunc beoordeling). Dat deze feiten niet bekend waren of bekend konden zijn ten tijde van het nemen van het primair besluit doet hier niet aan af.

2.12. Naar het (voorlopig) oordeel van de rechter volgt uit het voorgaande dat verweerder het vermogen van verzoekster per de datum in geding te hoog heeft vastgesteld, maar daaruit kan op dit moment niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat er op 1 september 2008 geen sprake was van een vermogen boven de vermogensgrens en dat verzoekster per die datum recht had op algemene bijstand.

2.13. De rechter stelt vervolgens wel vast dat verweerder zich in het besluit van 22 december 2008 heeft beperkt tot een nadere vaststelling van het vermogen op 1 september 2008 en niet heeft bezien of de bijstand opnieuw had moeten worden toegekend vanaf 1 oktober 2008. Gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wwb in verbinding met artikel 45, derde lid, van die wet had deze beoordeling in dit geval niet achterwege mogen blijven. In deze bepalingen ligt immers besloten dat in geval de bijstandsverlening gedurende tenminste 30 dagen is onderbroken of had kunnen worden onderbroken de bijstandsbehoevendheid van een belanghebbende na afloop van die periode opnieuw kan worden aangenomen, indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en vaststelling van het dan feitelijk beschikbare vermogen meebrengt dat er geen in aanmerking te nemen vermogen is. Gezien hetgeen in bezwaar namens verzoekster naar voren is gebracht, ligt het in dit geval op de weg van verweerder om in het kader van de heroverweging van het primair besluit van 22 december 2008 tevens te onderzoeken in hoeverre er (weer) recht op algemene bijstand was vanaf 1 oktober 2008 en zo ja, wat op die datum het feitelijk beschikbare vermogen en, afgezet tegen de toepasselijke vermogensgrens, de resterende vrije vermogensruimte was voor verzoekster (o.a.. CRvB 29-04-2008, LJN: BD0961 en CRvB 01-04-2008, LJN: BC8540). Naar het voorlopig oordeel van de rechter biedt de enkele vaststelling dat op 1 september 2008 sprake was van in aanmerking te nemen vermogen - ook indien die vaststelling na heroverweging in bezwaar overeind zou blijven - op zich onvoldoende basis, gelet op de door verzoekster aangedragen gegevens, om een intrekking van de bijstand voor duur van ruim 16 maanden te kunnen dragen.

2.14. Gelet op voorgaande overwegingen is de rechter van oordeel dat het bestreden besluit een gerede kans maakt in bezwaar niet in stand te blijven en dat ter voorkoming van onevenredig nadeel bij verzoekster bij wijze van voorlopige voorziening dient te worden bepaald dat verweerder de betaling van bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met kinderen bij wijze van voorschotten met ingang van 1 maart 2009 dient te hervatten tot de datum van de bekendmaking van het besluit op bezwaar. De rechter heeft hierbij aansluiting gezocht bij de datum dat verzoekster een voorlopige voorziening heeft gevraagd.

2.15. De rechter acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoekster redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit verzoek, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verweerder de betaling van bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met kinderen bij wijze van voorschotten hervat met ingang van 1 maart 2009 tot de datum waarop het besluit op bezwaar wordt bekendgemaakt;

veroordeelt verweerder in de kosten van onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op EUR 644,00 (wegens de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Roerdalen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond.

bepaalt dat voormelde gemeente aan verzoekster het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. F.A. Timmers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 maart 2009.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.