Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BI0673

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-04-2009
Datum publicatie
10-04-2009
Zaaknummer
04/650159-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2009:BK7939, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak van vrouw die dood haar woning in Venlo is aangetroffen, rechtbank acht verdachte schuldig aan doodslag en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaren en TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/650159-08

Uitspraak d.d. : 10 april 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 maart 2009 en 30 maart 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2008, in elk geval in de maand augustus 2008, in de gemeente Venlo opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in de hals en/of in de (linker)borst en/of in de buik gestoken en/of gesneden, in elk geval meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht).

Althans indien terzake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 29 augustus 2008, in elk geval in de maand augustus 2008, in de gemeente Venlo opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp, in de hals en/of in de (linker)borst en/of in de buik gestoken en/of gesneden, in elk geval meermalen in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 30 maart 2009, om redenen zoals vervat in haar schriftelijk requisitoir, gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de primair ten laste gelegde moord, nu er geen sprake was van voorbedachte rade. Verdachte heeft gehandeld vanuit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging waarin geen ruimte was voor kalm beraad en rustig overleg.

Door de raadsvrouw is een pleitnota overgelegd; de rechtbank verwijst naar die pleitnota.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Het genoemde geschrift is slechts gebruikt in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgenomen motivering van de bewezenverklaring, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van de ‘print scan 16.01.2009 van origineel’ van het in de wettelijke vorm door de Regiopolitie Limburg-Noord opgemaakt proces-verbaal, genummerd 08-005413, gedateerd 15 januari 2009 en de daarbij behorende bijlagen.

Verdachte heeft zowel tijdens de politieverhoren als ter terechtzitting bekend dat hij [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 28 augustus 2008 omstreeks 20.00 uur naar de woning [slachtoffer] (verder te noemen [slachtoffer]) aan de [adres] is gegaan. Ze hebben die avond gezellig bij elkaar gezeten en samen naar een Duitse film gekeken . Op dat moment waren er geen spanningen tussen hen . Na afloop van de film begon [slachtoffer] een gesprek over hun verleden en hun relatie van toen. Het werd verdachte te veel toen [slachtoffer] over de kanker van zijn ex-vrouw begon te praten. Verdachte barstte in huilen uit en [slachtoffer] lachte hem uit . Omstreeks 23.15 uur besloot verdachte naar huis te gaan . Hij stond op en liep via de keuken naar de gang om zijn jas te pakken. Vervolgens liep hij terug naar de kamer en [slachtoffer] stond bij de tafel. [slachtoffer] bleef maar lachen en verdachte vroeg of zij hem niet kon helpen. [slachtoffer] zei dat grote mensen hier niet over huilden. Op dat moment voelde hij het mes in het klapvakje aan de buitenkant van zijn jas zitten . Verdachte heeft over het mes verklaard dat hij het mes vaker gebruikte bij zijn werkzaamheden in de tuin. Hij stopte het mes daarbij boven in de borstzak van zijn jas en vergat het er vaak naderhand uit te halen. Toen hij naar de woning van [slachtoffer] ging, zat het mes al een paar dagen in zijn jas. Verdachte heeft verklaard dat hij het mes niet heeft gevoeld in de bus op de heenweg naar de woning van [slachtoffer], maar dat hij het mes pas voelde toen hij in de kamer zijn jas aantrok .

Op het moment dat verdachte het mes in zijn jas voelde en [slachtoffer] hem bleef uitlachen, gebeurde het . Hij werd steeds kwader en kwader en pakte in een reflex het mes . Verdachte heeft aangegeven dat hij niet weet wat hij op dat moment dacht . Hij stak [slachtoffer] onderhands met het mes in haar onderbuik. Naar zijn gevoel bleef [slachtoffer] nog lachen. Er ontstond een worsteling en zij belandden samen op de grond. Verdachte lag bovenop [slachtoffer]. Verdachte heeft zijn hand op haar mond geduwd, zodat ze niet meer lachte, en heeft met het mes gezwaaid. Hij veronderstelt dat hij [slachtoffer] daarbij in haar hals heeft geraakt, omdat hij later bloed in haar hals heeft gezien. Toen verdachte opstond en haar naam riep, zag hij dat het mes in haar borst stak. Hij had op het mes gelegen. Hij heeft het mes uit haar getrokken en in zijn jas gestopt. Hij heeft nog een paar keer haar naam geroepen, maar kreeg geen antwoord. Onderweg naar huis heeft verdachte het mes weggegooid .

[getuige 1] is op 30 augustus 2008 de woning van haar buurvrouw [slachtoffer] aan de [adres] binnen gegaan op verzoek van de dochter van [slachtoffer]. Zij zag in de woonkamer aan de linkerzijde ter hoogte van de ramen aan de achterzijde [slachtoffer] op de grond liggen. Zij zag dat [slachtoffer] op haar rug lag en constateerde dat [slachtoffer] niet meer ademde. Zij zag dat [slachtoffer] een snee van oor tot oor in haar hals en een snee van haar hals naar beneden had. Tevens zag zij veel bloed op haar gezicht, hals en kleren. Zij dacht dat [slachtoffer] dood was.

Eén van de ter plaatse gekomen ambulancemedewerkers [getuige 2] heeft op 30 augustus 2008 geconstateerd dat de vrouw, die zij aantroffen in de woning aan de [adres], overleden was .

Dr. R. Visser, arts en patholoog, en dr. P.M.I. Van Driessche, arts en patholoog, hebben op 2 september 2008 uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer], die op 30 augustus 2008 dood in haar woning aan de [adres] is aangetroffen. Het rapport naar aanleiding van het pathologisch onderzoek betreffende [slachtoffer] d.d. 25 februari 2009 , wijst uit dat er bij sectie meerdere bij leven opgelopen scherprandige huiddefecten zijn aangetroffen aan de voorzijde van de hals, aan de voorzijde van de romp zowel ter hoogte van de linkerborst (120-122 centimeter van de voetzoolrand) als op 113 centimeter van de voetzoolrand, op het rechterbovenbeen en aan beide handen aan de buigzijde van de vingers en de handpalmen. De scherprandige huiddefecten zijn opgelopen ten gevolge van de inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend/klievend en perforerend geweld (bijvoorbeeld met/door één of meerdere messen). Het intreden van de dood wordt zonder meer verklaard door orgaanfunctiestoornissen in combinatie met bloedverlies ten gevolge van de genoemde steek-/snijletsels.

7.3 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen niet tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] van het leven heeft beroofd als gevolg van een op levensberoving ziend kalm beraad en rustig overleg. Weliswaar heeft verdachte op 28 augustus 2008 een mes meegenomen naar de woning van [slachtoffer], maar niet kan worden vastgesteld dat verdachte het mes speciaal heeft meegenomen om [slachtoffer] daarmee van het leven te beroven. Daarvoor is geen enkel bewijsmiddel aanwezig. Eerder lijkt het feit dat hij het mes die betreffende avond bij zich had op toeval te berusten. De rechtbank constateert op basis van de verklaring van verdachte dat hij het mes al langere tijd in zijn jas had en hij het mes die avond pas voor het eerst opmerkte toen hij zijn jas in de woonkamer aantrok, slechts enkele seconden voorafgaand aan het ten laste gelegde delict.

De rechtbank is op basis van deze overwegingen tot het oordeel gekomen dat verdachte niet de tijd heeft gehad en genomen om na te denken en zich rekenschap te geven van zijn handelen. Verdachte voelde zich gekrenkt door de uitspraken en het (al dan niet vermeende) lachen van [slachtoffer] en heeft onder invloed van de hevige gemoedsbeweging die daarvan het gevolg was, [slachtoffer] meerdere malen met het mes gestoken. Nu overigens onvoldoende vast is komen te staan wat zich in de woning van [slachtoffer] precies heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet kan worden gesproken van kalm beraad en rustig overleg bij verdachte en derhalve dient hij te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks 29 augustus 2008 in de gemeente Venlo opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de hals en in de (linker)borst en in de buik gestoken tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Doodslag.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psychiater drs. A.T.J.H. Gerards is omtrent de geestvermogens van verdachte op 15 december 2008 een rapportage uitgebracht. De deskundige geeft aan dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven met gemengde cluster A (paranoïde), cluster B (borderline, narcistische) en cluster C (afhankelijke, vermijdende) persoonlijkheidskenmerken. Daarnaast is er sprake van zwakbegaafdheid. Deze gebrekkige ontwikkeling bestond evenzo ten tijde van het ten laste gelegde en was van dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit verklaard zou kunnen worden. Het advies van de deskundige is om het ten laste gelegde in sterk verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen. De deskundige komt derhalve niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

Door de GZ-psycholoog drs. M.M.F. van Casteren is omtrent de geestvermogens van verdachte op 31 december 2008 gerapporteerd. De deskundige geeft aan dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis niet nader omschreven en een lage begaafdheid alsmede aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de zin van een depressieve stoornis. Deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis bestonden evenzo ten tijde van het ten laste gelegde en waren van dusdanige invloed dat het ten laste gelegde, indien bewezen, daaruit gedeeltelijk verklaard zou kunnen worden. Daarnaast was er ten tijde van het ten laste gelegde ook sprake van een dissociatieve toestand en randpsychotische verschijnselen. De invloed van de ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling op het denken en handelen van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde wordt door de deskundige als groot beschouwd. Het advies van de deskundige is dan ook om het ten laste gelegde, indien bewezen, in sterk verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen. De deskundige komt derhalve niet tot de conclusie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 maart 2009 met betrekking tot de op te leggen straf en maatregel gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 7 jaren, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde straf gepleit voor het volgen van de adviezen van de deskundigen, te weten terbeschikkingstelling met voorwaarden. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat volstaan kan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de door verdachte doorgebrachte tijd in voorlopige hechtenis, zodat direct met de behandeling van verdachte kan worden gestart.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer], moet wie hij in het verleden een relatie heeft gehad, om het leven gebracht door haar meerdere keren met een mes te steken in haar hals, borst en buik. Verdachte was woedend omdat [slachtoffer] hem naar zijn gevoel uitlachte en heeft bij zijn poging om een eind aan lachen van het slachtoffer te maken geen enkel moment aandacht gehad voor de gevolgen van zijn handelen, hetgeen heeft geleid tot het overlijden van [slachtoffer].

Doodslag is een van de ernstigste delicten die een persoon kan begaan. Immers daardoor wordt iemand beroofd van het kostbaarste dat hij bezit: zijn leven. Bovendien valt te verwachten dat de nabestaanden van het slachtoffer – met name haar dochter en kleinzoon die haar dood in de woning hebben aangetroffen – en andere mensen in de nabijheid van het slachtoffer nog lange tijd zullen lijden onder de psychische gevolgen van haar overlijden.

Omtrent de geestvermogens van verdachte zijn op 15 december 2008 door de psychiater drs. A.T.J.H. Gerards, en op 31 december 2008 door de GZ-psycholoog drs. M.M.J. van Casteren, rapporten uitgebracht.

Uit de rapporten leidt de rechtbank af dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van zwakbegaafdheid en een persoonlijkheidsstoornis niet anders omschreven met gemengde cluster A (paranoïde), cluster B (borderline, narcistische) en cluster C (afhankelijke, vermijdende) persoonlijkheidskenmerken.

De gebrekkige ontwikkeling was van invloed op verdachtes gedrag ten tijde van het bewezen verklaarde zodanig dat dit daaruit verklaard kan worden. Daarnaast was er ten tijde van het ten laste gelegde ook sprake van een dissociatieve toestand en randpsychotische verschijnselen. Ter terechtzitting hebben beide deskundigen bovendien aangegeven dat er ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte tevens sprake was van een kokervisie waarin er sprake was van een verlaagd bewustzijn en een sterk verminderde realiteitstoets.

Het recidiverisico is bij verdachte aanwezig. Dit heeft te maken met meerdere factoren die elkaar onderling in negatieve zin kunnen beïnvloeden. De persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, de daarmee vervlochten relatiegerichtheid, zijn intellectuele beperkingen en de problematische sociale omstandigheden kunnen verdachtes beperkte draagkracht weer onder druk zetten. Een recidiverisico zou met name manifest kunnen worden wanneer verdachte vanuit zijn grote zorgbehoefte weer een nieuwe relatie aan zou gaan, waarbij de kans groot is dat dezelfde dynamiek als in de relatie met het slachtoffer weer de kop op zal steken en verdachte wederom tot een agressieve impulsdoorbraak zou kunnen komen.

Gelet op de ernst van het delict en de veelomvattende problematiek van verdachte is een intensieve behandeling en begeleiding aangewezen om recidive te voorkomen. Vanuit een klinische setting in een forensische psychiatrische kliniek moet verdachte leren om te gaan met stressvolle situaties zodat toekomstige impulsdoorbraken voorkomen kunnen worden. Vanuit de klinische setting zou vervolgens gewerkt moeten worden aan de opbouw van een adequaat sociaal netwerk, huisvesting en een zo optimaal mogelijke daginvulling.

Door de deskundigen wordt voor de behandeling TBS met voorwaarden een afdoende kader geacht, omdat de beveiligingsnoodzaak, zoals deze geldt voor TBS met dwangverpleging, bij verdachte onvoldoende aanwezig is. Ter terechtzitting hebben de deskundigen bovendien aangegeven dat de vermijdende opstelling en de afhankelijkheid van verdachte in een TBS-instelling in sterke mate boven zullen komen, waardoor hij niet zal leren om een eigen structuur te scheppen. Een strafrechtelijk kader wordt echter wel noodzakelijk geacht om verdachte, gelet op zijn gebrek aan probleembesef en probleeminzicht en zijn gebrek aan vertrouwen in hulpverlening, in behandeling te krijgen en te houden.

Uit de conclusies van de deskundigen leidt de rechtbank af dat in gedragskundig opzicht een TBS met dwangverpleging voor verdachte een te zware maatregel zou vormen, ook omdat verdachte niet eerder in behandeling is geweest, en dat TBS met voorwaarden de voorkeur geniet. Bij de beoordeling of de adviezen van de deskundigen door de rechtbank gevolgd dienen te worden is naar het oordeel van de rechtbank het volgende van belang.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid en dat verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd over en maakt deze de hare.

De rechtbank acht geboden dat ter vergelding van het leed dat aan de nabestaanden is aangedaan en ter effening van de schok die aan de rechtsorde is toegebracht aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zal worden opgelegd. De maatregel van TBS met voorwaarden kan slechts opgelegd worden in combinatie met een gevangenisstraf voor de maximale duur van drie jaren. Een gevangenisstraf van een dergelijke duur zou onvoldoende recht doen aan de bijzonder zware ernst van het gepleegde delict.

De aard van de problematiek van verdachte en de recidivekans maken naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van TBS met dwangverpleging noodzakelijk. Bij het onderzoek ter terechtzitting en ook uit de rapporten van de deskundigen, is de rechtbank gebleken dat verdachte een zeer beperkte draagkracht heeft en dat verdachte geen enkel inzicht heeft in zijn beweegredenen. Hieruit leidt de rechtbank af dat het voor verdachte op dit moment niet duidelijk is wanneer hij zich weer in de gevarenzone bevindt, waarin de opgelopen spanningen hem delictgevaarlijk maken. Daarbij overweegt de rechtbank dat volgens de deskundigen het recidiverisico situationeel gebonden is en er aan een aantal omgevingsfactoren moet zijn voldaan voordat er recidive zal plaatsvinden; zo zal verdachte eerst weer een relatie moeten aangaan. Deze situatie zal zich echter naar het oordeel van de rechtbank gelet op de penibele persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn persoonlijkheids-structuur - met name de grote behoefte van verdachte aan zorg en aandacht - dusdanig gemakkelijk voordoen dat daarmee het opleggen van de TBS maatregel vereist is.

Gelet op de bevindingen van de deskundigen, de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat een maatregel terbeschikkingstelling in deze gerechtvaardigd is. Verdachte kampt immers met een ernstige persoonlijkheidsproblematiek op basis waarvan gesteld kan worden dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist. Voorts heeft verdachte een strafbaar feit gepleegd dat het opleggen van deze maatregel toestaat. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat op basis van deze gronden termen aanwezig zijn om verdachte van overheidswege te verplegen. Gezien vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege in deze gerechtvaardigd is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat daarnaast een gevangenisstraf nog op zijn plaats is, en zij heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving en anderzijds met de omstandigheid dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is en blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder is veroordeeld.

Een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, zoals door de raadsvrouw bepleit, teneinde zo snel de behandeling een aanvang te doen nemen, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de voorgaande overwegingen met betrekking tot de ernst van het feit.

Een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, zoals door de officier van justitie gevorderd, acht de rechtbank onvoldoende recht doen aan de geconstateerde sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[zoon van slachtoffer] wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[zoon van slachtoffer] voornoemd, zijnde de zoon van [slachtoffer], heeft de materiële schade op een bedrag van € 974,- gesteld, en wil die schade vergoed krijgen. Deze schade betreft de kosten voor ontruiming van de woning en reiskosten.

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 30 maart 2009 gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij integraal wordt toegewezen met oplegging van de schademaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu onvoldoende duidelijk is gemaakt welke kosten daadwerkelijk zijn voldaan cq. gemaakt.

Aangezien de in de vordering vermelde schade niet rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde zoals bedoeld in artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard. De rechtbank weegt voorts mee dat daar waar het betreft een zelfstandige vordering van een nabestaande (en dus niet een vordering van de overledene die onder algemene titel in de nalatenschap valt) enkel de kosten van lijkbezorging in het kader van een civiele vordering in het strafproces voor vergoeding in aanmerking komen.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikelen 10, 27, 37a, 37b, 287.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 4 jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

verklaart de benadeelde partij [zoon van slachtoffer] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Vonnis gewezen door mrs. M.J.A.G. van Baal, M.B.T.G. Steeghs en

M.J.H. van den Hombergh, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in

tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier en uitgesproken ter

openbare terechtzitting van de rechtbank op 10 april 2009.