Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH8664

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak van de rechtbank over een weigering vrijstelling voor gebruik van een bijgebouw voor Bed & Breakfast. De rechtbank geeft een uitleg over de reikwijdte van artikel 20, eerste lid, onder e van het BRO 1985 en voorziet op een ongebruikelijk manier zelf in de zaak door de geconstateerde gebreken in de besluitvorming op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2009/761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1470

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser A] en [eiser B] te [plaats], eisers

gemachtigde mr. C.G.J.M. Termaat

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roerdalen, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 3 april 2008 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [belanghebbende], hierna te noemen belanghebbende, vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het gebruik van het, als zodanig aangemerkt, bijgebouw achter zijn woning aan de [adres] te [plaats] voor bed and breakfast

1.2. Tegen dit besluit is namens eisers door hun gemachtigde bij schrijven van 17 april 2008 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder.

1.3. Na behandeling door de Commissie bezwaarschriften heeft verweerder op 17 september 2008 conform het advies van die commissie het bezwaarschrift doorgezonden naar de rechtbank om te behandelen als beroepschrift.

1.4. Aan de gemachtigde van belanghebbende, mr. A.J. Likkel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, is meegedeeld dat belanghebbende vooralsnog met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid wordt gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

1.5. De door verweerder ingezonden stukken die op het beroep betrekking hebben, zijn in afschrift aan de gemachtigden van eisers en belanghebbende toegezonden.

1.6. Op 23 december 2008 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Ter uitvoering van de ter comparitie gemaakte afspraken heeft de gemachtigde van eisers nadere stukken ingezonden. Daarvan zijn kopieën aan de andere partijen gezonden.

1.7. Op 26 januari 2009 heeft de rechtbank een verweerschrift ontvangen. Een afschrift daarvan is aan de gemachtigden van eisers en belanghebbende gezonden.

1.8. Het beroep is behandeld ter zitting van 17 februari 2009, waar zijn verschenen [eiser A] en [eiser B], bijgestaan door mr. Termaat, voornoemd, waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C.R.M. Bakkenes en H. Aussems, en waar belanghebbende is verschenen, bijgestaan door mr. Likkel, voornoemd.

1.9. Naar ter zitting aan partijen is meegedeeld zijn de stukken uit de dossiers in de zaken met registratienummers 08/630, 08/1589 en 08/1646 betreffende verzoeken om voorlopige voorziening ad informandum aan de gedingstukken van dit beroep toegevoegd.

2. Overwegingen

2.1. In de tuin van de woning van belanghebbende op het perceel, kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats] ([buurtschap]), bevindt zich een bouwwerk dat tot 1953 is gebruikt als woning. Nadat in 1953 aan de vader van belanghebbende een bouwvergunning was verleend voor de huidige, aan de openbare weg gelegen, woning, is het bouwwerk (hierna genoemd het tuingebouw) in gebruik gebleven bij de bewoners van de huidige woning. Ter plaatse geldt het Bestemmingsplan Kern Reutje. Ingevolge dat plan rust op het gehele perceel de bestemming woondoeleinden.

2.2. Aan belanghebbende is op 23 april 2004, conform diens aanvraag, een bouwvergunning verleend voor het vernieuwen/veranderen van een, als schuur in gebruik zijnd, deel van het tuingebouw in een overkapping. In de aanvraag om bouwvergunning is vermeld dat het desbetreffende bouwwerk zal worden gebruikt als atelier in de tuin.

2.3. Op 20 november 2007 heeft belanghebbende aan verweerder verzocht om het mogelijk te maken bed and breakfast (hierna ook genoemd B&B) voor twee personen aan te bieden.

2.4.Verweerder heeft het gebruik van het tuingebouw voor B&B in strijd geacht met het bestemmingplan, omdat dat bouwwerk op de bestemmingsplankaart niet is aangeduid als (zelfstandige) woning en daarom is beschouwen als vrijstaand bijgebouw, ten aanzien waarvan in het bestemmingsplan is bepaald dat dit niet mag worden gebruikt als verblijfsruimte.

2.5. Tegen het voornemen tot verlening van vrijstelling, naar de rechtbank aanneemt neergelegd in een concept-besluit, hebben eisers zienswijzen ingediend. Tevens hebben eisers gevraagd om handhavend op te treden tegen het volgens hen reeds plaatsvindende illegale gebruik voor B&B en tegen afwijking van de bouwvergunning van 23 april 2004. Naar aanleiding daarvan is een controlerapport opgesteld. Conclusie van de controle was dat het tuingebouw geschikt is voor bewoning, maar niet geheel voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, hetgeen evenwel relatief eenvoudig zou zijn aan te passen. Bij de controle zijn voorts geen noemenswaardige afwijkingen van de bouwvergunning aangetroffen, namelijk slechts kleine afwijkingen van dakvoet en goot.

2.6. Bij het bestreden besluit is vrijstelling verleend voor het gezamenlijke gebruik van de in het tuingebouw aanwezige woonkamer/keuken met keukenblok, kooktoestel en spoelbak, de slaapkamer voor twee personen, de badkamer en aparte toiletruimte, voor het bieden van B & B, met als voorwaarden dat het gebruik niet in strijd mag zijn met het Bouwbesluit, dat door de brandweer voorgeschreven voorzieningen moeten zijn getroffen vóór ingebruikname en dat het gebouw vanaf de openbare weg bereikbaar moet zijn via het eigen perceel. Verweerder heeft bij de toezending van het bestreden besluit aan eisers vermeld dat zij daartegen een bezwaarschrift konden indienen.

2.7. Als beroepsgrond, opgenomen in het destijds ingediende bezwaarschrift, is in de eerste plaats aangevoerd dat het bestreden besluit mogelijk onbevoegd is genomen omdat niet duidelijk is of het mandaatbesluit is gepubliceerd, dat de vrijstelling niet had mogen worden verleend omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van artikel 20, eerste lid, onder e. van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) dat het aantal woningen niet mag toenemen, dat bovendien die bepaling niet kan worden gebruikt voor de bouwwerkzaamheden welke nodig zouden kunnen zijn om te voldoen aan de brandveiligheidseisen. Verder acht de gemachtigde van eisers het bestreden besluit op een aantal punten ondeugdelijk gemotiveerd en is er naar zijn mening onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eisers en andere omwonenden, waaronder in het bijzonder overlast door bewoning van het tuingebouw en het parkeren van auto’s door gasten van de B&B.

2.8. Bij de beoordeling van het beroep stelt dat rechtbank allereerst vast dat verweerder weliswaar bij besluit van 16 oktober 2007 de bevoegdheid om vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen heeft gemandateerd aan de productgroepmanager bouwen, wonen en economie van de gemeente, maar dat dit mandaatbesluit ten tijde van het thans bestreden besluit niet was bekend gemaakt op de wijze als voorgeschreven in artikel 3:42 van de Awb, zodat het mandaatbesluit toen nog niet in werking was getreden. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het bestreden besluit niet bevoegdelijk te genomen en mitsdien dient te worden vernietigd.

2.9. Ter zitting van de rechtbank is door de gemachtigde van verweerder evenwel aangetoond dat bedoeld mandaatbesluit op 11 juli 2008 is gepubliceerd in een huis-aan-huisblad, zodat het alsnog in werking is getreden. De rechtbank ziet in die publicatie geen reden om met toepassing van artikel 6:22 van vernietiging af te zien, maar wel om het beroep inhoudelijk te beoordelen ten einde na te gaan of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten dan wel zelf in de zaak kan worden voorzien als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, laatste zinsdeel, van de Awb.

2.10. In het kader van de inhoudelijke beoordeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden stelt de rechtbank allereerst vast dat de aanvraag van belanghebbende inhield dat hij de mogelijkheid wenste om B&B voor twee personen aan te bieden, terwijl in de toelichting van het ambtelijke advies aan verweerder is vermeld dat belanghebbende daartoe een deel van het vrijstaande gebouw in de tuin achter zijn woning wilde gebruiken. Ter zitting heeft belanghebbende nog toegelicht en benadrukt dat hij daartoe enkel een slaapkamer en de badkamer van het tuingebouw voor gasten beschikbaar wil stellen, dat het ontbijt zal worden geserveerd in zijn woning (het hoofdgebouw) en dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de gasten gebruik maken van de woonkamer en de keuken in het tuingebouw. Het komt de rechtbank voor dat zulks ook in overeenstemming is met de voor B&B gebruikelijke dienstverlening die pleegt in te houden dat aan recreanten een slaapplaats, het gebruik van sanitaire voorzieningen en een ontbijt wordt aangeboden.

2.11. De rechtbank stelt tevens vast dat in het bestreden besluit vrijstelling is gegeven voor een ruimer gebruik van het tuingebouw, namelijk inclusief de woonkamer, keuken en toiletruimte op de begane grond, en dat voorts in dat besluit geen enkele waarborg is opgenomen dat het tuingebouw, dat zich qua aanwezige voorzieningen leent voor gebruik als recreatiewoning, niet -zoals eisers vrezen- op een verdergaande wijze voor toeristisch/recreatieve doeleinden zal worden benut. Nu verweerder de grondslag van de aanvraag heeft verlaten ziet de rechtbank geen ruimte om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

2.12. Uit het voorgaande volgt dat resteert te beoordelen of er grond is om gebruik te maken van de bevoegdheid van de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat aan toepassing van artikel 19, derde lid, WRO in verbinding met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 beperkingen zijn verbonden in die zin dat die vrijstelling voor wijziging van het gebruik niet mag worden gebruikt ten behoeve van het verlenen van een bouwvergunning (zie onder meer Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 22-10-2003, LJN: AM2469), of voor gebruik dat slechts mogelijk is door bouwactiviteiten waarvoor geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend (zie onder andere Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12-7-2006, LJN: AY3663) en dat voorts moet worden voldaan aan de voorwaarde dat het aantal woningen gelijk blijft.

2.13. De rechtbank is van oordeel dat bij een beperkt gewijzigd gebruik voor B&B als onder 2.10 is geschetst, voormelde beperking of voorwaarde niet aan de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen in de weg hoeft te staan. De rechtbank overweegt daarbij dat vergunningplichtige bouwactiviteiten slechts een hinderpaal voor deze vorm van vrijstelling vormen, als de desbetreffende werkzaamheden er juist toe dienen om het gewijzigd gebruik mogelijk te maken (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 11-2-2009, LJN: BH2544). De aanpassingen aan de goot en dakrand die nog moeten worden verricht wegens afwijking van de op 23 april 2004 verleende bouwvergunning, hebben onmiskenbaar niet die strekking. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat er om het aanbieden van B&B mogelijk te maken, zodanige bouwkundige veranderingen aan het gebouw hebben plaatsgevonden of zullen (moeten) plaatsvinden dat deze bouwvergunningplichtig zouden zijn. De rechtbank acht in dat verband, mede gelet op hetgeen ter zitting is verklaard, aannemelijk dat voor het voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften geen aanpassingen als zojuist bedoeld, nodig zijn.

2.14. De rechtbank vermag ook niet in te zien dat door het enkele aanbieden van B&B in een deel van het tuingebouw een nieuwe woning ontstaat in de zin van voormelde bepaling van het Bro 1985, zodat ook in dat opzicht geen belemmering aanwezig is voor het verlenen van vrijstelling voor gewijzigd gebruik.

2.15. De rechtbank kan zich voorts verenigen met het standpunt van verweerder dat het aanbieden van B & B ter plaatse zich verdraagt met het provinciale en gemeentelijke beleid. Ook acht de rechtbank toereikend gemotiveerd dat er in relatie tot de mogelijkheden voor gebruik die het bestemmingsplan biedt, waaronder binnenplanse vrijstelling voor zogeheten -permanent- zorgwonen, geen sprake is van een onevenredige aantasting van de belangen van omwonenden zoals eisers. Hetgeen namens eisers naar voren is gebracht over te verwachten problemen door het parkeren van auto’s door gasten van de B&B acht de rechtbank afdoende weerlegd in het verweerschrift.

2.16. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het voorgaande een toereikende basis om op grond van artikel 8:72, vierde lid, laatste zinsdeels, van de Awb, met het oog op definitieve beslechting van het geschil, zelf in de zaak te voorzien in die zin dat vrijstelling wordt verleend conform de tekst van het bestreden besluit met dien verstande dat de vrijstelling voor het aanbieden van B&B enkel geldt voor de slaapkamer voor twee personen en de badkamer met sanitair op de bovenverdieping van het tuingebouw, alsmede de entree en trap op de benedenverdieping, zulks enkel om voormelde vertrekken op de bovenverdieping te bereiken. Aldus wordt nauw aangesloten bij verweerders besluitvorming en de in het kader daarvan verrichte belangenafweging. Tevens acht de rechtbank door de beperking tot het deel van het tuingebouw dat zich leent voor overnachting, voldoende gewaarborgd dat de vrijstelling geen reikwijdte heeft die de beperkingen van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro 1985 overschrijdt. Ten slotte wordt op deze wijze voor een deel tegemoet gekomen aan de bezwaren van eisers voor zover die zijn ingegeven door de vrees voor overlast die een uitgebreider recreatief gebruik van het tuinhuis met zich mee zou kunnen brengen

2.17. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 3 punten toegekend. De rechtbank tekent daarbij aan dat daarin is begrepen 1 punt voor het, door de gemachtigde, bijwonen van de hoorzitting in het kader van de bezwaarprocedure. Deze hoorzitting is op één lijn te stellen met een zitting van de rechtbank en voorts komen de daarvoor gemaakte kosten voor risico van verweerder, nu deze ten onrechte heeft aangegeven dat bezwaar tegen het bestreden besluit mogelijk was. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1, als bedoeld in de bijlage bij het Bpb.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

verleent aan belanghebbende vrijstelling voor het aanbieden van bed and breakfast in het tuingebouw bij de woning op het perceel, kadastraal bekend [kadastergegevens], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats], met dien verstande dat daarvoor uitsluitend mogen worden gebruikt de slaapkamer voor twee personen, de badkamer met sanitair op de bovenverdieping, alsmede de entree en de trap op de benedenverdieping van dat tuingebouw, aan welke vrijstelling de voorschriften als opgenomen in de tekst van het bestreden besluit zijn verbonden;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op EUR 966,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Roerdalen aan eisers;

bepaalt dat de gemeente Roerdalen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 145,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout (voorzitter), A.W.P. Letschert en L.M.J.A. van Hövell tot Westerflier-Dassen, in tegenwoordigheid van mr. K.M.P. Jacobs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 maart 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.