Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH8258

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1094
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mbt de herziening en terugvordering van verleende premievrijstelling en korting over het jaar 2000 wordt verwezen naar 20081095 (LJN BH8256).

In bijgevoegde uitspraak gaat het daarnaast over herziening en terugvordering van verleende premievrijstelling en korting over het jaar 2001. De vaststelling van premievrijstelling en korting over het jaar 2001 heeft, anders dan over 2000, niet plaatsgevonden op grondslag van het buitenwettelijk beleid van verweerder en dus is de verjaringstermijn van artikel 13 CSV van toepassing. Dat artikel staat aan herziening en terugvordering in de weg nu er naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin afwijking van dwingendrechtelijke regels mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1094

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Holco BV te Horst, eiseres,

gemachtigde L. van den Heuvel

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Amsterdam), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de herziening van de besluiten waarbij premievrijstelling en korting is verleend krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is ter zitting van de rechtbank op 13 oktober 2008 gevoegd behandeld met de zaak met procedurenummer 08/1095. Ter zitting is eiseres vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Scholtes.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst in die zin dat in iedere zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

2. Overwegingen

2.1. Op 8 december 2006 heeft [...] namens eiseres een aanvraag vrijstelling en korting op de basispremie als bedoeld in artikel 77b van de WAO ingediend voor de premiejaren 2000 (voor 23 werknemers) en 2001 (8 werknemers). Bij besluiten van 15 december 2006 heeft verweerder de aanvragen volledig gehonoreerd en voor de jaren 2000 en 2001 een premievrijstelling en korting toegekend van EUR 29.846,03 respectievelijk EUR 4.368,09.

2.2. Na toekenning van de premievrijstelling en korting heeft verweerder een nader onderzoek verricht op grond waarvan verweerder heeft geconcludeerd dat aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag premievrijstelling of korting is toegekend. Verweerder heeft berekend dat eiseres over de jaren 2000 en 2001 recht had op een premievrijstelling en korting van EUR 10.461,29 respectievelijk EUR 0,00.

Verweerder heeft daarop bij besluiten van 14 december 2007 de eerdere toekenningsbesluiten herzien en de teveel betaalde bedragen (EUR 19.384,74 over 2000 en EUR 4.368,09 over 2001) van eiseres teruggevorderd.

2.3. Het tegen de hiervoor genoemde besluiten gemaakte bezwaar, waarbij eiseres de bevoegdheid van verweerder tot terugvordering heeft bestreden en waarbij een beroep is gedaan op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, is door verweerder bij thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij, voor zover in het kader van deze procedure van belang, op het standpunt gesteld dat hij ingevolge artikel 42, tweede lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen bevoegd is om besluiten af te geven voor premiejaren gelegen vóór de per 1 januari 2006 in werking getreden Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verder: de Centrale Raad) mag verweerder terugkomen op een eerder genomen besluit wanneer dit onjuist is. Verweerder is gebleken dat een aantal op de aanvragen voor de premievrijstelling en korting vermelde personen geen arbeidsgehandicapten-status (agh-status) hadden en bij de aanvragen ook geen bewijsstukken van de agh-status waren gevoegd zodat voor hen ten onrechte premievrijstelling en korting is toegekend. Artikel 13 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) staat vanwege bijzondere omstandigheden aan een nadere gecorrigeerde premievaststelling en terugvordering niet in de weg. Verweerder acht de herzieningsbesluiten niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om tot terugvordering over te gaan omdat de terugvorderingstermijnen over de betreffende jaren verjaard zijn. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor buiten de verjaringstermijn mag worden teruggevorderd. Daarnaast is eiser van mening dat de herziening en terugvordering zodanig lang na het oorspronkelijke besluit zijn genomen dat verweerder zijn recht op terugvordering heeft verspeeld. Bovendien is door het verstrijken van de tijd de bewaartermijn van de bewijzen van de agh-status voor de werkgever verlopen. Het risico daarvan dient voor rekening van verweerder te komen.

2.5. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de CSV geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (UWV).

2.7. Ingevolge artikel 77b (oud), vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kent het UWV een korting toe op de door de werkgever verschuldigde basispremie in een bepaald jaar in het geval voor dat jaar de basispremie over het loon van een arbeidsgehandicapte werknemer ingevolge de leden 1 tot en met 3 van dit artikel niet of deels niet is verschuldigd.

2.8. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad (zie hiervoor onder andere LJN:BA1451) dient een besluit naar aanleiding van een verzoek om toepassing van vrijstelling en korting op de basispremie als bedoeld in artikel 77b (oud) van de WAO te worden aangemerkt als het vaststellen van premie als bedoeld in artikel 11 van de CSV.

2.9. Ingevolge artikel 13, eerste lid van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

2.10. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, NJ 1982,635 heeft de Centrale Raad ( zie onder andere AZ4086 en BA1451) overwogen dat de premieschuld van rechtswege ontstaat op het ogenblik dat de werkgever loon betaalt. In samenhang met artikel 13, eerste lid, van de CSV vloeit hieruit voort dat premie voor het jaar 2000, na 1 januari 2006 en de premie voor het jaar 2001 na 1 januari 2007 niet langer wordt vastgesteld.

2.11. Dit heeft tot gevolg dat ten aanzien van het besluit van 15 december 2006, waarbij op verzoek van eiseres de premie is vastgesteld voor het jaar 2000, deze vaststelling heeft plaatsgevonden buiten de daarvoor in artikel 13, eerste lid, van de CSV gegeven periode. De vaststelling van de premie voor het jaar 2001 is daarentegen wel geschied binnen de wettelijk daarvoor gegeven periode.

2.12. Ten aanzien van de premievaststelling op de aanvraag met betrekking tot het jaar 2000 overweegt de rechtbank als volgt.

2.12.1. Blijkens het procesdossier zijn zijdens eiseres voor het premiejaar 2000 in 2006 een tweetal aanvragen voor premiekorting en vrijstelling ingediend. De eerste aanvraag is van 5 mei 2006. De tweede aanvraag is van 8 december 2006. Beide aanvragen hebben, hoewel ze zijn ingediend na het verstrijken van de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn voor premievaststelling, geleid tot besluiten waarbij premiekorting is verleend. Verweerder heeft zowel in de processtukken als ter zitting toegelicht dat aan het vaststellen van premie voor het jaar 2000 na het verstrijken van de verjaringstermijn buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder ten grondslag ligt. Dit is het beleid zoals dit ook is weergegeven in de onder 2.8 genoemde uitspraak van de Centrale Raad. Volgens dit beleid worden aanvragen die vijf jaar na de afrekeningsnota worden ingediend nog in behandeling genomen. Vanwege het indienen van de aanvraag voor het eindigen van de op grond van het buitenwettelijk beleid door verweerder gehanteerde termijn, heeft het verstrijken van de wettelijke verjaringstermijn niet geleid tot weigering van die aanvragen.

2.12.2. Nu de aanvraag is ingediend en ook verweerders besluiten om premievrijstelling en korting toe te kennen over het jaar 2000 zijn genomen nà ommekomst van de (verjarings)termijn als bedoeld in artikel 13 van de CSV is artikel 13, eerste lid, van de CSV naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op die toekenning en de op grond daarvan verrichte betalingen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder zich in het kader van het buitenwettelijk beleid ook mag beroepen op het algemene rechtsbeginsel (zoals door de Centrale Raad in diverse ambtenarenzaken, waaronder LJN: AV2037, heeft geformuleerd) dat hetgeen onverschuldigd is betaald, mag worden teruggevorderd, tenzij (andere) algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten.

2.12.3. De rechtbank overweegt over de aanleiding voor verweerder om tot herziening van het toekenningsbesluit over te gaan als volgt. Verweerder heeft naar aanleiding van signalen over integriteitsschending op het gebied van aanvragen en toekenning van korting en vrijstelling van premie, een breed integriteitsonderzoek binnen de eigen organisatie uitgevoerd, waaruit hij heeft geconcludeerd dat sprake was van grootschalige fraude, waarbij ook derden zijn betrokken. Door verweerder is in dat kader vastgesteld dat de aanvraag van 8 december 2006 van onjuiste althans onvolledige informatie was voorzien en dat deze heeft geleid tot een onjuiste premievaststelling. De aanvraag was enkel voorzien van een lijst met namen en sofinummers van de personen voor wie de premievaststelling werd gevraagd. Uit het onderzoek volgt onder andere dat van dertien op de lijst voorkomende personen bij verweerder geen agh-status bekend dan wel dat zij slechts een gedeelte van het jaar de agh-status bezaten. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de nadere premievaststelling onjuist is. De rechtbank verwerpt in dit verband het standpunt van eiseres dat het risico van het niet (meer) voorhanden hebben van de bewijzen voor rekening en risico van verweerder dient te komen. Het lag immers op de weg van eiseres deze bewijzen bij de aanvraag in te dienen. Een deugdelijke reden voor de gestelde vernietiging van de agh-status bewijzen is niet gegeven.

2.12.4. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat bij de aanvraag die tot de te hoge premiekorting heeft geleid, bewust onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt. De persoon die voor eiseres de aanvraag heeft verzorgd is één van de personen die in het (op het integriteitsonderzoek gevolgde) strafrechtelijk onderzoek verdacht wordt van fraude met premiekortingen.

2.12.5. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de onregelmatigheden in de aanvraag en het besluit van 15 december 2006 had kunnen onderkennen. Eiseres had zich immers ervan moeten vergewissen of de aanvraag van 8 december 2006 was voorzien van alle vereiste stukken en ten aanzien van de op de lijst voorkomende personen juist was. Zeker nu al eerder in het jaar een aanvraag was ingediend, met beperkter resultaat, en nu er bij de tweede (tot een te hoog bedrag gehonoreerde) aanvraag geen gegevens uit de administratie van eiseres zijn gebruikt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen.

2.12.6. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder binnen één jaar na het besluit van 15 december 2006 tot herziening en terugvordering van de onjuist toegekende premiekorting is overgegaan. De rechtbank acht dit, gezien ook de hiervoor overwogen omstandigheden, voldoende voortvarend en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat verweerder in december 2006 heeft nagelaten om de aanvraag zorgvuldig te toetsen betekent niet dat verweerder in deze specifieke situatie van herziening van de toekenning en terugvordering had moeten afzien. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot herziening en terugvordering overgaan.

2.12.7. Aangezien verweerder het bestreden besluit evenwel op een ondeugdelijke motivering heeft doen steunen, moet het bestreden besluit op dit punt wegens motiveringsgebrek worden vernietigd. In hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dit het premiejaar 2000 betreft, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

2.13. Ten aanzien van de premievaststelling op de aanvraag met betrekking tot het jaar 2001 overweegt de rechtbank als volgt.

2.13.1. Zoals reeds onder 2.10. is overwogen kan ingevolge artikel 13, eerste lid, van de CSV de premie voor 2001 niet meer worden vastgesteld na 1 januari 2007. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verweerder de premie niet mocht herzien. Daarbij verdient opmerking dat de toekenning over 2001 niet op het voormelde buitenwettelijk beleid berust.

2.13.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad zijn er bijzondere omstandigheden denkbaar waarin afwijking van dwingendrechtelijke regels mogelijk is. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat deze bijzondere omstandigheden zich in dit geval voordoen. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gestelde omstandigheden, zoals die onder 2.12.3. en volgende zijn weergegeven, mede gezien de betrokkenheid van eigen medewerkers van verweerder bij de onregelmatige besluitvorming en het falend toezicht van verweerder bij die besluitvorming, onvoldoende is om het algemene belang van de rechtszekerheid dat met de toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen is gediend, in dit geval terzijde te stellen.

Gelet hierop is het hiertegen gerichte beroep gegrond en komt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op het jaar 2001, eveneens voor vernietiging in aanmerking.

In hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit betreffende het jaar 2001 te herroepen. De in bezwaar tegen dit besluit gemaakte proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking.

2.14. De rechtbank zal, met verwijzing naar het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in deze zaak niet overgaan tot vergoeding van proceskosten in beroep gemaakt. In de met deze zaak samenhangende procedure met nummer 08/1095 heeft al een volledige proceskostenveroordeling plaatsgevonden.

2.15. Beslist wordt als vermeld in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover die betrekking hebben op het premiejaar 2000, in stand blijven;

herroept het primaire besluit dat betrekking heeft op het premiejaar 2001;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit voor zover dat betrekking heeft op het premiejaar 2001;

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure voor zover deze betrekking heeft op het premiejaar 2001, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 322,00 (wegens de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt voorts, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ter hoogte van EUR 288,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mrs. C.M.W. Nobis (voorzitter), P.J. Voncken en Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 24 maart 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.