Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH8256

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
27-03-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 1095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt over een beslissing mbt herziening en terugvordering van verleende premievrijstelling en korting over het jaar 2000 naar aanleiding van een fraude-onderzoek. De verleende vrijstelling en korting is na ommekomst van de verjaringstermijn van artikel 13 Coördinatiewet vastgesteld, zulks met toepassing van buitenwettelijk beleid. In die omstandigheden ziet de rechtbank ruimte om dan ook de herziening en terugvordering die hebben plaatsgevonden na afloop van de verjaringstermijn om te concluderen dat verweerder zich in het kader van het buitenwettelijk beleid ook mag beroepen op het algemene rechtsbeginsel (zoals door de Centrale Raad in diverse ambtenarenzaken, waaronder LJN: AV2037, heeft geformuleerd) dat hetgeen onverschuldigd is betaald, mag worden teruggevorderd, tenzij (andere) algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat bij de aanvraag die tot de te hoge premiekorting heeft geleid, bewust onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt en dat eiseres de onregelmatigheden in de aanvraag en het toekenningsbesluit had kunnen onderkennen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerer voldoende voortvarend en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld bij de besluitvorming tot herziening en terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1095

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Lutèce BV te Horst, eiseres,

gemachtigde L. van den Heuvel

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Amsterdam), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de besluiten waarbij de krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende premievrijstelling en korting is herzien en teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.3. Na diverse verdagingen is het beroep ter zitting van de rechtbank op 9 februari 2009 gevoegd behandeld met de zaak met procedurenummer 08/1094. Ter zitting is eiseres vertegenwoordigd door L. van den Heuvel. Verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.J. Scholtes.

Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst in die zin dat in iedere zaak afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

2. Overwegingen

2.1. Op 8 december 2006 heeft [...], voor zover thans van belang, namens eiseres een aanvraag vrijstelling en korting op de basispremie als bedoeld in artikel 77b van de WAO ingediend voor het premiejaar 2000 (voor 29 werknemers). Bij besluit van 15 december 2006 heeft verweerder de aanvraag volledig gehonoreerd en voor het jaar 2000 een premievrijstelling en korting toegekend van EUR 10.061,67.

2.2. Na toekenning van de premievrijstelling en korting heeft verweerder een nader onderzoek verricht op grond waarvan verweerder heeft geconcludeerd dat aan eiseres ten onrechte of tot een te hoog bedrag premievrijstelling of korting is toegekend. Verweerder heeft berekend dat eiseres over het jaar 2000 recht had op een premievrijstelling en korting van EUR 3.359,87.

Verweerder heeft daarop bij besluit van 7 december 2007 het eerdere toekenningsbesluit met betrekking tot het jaar 2000 herzien en het teveel betaalde bedrag (EUR 6.701,80) van eiseres teruggevorderd.

2.3. Het tegen het hiervoor genoemde besluit met betrekking tot het jaar 2000 gemaakte bezwaar, waarbij eiseres de bevoegdheid van verweerder tot terugvordering heeft bestreden en waarbij een beroep is gedaan op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, is door verweerder bij thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij, voor zover in het kader van deze procedure van belang, op het standpunt gesteld dat hij ingevolge artikel 42, tweede lid, van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen bevoegd is om besluiten af te geven voor premiejaren gelegen vóór de per 1 januari 2006 in werking getreden Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (verder: de Centrale Raad) mag verweerder terugkomen op een eerder genomen besluit wanneer dit onjuist is. Verweerder is gebleken dat een aantal op de aanvragen voor de premievrijstelling en korting vermelde personen geen arbeidsgehandicapten-status (agh-status) hadden en bij de aanvragen ook geen bewijsstukken van de agh-status waren gevoegd zodat voor hen ten onrechte premievrijstelling en korting is toegekend. Artikel 13, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) staat vanwege bijzondere omstandigheden aan een nadere gecorrigeerde premievaststelling en terugvordering niet in de weg. Verweerder acht de herzieningsbesluiten niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.

2.4. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder niet bevoegd is om tot terugvordering over te gaan omdat de terugvorderingstermijn over het betreffende jaar door verjaring is verstreken. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig waardoor buiten de verjaringstermijn mag worden teruggevorderd. Daarnaast is eiseres van mening dat de herziening en terugvordering zodanig lang na het oorspronkelijke besluit zijn genomen dat verweerder zijn recht op terugvordering heeft verspeeld. Bovendien is door het verstrijken van de tijd de bewaartermijn van de bewijzen van de agh-status voor de werkgever verlopen. Het risico daarvan dient voor rekening van verweerder te komen.

2.5. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de CSV geschiedt de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde premie, alsmede de invordering daarvan, door het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (UWV).

2.7. Ingevolge artikel 77b (oud), vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kent het UWV een korting toe op de door de werkgever verschuldigde basispremie in een bepaald jaar in het geval voor dat jaar de basispremie over het loon van een arbeidsgehandicapte werknemer ingevolge de leden 1 tot en met 3 van dit artikel niet of deels niet is verschuldigd.

2.8. Volgens jurisprudentie van de Centrale Raad (zie hiervoor onder andere LJN: BA1451) dient een besluit naar aanleiding van een verzoek om toepassing van vrijstelling en korting op de basispremie als bedoeld in artikel 77b (oud) van de WAO te worden aangemerkt als het vaststellen van premie als bedoeld in artikel 11 van de CSV.

2.9. Ingevolge artikel 13, eerste lid van de CSV wordt premie niet meer vastgesteld indien meer dan vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie verschuldigd is geworden, zijn verstreken.

2.10. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, NJ 1982,635 heeft de Centrale Raad ( zie onder andere AZ4086 en BA1451) overwogen dat de premieschuld van rechtswege ontstaat op het ogenblik dat de werkgever loon betaalt. In samenhang met artikel 13, eerste lid, van de CSV vloeit hieruit voort dat premie voor het jaar 2000, na 1 januari 2006 niet langer wordt vastgesteld.

2.11. Blijkens het procesdossier zijn zijdens eiseres voor het premiejaar 2000 in 2006 een tweetal aanvragen voor premiekorting en vrijstelling ingediend. De eerste aanvraag is van 5 mei 2006. De tweede aanvraag is van 8 december 2006. Beide aanvragen hebben, hoewel ze zijn ingediend na het verstrijken van de in artikel 13, eerste lid, van de CSV genoemde termijn voor premievaststelling, geleid tot besluiten waarbij premiekorting is verleend. Verweerder heeft zowel in de processtukken als ter zitting toegelicht dat aan het vaststellen van premie na het verstrijken van de verjaringstermijn buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder ten grondslag ligt. Dit is het beleid zoals dit ook is weergegeven in de onder 2.8 genoemde uitspraak van de Centrale Raad. Volgens dit beleid worden aanvragen die vijf jaar na de afrekeningsnota worden ingediend nog in behandeling genomen. Vanwege het indienen van de aanvragen voor het eindigen van de op grond van het buitenwettelijk beleid door verweerder gehanteerde termijn, heeft het verstrijken van de wettelijke verjaringstermijn niet geleid tot weigering van die aanvragen.

2.12. Nu de aanvraag is ingediend en ook verweerders besluiten om premievrijstelling en korting toe te kennen over het jaar 2000 zijn genomen ná ommekomst van de (verjarings)termijn als bedoeld in artikel 13 van de CSV, is artikel 13, eerste lid, van de CSV naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op die toekenning en de op grond daarvan verrichte betalingen.

Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat verweerder zich in het kader van het buitenwettelijk beleid ook mag beroepen op het algemene rechtsbeginsel (zoals door de Centrale Raad in diverse ambtenarenzaken, waaronder LJN: AV2037, heeft geformuleerd) dat hetgeen onverschuldigd is betaald, mag worden teruggevorderd, tenzij (andere) algemene rechtsbeginselen zich daartegen verzetten.

2.13. De rechtbank overweegt over de aanleiding voor verweerder om tot herziening van het toekenningsbesluit over te gaan als volgt. Verweerder heeft, naar aanleiding van signalen over integriteitsschending op het gebied van aanvragen en toekenning van korting en vrijstelling van premie, een breed integriteitsonderzoek binnen de eigen organisatie uitgevoerd, waaruit hij heeft geconcludeerd dat sprake was van grootschalige fraude, waarbij ook derden zijn betrokken. Door verweerder is in dat kader vastgesteld dat de aanvraag van eiseres van 8 december 2006 van onjuiste althans onvolledige informatie was voorzien en dat deze heeft geleid tot een onjuiste premievaststelling. De aanvraag was enkel voorzien van een lijst met namen en sofinummers van de personen voor wie de premievaststelling werd gevraagd. Uit het onderzoek hieromtrent volgt onder andere dat van drie op de lijst voorkomende personen bij verweerder geen agh-status bekend is en dat drie personen geen dienstverband bij eiseres hadden. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de nadere premievaststelling onjuist is. De rechtbank verwerpt in dit verband het standpunt van eiseres dat het risico van het niet (meer) voorhanden hebben van de bewijzen voor rekening en risico van verweerder dient te komen. Het lag immers op de weg van eiseres deze bewijzen bij de aanvraag in te dienen. Een deugdelijke reden voor de gestelde vernietiging van de agh-status bewijzen is niet gegeven.

2.14. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat bij de aanvraag die tot de te hoge premiekorting heeft geleid, bewust onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt. De persoon die voor eiseres de aanvraag heeft verzorgd is één van de personen die in het (op het integriteitsonderzoek gevolgde) strafrechtelijk onderzoek verdacht wordt van fraude met premiekortingen.

2.15. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder ook terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de onregelmatigheden in de aanvraag en het besluit van 15 december 2006 had kunnen onderkennen. Eiseres had zich immers ervan moeten vergewissen of de aanvraag van 8 december 2006 was voorzien van alle vereiste stukken en ten aanzien van de op de lijst voorkomende personen juist was. Zeker nu al eerder in het jaar een aanvraag was ingediend, met beperkter resultaat, en nu er bij de tweede (tot een te hoog bedrag gehonoreerde) aanvraag geen gegevens uit de administratie van eiseres zijn gebruikt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan daarom niet slagen.

2.16. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder binnen één jaar na het besluit van 15 december 2006 tot herziening en terugvordering van de onjuist toegekende premiekorting is overgegaan. De rechtbank acht dit, gezien ook de hiervoor overwogen omstandigheden, voldoende voortvarend en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De omstandigheid dat verweerder in december 2006 heeft nagelaten om de aanvraag zorgvuldig te toetsen betekent niet dat verweerder in deze specifieke situatie van herziening van de toekenning en terugvordering had moeten afzien. Verweerder mocht naar het oordeel van de rechtbank dan ook tot herziening en terugvordering overgaan.

2.17. Aangezien verweerder het bestreden besluit evenwel op een ondeugdelijke motivering heeft doen steunen, moet het bestreden besluit op dit punt wegens motiveringsgebrek worden vernietigd. In hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

2.18. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen met de wegingsfactor 1 correspondeert.

Gelet op het bepaalde in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft deze proceskostenveroordeling mede betrekking op het beroep met procedurenummer 08/1094.

Beslist wordt als vermeld in rubriek 3.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 644,00 (wegens de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Aldus gedaan door mrs. C.M.W. Nobis (voorzitter), P.J. Voncken en Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van mr. C.H.M. Bartholomeus als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 24 maart 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.