Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH7431

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
16-02-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
04/860803-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schending van de beginselen van goede proces-orde en strijd met het bepaalde in art. 3 en 40 IVRK, die leiden tot niet-ontvankelijkheid van openbaar ministerie. Bij de beslissing tot vervolgen van een minderjarige moet de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht worden.

In casu is de officier van justitie tot dagvaarding van een zeer jeugdig persoon overgegaan zonder de in het dossier aanwezige filmbeelden van de gedragingen die de verdachte verweten worden (te kwalificeren als “het aanzetten tot ontuchtige handelingen ex. art. 248b Sr) te bekijken en zich van de ernst van de gedragingen te vergewissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860803-08

Uitspraak d.d. : 16 februari 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [achternaam dader]

voornamen : [voornamen dader]

geboren op : [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

16 februari 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 23 juni 2008 in de gemeente Meijel, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 2002 en/of [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2002, waarvan verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze(n) de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden,

bestaande die ontuchtige handelingen in het (tong)zoenen tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en/of het vastpakken althans betasten van de billen van

[slachtoffer 2] door [slachtoffer 1] en welke giften of beloften van geld of goed en/of welk misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of welke misleiding heeft/hebben bestaan in het leeftijdsverschil tussen verdachte en/of zijn mededader en die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of het aanbieden van een

hoeveelheid geld;

art. 248a Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De rechtbank heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan de orde gesteld.

Standpunt officier van justitie.

De officier van justitie heeft gesteld om de volgende redenen tot dagvaarding van verdachte te zijn overgegaan.

Het ten laste gelegde feit heeft veel onrust in en rond de school en bij de ouders van de betrokken kleuters teweeggebracht. De school heeft de zaak goed aangepakt door direct de ouders te informeren.

Het is achteraf meegevallen wat er ten aanzien van de jonge kinderen is gebeurd, maar het betreft grensoverschrijdend gedrag.

De reden om tot vervolging over te gaan was mede het leeftijdsverschil tussen de slachtoffers en de daders. De Raad voor de Kinderbescherming spreekt in zijn rapport d.d. 2 december 2008 over leeftijdsgebonden experimenteergedrag. Dit standpunt deelt het openbaar ministerie niet. Er is hier geen sprake van ‘een seksueel stoeipartijtje van jeugdigen’ dat ‘algemeen sociaal ethisch aanvaard is’ (Tekst & Commentaar art. 248a Sr, aantekening 6 onder d).

Het gaat hierbij om het feit dat de verdachten kleuters hebben bewogen elkaar te kussen en bij de billen te pakken door hen geld aan te bieden.

Het openbaar ministerie heeft de vrijheid om op goede gronden af te wijken van haar richtlijnen.

De cd-rom met filmpjes opgenomen met de gsm heeft het openbaar ministerie aan het dossier toegevoegd voor de volledigheid van het dossier. Alvorens de beslissing omtrent dagvaarding te nemen en evenmin ter voorbereiding van de zitting heeft de officier van justitie de filmpjes bekeken. De officier van justitie acht de filmpjes op zich niet van belang nu het gaat om de handelingen van de verdachten, namelijk het aanzetten tot seksuele handelingen.

Doorslaggevend is geweest de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en het leeftijdsverschil tussen slachtoffers en verdachten.

Enerzijds heeft de officier van justitie hierbij rekening gehouden met het belang van de minderjarige verdachte, anderzijds speelt het belang van de slachtoffers en vooral ook het maatschappelijk belang een rol. Art. 3 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het Kind (IVRK) laat een dergelijke belangenafweging toe.

De belangen van de jonge slachtoffers moeten beschermd worden en er dient een signaal aan de maatschappij te worden gegeven dat tegen dergelijk gedrag wordt opgetreden.

Het standpunt van de raadsman.

De raadsman heeft gesteld dat de zaak buiten proporties is beoordeeld.

De onrust naar aanleiding van het gebeuren is voor een deel door het optreden van de school zelf gecreëerd. Het lijkt een opgeblazen zaak, de politie heeft de school zelfs afgeraden om direct een algemene ouderavond te organiseren.

De raadsman vraagt zich af waarom niet naar aanleiding van het eerste onderzoek door de politie direct een stevig gesprek met de officier van justitie is geweest, omdat verdachte zich er terdege van bewust moet zijn dat hij grensoverschrijdend gedrag heeft laten zien.

Dit gedrag dient echter wel in de juiste context gezien worden. De schooljuffen op het schoolplein hebben niets opvallends geconstateerd. De kleuters hebben het als een spelletje beschouwd, het zijn de volwassenen die deze zaak geproblematiseerd hebben, met uitzondering van de ouders van één van de betrokken kleuters die geen aangifte wilden doen om hun kind, dat verder geen last van het gebeurde had, niet verder te belasten.

De districtspsychiater concludeert in de zaak van de medeverdachte dat sprake is van leeftijdsgebonden experimenteergedrag. De ouders van verdachte hebben volstrekt adequaat gereageerd en er zijn pedagogische sancties gevolgd. Een strafvervolging voegt daar niets aan toe, en werkt zelfs contraproductief. De raadsman verzoekt derhalve de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren op grond van schending van het opportuniteitsbeginsel.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt:

Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie bevoegd is, op gronden aan het algemeen belang ontleend, af te zien van vervolging.

Beslist de officier van justitie dat hij tot vervolging overgaat, dan staat die beslissing in beginsel niet ter beoordeling van de rechter.

Slechts indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van een behoorlijke procesorde kan sprake zijn van een verval van het recht tot strafvordering en van een door de rechter om die reden uit te spreken niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank is van oordeel dat uit de beginselen van goede procesorde en tevens uit artikel 3 van het IVRK, waarin staat dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen, volgt dat bij de beslissing tot vervolgen van een minderjarige de nodige zorgvuldigheid betracht dient te worden. De rechtbank wijst hierbij ook nog op het in artikel 40, eerste lid van het IVRK neergelegde uitgangspunt dat ieder kind dat wordt verdacht van het begaan van een strafbaar feit recht heeft op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie bij het nemen van haar beslissing tot dagvaarden de beschikking had over een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 2 december 2008 waarin de Raad concludeert dat ‘gesproken kan worden van leeftijdsgebonden experimenteergedrag, dat wel enigszins grensoverschrijdend is.’ In het onderzoek zijn geen signalen naar voren gekomen die wijzen op onderliggende problematiek of stoornissen.

De officier van justitie stelt deze conclusie, zonder overleg met de betrokken deskundige danwel raadpleging van een onafhankelijke deskundige, terzijde met het argument dat sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen verdachte en de betrokken slachtoffers. Dit is echter informatie waarover de Raad ten tijde van hun onderzoek beschikte en bij zijn oordeelsvorming betrokken heeft.

De rechtbank kan zich na kennisname van het dossier en met name de daartoe behorende filmbeelden vinden in de conclusie van de Raad.

De officier van justitie heeft besloten over te gaan tot dagvaarding en heeft dit gedaan zonder de in het dossier aanwezige filmbeelden van de gedragingen die de verdachte verweten worden te bekijken en zich van de ernst van de gedragingen te vergewissen. De rechtbank is van oordeel dat de officier alvorens over te gaan tot dagvaarding kennis had dienen te nemen van de filmbeelden, zeker nu zich in het dossier geen verklaringen van de slachtoffers bevinden, omdat deze niet gehoord zijn.

De rechtbank overweegt dat vervolging van een zeer jeugdige minderjarige waarbij een zeer ernstig feit ten laste wordt gelegd een enorme impact op de minderjarige kan hebben, zodat de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht dient te worden genomen.

De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie gezien het bovenstaande daarvan geen blijk heeft gegeven. Door te handelen zoals hierboven omschreven is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van goede procesorde waarbij de belangen van de verdachte met grove veronachtzaming tekort zijn gedaan.

Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan een ernstige schending van de beginselen van goede procesorde oplevert en in strijd is met hetgeen bepaald is in de artikelen 3 en 40 eerste lid van het IVRK. De rechtbank is van oordeel dat hierop geen andere sanctie passend is dan niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Vonnis gewezen door mrs. C.A.M. Schaap-Meulemeester, Y.J.C.A. Roeffen en J.J.M. Wassenberg, kinderrechters, van wie mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester

voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek als griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 16 februari 2009.

Mr. C.A.M. Schaap-Meulemeester is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

typ: ETOL