Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH7287

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
23-03-2009
Zaaknummer
220509 \ CV EXPL 08-2957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is op grond van onrechtmatige daad mede aansprakelijk voor de schade die eiseres heeft geleden als gevolg van een grote uitslaande brand in de door gedaagde verhuurde bedrijfsruimte, nu gedaagde wist of in elk geval behoorde te weten, dat zich in het gehuurde illegale zaken afspeelden en hij geen actie heeft ondernomen en de situatie oogluikend heeft laten voortbestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 220509 \ CV EXPL 08-2957

Vonnis van de kantonrechter te Roermond d.d. 10 maart 2009

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Janssen Maasbree B.V., gevestigd te [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.A. Bouten,

tegen:

[gedaagde], wonende te [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.J.T.M. Oudenhoven,

toevoeging aangevraagd.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde]

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het navolgende:

- de inleidende dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan: Op 10 september 2003 brak er een brand uit in de bedrijfsgebouwen behorende bij de boerderij aan de [adres]. [gedaagde] was in die tijd eigenaar van het betreffende perceel en met zijn gezin in de boerderij op dat adres woonachtig. Tot medio 2000 exploiteerde [gedaagde] op het perceel een varkensbedrijf. Bij huurovereenkomst van 1 november 2000 heeft [gedaagde] (een gedeelte) van de bedrijfsruimte verhuurd aan [huurder].

Uit politieonderzoek is gebleken dat in de bedrijfsruimte een volledig in werking zijnde hennepkwekerij was gevestigd ten tijde van de brand.

[gedaagde] is bij arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in hoger beroep veroordeeld wegens het (kortgezegd) opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en wegens het schuldwitwassen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft op gronden als omschreven in de dagvaarding gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de bedragen en rente als in de dagvaarding vermeld, kosten rechtens.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [eiser] stelt primair dat [gedaagde] als eigenaar van de opstal aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de brand op 10 september 2003. Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] aansprakelijk is wegens toerekenbare tekortkoming nu [gedaagde] heeft nagelaten actie te ondernemen tegen de hennepkwekerij die was gevestigd in het gehuurde. [gedaagde] wist volgens [eiser] immers dat er zich zaken afspeelden in de schuur die niet klopten en heeft dit laten voortbestaan. Door de brand zijn er roet en andere verontreinigde deeltjes op het kasdek terechtgekomen. [eiser] stelt dat het dak daarom niet op de gebruikelijke wijze is schoon gemaakt. Dit is overgelaten aan een reinigingsbedrijf dat vakkundig alle vuile deeltjes heeft verwijderd. [eiser] is van mening dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de kosten van deze reiniging.

4.2. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat geen sprake kan zijn van een aansprakelijkheid op grond van gebrekkige opstal. De aansprakelijkheid rust volgens [gedaagde] op de huurder van de opstal die aldaar een bedrijf exploiteerde. Voorts stelt [gedaagde] dat het dieselaggregaat waardoor de brand is veroorzaakt, door de huurder was geplaatst en geen deel uitmaakt van de opstal. Ten aanzien van de subsidiaire vordering stelt [gedaagde] dat hij niet wist wat zich in de schuur afspeelde. Het gebruik van een aggregaat in een bedrijfsruimte vormt naar de mening van [gedaagde] op zich geen risico. [gedaagde] is van mening dat uit zijn veroordeling door de strafrechter voor het medeverantwoordelijk zijn voor het voortbestaan van illegale activiteiten geenszins volgt dat hij civielrechtelijk jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. De geschonden strafrechtelijke norm ziet volgens [gedaagde] niet op de bescherming van het belang van [eiser]. De door [eiser] geleden schade kan volgens [gedaagde] niet aan hem worden toegerekend. Vervolgens stelt [gedaagde] dat niet blijkt op welke wijze de door de firma [W] uitgevoerde kasdekreinigingswerkzaamheden verschillen van de regulier door [eiser] zelf uitgevoerde kasdekreinigingswerkzaamheden. Daarnaast betwist [gedaagde] dat er verontreiniging op het kasdek is terecht gekomen, omdat kort gezegd de windrichting de avond van de brand niet richting de kas van [eiser] ging. Tenslotte verzoekt [gedaagde] matiging van de schadevergoeding en worden de buitengerechtelijke kosten betwist.

gebrekkige opstal

4.3. Primair stelt [eiser] dat [gedaagde] als eigenaar van de gebrekkige opstal verantwoordelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van de brand van deze opstal heeft geleden. De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is gesteld noch is gebleken dat de opstal waarvan [gedaagde] bezitter was ten tijde van de brand, niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. De kantonrechter neemt hierbij in overweging dat het dieselaggregaat dat door de huurder in de bedrijfsruimte was geplaatst, geen deel uitmaakt van de opstal en derhalve niet onder het bereik van de verantwoordelijkheid van [gedaagde] valt, zoals [eiser] stelt. De primaire vordering moet daarom worden afgewezen. Het beroep van [gedaagde] op 6:181BW – de aansprakelijkheid van degene die het bedrijf daadwerkelijk uitoefent – behoeft daarmee geen verdere bespreking meer.

onrechtmatige daad

4.4. Subsidiair is [eiser] van mening dat [gedaagde] aansprakelijk is op grond van toerekenbaar onrechtmatig handelen. [gedaagde] betwist ook deze stelling. Ingevolge artikel 6:162 BW is hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht de schade die de ander lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen hem volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.5. In deze zaak heeft [gedaagde] bedrijfsruimte verhuurd aan [huurder]. [gedaagde] stelt dat hij nooit veel activiteiten bij de bedrijfsruimte heeft opgemerkt. Wel signaleerde hij diverse malen een wit transportbusje en een personenauto. Tegenover de politie, die na de brand een onderzoek heeft ingesteld, verklaarde [gedaagde] dat al direct de ramen van de stal werden geblindeerd en dat de toegangsdeuren op slot waren. Dat hij de indruk had dat er zich dingen afspeelden die niet klopten. Dat het altijd donker was als er volk kwam bij de stal en dat hij nooit iemand zag aankomen of weggaan. Dat hij het idee had dat men met gedoofde lichten bij zijn woning aankwam. Dat hij dacht dat hij maar geen vragen moest stellen over hetgeen zich in de stal afspeelde omdat hij in financiële problemen zat en iedere gulden welkom was. De kantonrechter is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, nu gedaagde wist of in elk geval redelijkerwijs van hem gevergd kon worden dat hij behoorde te weten dat zich in de gehuurde bedrijfsruimte illegale zaken afspeelden, hij in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen hem volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt heeft gehandeld door niets te doen. In dit geval is dus sprake van een onrechtmatige daad. Deze onrechtmatige daad dient aan [gedaagde] te worden toegerekend nu hij geen actie heeft ondernomen en de situatie oogluikend heeft laten voortbestaan. Nu [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd welke hem kan worden toegerekend, is hij mede aansprakelijk voor de schade die [eiser] als gevolg van die onrechtmatige daad heeft geleden en is hij verplicht tot schadevergoeding.

schadevergoeding

4.6. [eiser] stelt schade te hebben geleden tot een bedrag van EUR 2.732,24 omdat hij het kasdek door een gespecialiseerd bedrijf heeft laten reinigen. [gedaagde] betwist deze schade en stelt daartoe dat de windrichting de avond van de brand dusdanig was dat er geen roetdeeltjes en andere verontreiniging op de kas van [eiser] terecht kunnen zijn gekomen.

4.7. Uit het door [gedaagde] overgelegde memo van de brandweer blijkt dat sprake is geweest van een zeer grote uitslaande brand, waarbij brandweerlieden van de eenheden Maasbree, Baarlo, Helden, Venlo, Tegelen, Belfeld en Venray werden ingezet. [gedaagde] stelt dat uit het rapportincident van de brandweer blijkt dat om 19.54 uur en om 21.12 uur de windsnelheid 3m/s bedroeg en de windrichting zuidzuidwest was. Verder stelt [gedaagde] dat het zeer onwaarschijnlijk is te achten dat de wind die avond 180° is gedraaid en de branddeeltjes die avond op de kassen van [eiser] terecht zijn gekomen. De kantonrechter stelt vast dat deze laatste aanname van [gedaagde] louter berust op een blote veronderstelling. Vooreerst merkt de kantonrechter op dat een windsnelheid van 3m/s moet worden aangeduid als een zwakke wind, windkracht 2 op de schaal van Beaufort. De uitwerking boven land is in dat geval weliswaar dat rookpluimen de richting aangeven en de wind merkbaar is. Als feit van algemene bekendheid kan echter ook worden aangenomen dat bij een zeer grote uitslaande brand sprake is van met geweld uitbarstende wolken van rook, stof- en brandresten die alle kanten op worden geslingerd en in de hogere luchtlagen terecht komen om vervolgens weer naar de aardbodem terug te zweven. Dat door de brand bij [gedaagde] verontreiniging op het nabijgelegen kasdek van [eiser] terecht is gekomen is daarmede alleszins aannemelijk. Het verweer van [gedaagde] dat er die avond geen verontreiniging van de brand op het kasdek terecht is gekomen en dat de aanwezige verontreiniging op het kas mogelijk door [eiser] zelf is veroorzaakt vanwege het regelmatig verbranden van restafval in de nabijheid van de kassen, zal daarom worden gepasseerd.

4.8. [gedaagde] stelt dat [eiser] zelf beschikt over een kasdekreinigingssysteem en kort gezegd het inschakelen van derden onnodig is geweest, in elk geval de noodzaak daarvan niet is aangetoond. Tenslotte verzoekt [gedaagde] matiging. De kantonrechter is van oordeel dat het enerzijds aan [eiser] is om te beslissen of hij zelf dan wel derden de reiniging van zijn kasdek laat uitvoeren. Anderzijds heeft [eiser] ten opzichte van [gedaagde] een schadebeperkingverplichting en daarnaast is niet uit te sluiten -nu hiervan gesteld noch gebleken is- dat het kasdek toch aan een reguliere reinigingbeurt toe was die nu mogelijk alleen wat eerder is gevallen. Al deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien acht de kantonrechter het redelijk in dit geval de schade aan de zijde van [eiser] te matigen en ex aequo et bono vast te stellen op EUR 2.000,00. De rente zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na factuurdatum.

buitengerechtelijke kosten en rente

4.9. [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente daartoe stellende dat hij direct aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt dat de schade op de huurder moet worden verhaald. Nu door [eiser] geen buitengerechtelijke kosten worden gevorderd treft dit verweer van [gedaagde] geen doel. Het verweer tegen de wettelijke rente treft evenmin doel nu immers het al of niet verschuldigd zijn van de vordering bepalend is en de rente als afgeleide vordering volgt.

slotsom

4.10. De kantonrechter acht geen termen aanwezig [gedaagde] toe te laten tot nadere bewijslevering.

4.11. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering met inachtneming van het bovenstaande dient te worden toegewezen en dat [gedaagde], als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

4.12. De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissing

5.1. Veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 2.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 december 2003 tot aan de voldoening.

5.2. Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] geval¬len en tot aan dit vonnis begroot op EUR 572,80, waarvan EUR 300,00 als salaris voor de gemachtigde.

5.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.F. van Dooren, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 10 maart 2009 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.