Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH5988

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
11-03-2009
Datum publicatie
13-03-2009
Zaaknummer
04/860834-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ten aanzien van het aanwezig hebben van verdovende middelen, in verband met het ontbreken van wetenschap en opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860834-07

Uitspraak d.d. : 11 maart 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [H.]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [plaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 februari 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2006 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende

amfetamine en/of methamfetamine (in de vorm van ongeveer 3096 tabletten en/of brokken met een gewicht van ongeveer 392 gram), een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of methamfetamine, zijnde amfetamine en/of

methamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 2 van de Opiumwet)

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2006 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7[nummer] gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 3 van de Opiumwet)

3.

hij op of omstreeks 24 oktober 2006 in de gemeente Venray, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen/buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of amfetamine en/of methamfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of amfetamine en/of methamfetamine, zijnde MDMA en/of MDEA en/of MDA en/of amfetamine en/of methamfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een zogenaamde vulschoen en/of een zogenaamd vliegwiel, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat die/dat bestemd waren/was tot het plegen van die/dat feit(en);

(art. 10a van de Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 25 februari 2009 gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard en dat verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Op 24 oktober 2006 zijn er diverse goederen bij verdachte in de berging aangetroffen. Het betrof een grote hoeveelheid verdovende middelen. Het ging bij het onder 1 ten laste gelegde niet om 392, maar om 292 gram van een materiaal bevattende amfetamine en/of methamfetamine. Het rapport van het NFI heeft aangetoond dat het om amfetamine ging. De ODV-test heeft uitgewezen dat hetgeen in beslag is genomen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, hennep betrof. De beschrijving van het doel van de aangetroffen vulschoen en vliegwiel is duidelijk. De vraag is in hoeverre verdachte aansprakelijk kan worden geacht voor de aanwezigheid van de verdovende middelen. Verdachte heeft verklaard dat een mevrouw die hij kende, [naam], spullen bij hem wilde bergen en dat hij dat goed vond. Verdachte heeft verklaard in de emmers, dan wel zakken gekeken te hebben, maar daarbij dacht hij niet aan verdovende middelen. Althans, dat wil hij de rechtbank doen geloven. Dat verdachte ter terechtzitting op details anders heeft verklaard dan bij de politie is niet verwonderlijk, nu de feiten zich ruim 2,5 jaar geleden hebben afgespeeld. Verdachte wist echter dat het niet in de haak was. Dit blijkt onder meer uit de opmerking die hij maakt als de politie bij hem voor de deur staat. Hij zegt dan direct dat het wel zal gaan om de spullen die de mevrouw uit [plaats] heeft gebracht. Verdachte had zich rekenschap moeten geven van hetgeen in de zakken en emmers zat. Iedereen wordt geacht op de hoogte te zijn van hetgeen men herbergt en ten aanzien van wat voor goederen men toestemming geeft aan iemand anders om het te herbergen. Dit geldt temeer gezien de grote hoeveelheid van de aangetroffen verdovende middelen. Er is sprake van voorwaardelijk opzet bij verdachte op het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Voor het onder 3 ten laste gelegde dient vrijspraak te volgen. Er is geen bewijs dat verdachte wist dat de vulschoen en/of het vliegwiel diende voor het vervaardigen van verdovende middelen. Er zijn tevens niet voldoende aanknopingspunten om te stellen dat verdachtes voorwaardelijk opzet daarop gericht was, nu aan de hand van het uiterlijk van de goederen niet direct blijkt waarvoor zij zijn bestemd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De onder 1 ten laste gelegde hoeveelheid is inderdaad niet juist. Het betrof 267 gram, dan wel de 292 gram die door de officier van justitie is aangevoerd. Het gaat daarbij om de vraag of er sprake is van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen. Dat is hier niet aan de orde. Er is tevens geen sprake van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft in een zak of emmer een suikerachtige substantie gezien. Hij dacht echter dat het ging om een substantie die kan worden gebruikt voor het mengen van veevoer. Hij kende mevrouw [naam] al erg lang. Zij was aan het verbouwen en heeft verdachte verzocht om enkele goederen bij hem te mogen bewaren. Verdachte had geen reden om haar te wantrouwen en hoefde daar ook niet verder bij na te denken. Door mevrouw [naam] is misbruik gemaakt van de goedgelovigheid en naïviteit van verdachte. Verdachte kende het circuit waarin zij blijkbaar verkeerde niet. Vrijspraak dient te volgen. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de verdediging het eens met de officier van justitie. Aan de hand van de beschrijving van de voorwerpen, is niet duidelijk waarvoor zij zijn bestemd en wat ermee vervaardigd kan worden. Voor feit 3 dient om die reden tevens vrijspraak te volgen.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 en 3 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het strafdossier blijkt dat er op 6 oktober 2006 een anonieme melding bij de politie is binnengekomen ten aanzien van een xtc lab bij [naam] te [plaats] en dat bij [naam] onder andere een tas met pillen wordt aangetroffen. [naam] heeft vervolgens verklaard dat de verdovende middelen het bezit zijn van mevrouw [naam] en dat zij hem had gevraagd de spullen voor haar te herbergen. Op 23 oktober 2006 heeft [naam] verklaard dat een deel van de machine voor het vervaardigen van verdovende middelen naar Venray is gebracht en in schuur [nummer] van [verdachte] staat. Op 24 oktober 2006 gingen verbalisanten naar de woning van verdachte. Aan verdachte werd uitgelegd dat er goederen in zijn berging waren gelegd en dat verbalisanten in die berging wilden kijken. Verdachte antwoordde – na deze uitleg – ‘oh, wat die mevrouw uit [plaats] heeft gebracht’ en gaf toestemming om in zijn bergingen nummers [nummer] en [nummer] te kijken. In de bergingen van verdachte werd onder meer een grote hoeveelheid verdovende middelen en de onder 3 ten laste gelegde vulschoen en vliegwiel aangetroffen. Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat de aangetroffen goederen door mevrouw [naam] en anderen in de berging waren gelegd. Zij had hem opgebeld en gevraagd of zij spullen bij hem mocht opbergen. Omdat verdachte haar al ruim 20 jaar kende en een goed contact met haar had, is hij akkoord gegaan, zonder te vragen wat voor goederen het betrof. Jij heeft haar nooit in verband gebracht met drugs. [naam] heeft zich tijdens de verhoren op haar zwijgrecht beroepen.

De rechtbank overweegt dat moet worden beoordeeld of er sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid verdovende middelen en de onder 3 ten laste gelegde vulschoen en/of vliegwiel. Uit het strafdossier blijkt niets dat aanleiding geeft om aan de verklaringen van verdachte, zoals die bij de politie en ter zitting zijn afgelegd, te twijfelen, te meer nu zijn verklaring deels wordt ondersteund door de verklaring van [naam]. De rechtbank acht derhalve verdachtes verklaringen aannemelijk. Uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij niet wist dat in zijn berging de ten laste gelegde goederen en verdovende middelen lagen. Er was derhalve geen sprake van opzet bij verdachte.

Voor voorwaardelijk opzet is vereist dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat de goederen die mevrouw [naam] bij hem had opgeborgen verdovende middelen betroffen, heeft geaccepteerd. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verdachte kende [naam] al 20 jaar. Zij gingen vriendschappelijk met elkaar om, zoals blijkt uit de verklaring van verdachte ter zitting dat zij vaak tezamen met anderen dronken en aten. Het verzoek om spullen van haar in zijn bergingen op te bergen, was in de ogen van verdachte dan ook niet vreemd en hoefde dat ook niet te zijn. Het is naar het oordeel van de rechtbank tevens niet verwonderlijk dat verdachte niet aan haar heeft gevraagd wat voor goederen het betrof. Hij vertrouwde haar. De goederen waren bovendien alle verpakt en de verpakking was gesloten, waardoor er ook geen kenmerkende geur van verdovende middelen is verspreid. Verdachte heeft verklaard dat hij in één van de emmers heeft gekeken en dacht dat er suiker in zat. De rechtbank stelt vast dat uit het NFI-onderzoek blijkt dat het gestalde goed grotendeels uit sorbitol bestond. Tevens heeft verdachte verklaard in de zak met het vliegwiel te hebben gekeken. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen wetenschap had van enige betrokkenheid van mevrouw [naam] bij drugs, aannemelijk. Het enkele feit dat het gaat om een grote hoeveelheid verdovende middelen is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende voor de aanwezigheid van voorwaardelijk opzet. Bij het zien van de veronderstelde suiker hoefde verdachte dan ook niet gealarmeerd te zijn. Evenmin mocht van hem worden verwacht dat hij het vliegwiel in verband zou brengen met een tabletteermachine ten behoeve van de vervaardiging van drugs. Nu het opzet bij verdachte ontbreekt, dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vonnis gewezen door mrs. F. Oelmeijer, M.J.H. van den Hombergh en C.C.W.M. Aretz, rechters, van wie mr. M.J.H. van den Hombergh, voornoemd, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L. van der Sanden als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank voornoemd op 11 maart 2009.

Mr. C.C.W.M. Aretz is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.