Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH5427

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
02-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
04/620122-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan twee overvallen en een oplichting, waarbij verdachte telkens naar een homo-ontmoetingsplaats is gegaan om deze feiten te plegen.

Ook heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing. Verdachte ontkent alle feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/620122-08

Uitspraak d.d. : 2 maart 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in het huis van bewaring te [detentieadres].

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2009 en 16 februari 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 mei 2008 tot en met 11 juni 2008 in de gemeente Roermond, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld (telkens) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen, dat hij bij

iemand over een voet was gereden en hiervoor Euro 2.500,-- moest betalen en/of dat het heel erg zou zijn indien zijn mooie blonde vrouw en zijn kinderen iets zou overkomen en/of uit het dreigend een vuurwapen, althans een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd zetten van althans richten op die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) op dreigende toon zeggen: "Geld, geld, geld";

artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

hij op of omstreeks 11 juli 2008 te Horn, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille,

een aantal bescheiden, twee pakjes sigaretten, een tube zalf, een aantal snoepjes en een gsm-houder, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld heeft bestaan uit het (om de nek) vastpakken van die [slachtoffer 2]

en/of uit het spuiten van een brandende althans bijtende vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer 2] en/of uit het slaan en/of schoppen van die [slachtoffer 2];

artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

hij op of omstreeks 26 juni 2008 te Horn, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zaklamp, een

verrekijker, een pillendoosje en een portemonnee onder meer inhoudende een giropas, een rijbewijs, pasfoto's en een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 3] en/of uit het (daarbij) op dreigende toon zeggen: "Je gaat met mij pinnen";

artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

hij op of omstreeks 06 september 2008 in de gemeente Nederweert, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee, onder meer inhoudende een ID-kaart, een bankpas, een telefoon en een hoeveelheid geld, in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het spuiten

van een brandende althans bijtende vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer 4] en/of uit het (daarbij) op dreigende toon tegen die [slachtoffer 4] zeggen: "Geen politie bellen";

artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht;

5.

hij op of omstreeks 24 juni 2008 te Horn, in elk geval in de gemeente Leudal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 300,--, in elk geval een

hoeveelheid geld, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - vals en/of listig en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat zij/hij van de zedenpolitie was/waren en/of zich als (een) politiefunctionaris(sen) hebben gelegitimeerd en/of tegen die [slachtoffer 5] gezegd

dat hij een proces-verbaal kreeg en/of dat hun/zijn baas het goed vond dat hij er door betaling van Euro 300,-- van af zou komen, waardoor die [slachtoffer 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 16 februari 2009 gevorderd dat de ten laste gelegde feiten bewezen zullen worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft een pleitnota overgelegd; de rechtbank verwijst naar die nota.

7.2 Vrijspraakoverwegingen feit 4 van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen het aan de verdachte sub 4 ten laste gelegde feit, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte wordt verweten dat hij op 6 september 2008 samen met een ander in de gemeente Nederweert het [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot afgifte van een aantal goederen en van geld.

Uit de stukken en het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat bij deze afpersing gebruik is gemaakt van een personenauto, merk Renault, kleur zwart en dat deze afpersing heeft plaatsgevonden te Nederweert.

De rechtbank constateert dat bij de andere aan verdachte ten laste gelegde overvallen telkens gebruik is gemaakt van een personenauto, merk Toyota Starlet, kleur rood en dat die overvallen telkens hebben plaatsgevonden op een

homo-ontmoetingsplaats op of nabij de Defensieweg te Horn. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat de bij de afpersing van [slachtoffer 4] gehanteerde modus operandi te weinig specifiek is van aard om hieraan een conclusie te verbinden ten aanzien van dit feit. Bij een gehouden fotoconfrontatie heeft het slachtoffer de daders, waarvan hij bij de politie een duidelijk signalement heeft gegeven, niet herkend.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor dit feit, gelet op het voorgaande, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om te komen tot een veroordeling, hoewel de rechtbank het wonderlijk vindt dat met de bij het [slachtoffer 4] afgeperste telefoon een ander slachtoffer is gebeld. Dat doet op zijn minst de wenkbrauwen fronsen, maar dit enkele feit is onvoldoende om tot een veroordeling te komen.

7.3 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.3.1 Samenvatting bewijsmiddelen feiten 1, 2, 3 en 5 en oordeel rechtbank

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hierna opgenomen bewijsmiddelen verwijzen naar de doorlopende paginanummering rechts onderaan in het in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde verbalisanten [verbalisant 1], brigadier van politie en [verbalisant 2], hoofdagent van politie, beiden behorende tot de recherche eenheid Midden-Limburg, regiopolitie Limburg-Noord opgemaakte proces-verbaal, genummerd 08-004649 d.d. 14 december 2008 (pagina 11 tot en met 62).

ten aanzien van feit 1 [slachtoffer 1]

1. de verklaring van aangever [slachtoffer 1]

Op 11 mei 2008, omstreeks 02.00 uur, werd ik gebeld door mijn ex-vriendin [medeverdachte]. Zij vertelde mij dat zij in de problemen zat en vroeg mij haar op te halen bij camping Heelderpeel te Heel. Nadat ik gestopt was bij de camping is [medeverdachte] bij mij in de auto gestapt. Direct achter haar rende een man met een stok of een knuppel of iets dergelijks in zijn hand. Hierop ben ik samen met [medeverdachte] snel weggereden.

[medeverdachte] heeft mij in de auto verteld dat de man die met dat ding in zijn handen kwam aangerend haar vriend was. Zij heeft mij verteld dat die jongen met de voornaam [verdachte] heet. Ik heb [medeverdachte] aansluitend in de buurt van een kruispunt met verkeerslichten voor de Heelderpeel uit de auto gezet.

Later op die dag ben ik naar Bruggen gegaan. Daar werd ik door mijn vrouw gebeld, die mij vertelde dat er twee heren bij haar aan de deur stonden die mij wilde spreken. Ik heb haar gezegd dat ze mij konden bellen.

Ik werd vervolgens die dag gebeld door een Nederlands sprekende persoon die ik 'meneer incasso' zal noemen. Die vertelde mij dat ik over een voet had gereden en dat zij dit niet zomaar voorbij konden laten gaan. Dat betekende dat ik moest betalen om dit recht te zetten. Ik concludeerde dat het de voet geweest moest zijn van die [verdachte] nadat ik [medeverdachte] die nacht heb opgepikt bij de Heelderpeel. 'Meneer incasso' zei dat ik hiervoor een bedrag van € 2.500,-- moest betalen.

Ik heb die man verteld dat ik niet wist waarover hij het had. Hij bleef er heel duidelijk bij dat er betaald moest worden. De toon werd in de eerste zin al gezet.

Deze man bleef maar bellen. Het werd steeds dreigender. Hij sprak bijvoorbeeld over mijn mooie blonde vrouw en mijn kinderen en dat het heel erg zou zijn als hun iets zou overkomen.

'Meneer incasso' bleef aan de gang, waarna ik heb besloten om te betalen.

Ik heb met die man nog onderhandeld en kwam toen van € 2.500,-- tot € 1.000,--

Ik had echter maar € 900,--. Ik ben hiermee naar het Outletcenter in Roermond gereden. Ik zou daar iemand treffen. Ik heb toen € 900,-- betaald aan een mannelijk persoon die alleen was. Deze man zag er als volgt uit:

- blank;

- korte haren, donker blond;

- normaal postuur en uiterlijk - ik schat begin 30 jaar - sprak Limburgs dialect.

Hij zat in een auto. Ik meen een rode Ford Escort of Sierra met Nederlandse kentekenplaten. Volgens mij was het de vriend van [medeverdachte]. Hij heeft het geld aangenomen en verder niets gezegd.

Omstreeks 20 mei 2008, werd ik weer gebeld door 'meneer incasso'. Ik moest nog

€ 1.500,-- betalen. Ik ben uiteindelijk weer naar het outletcenter in Roermond gegaan. Daar op de parkeerplaats heb ik dezelfde persoon ontmoet als de eerste keer. Hij was weer met de rode auto. Ik heb hem een bedrag van € 1.500,-- overhandigd. Ik heb hem nog gevraagd of het nu klaar was. Hij bevestigde dat.

Ik heb het geld uiteindelijk betaald vanwege de bedreigingen die in mijn richting kwamen.

Op 10 juni 2008 werd ik weer gebeld door mijn ex-vriendin [medeverdachte].

Zij heeft mij gevraagd om naar de wijk Leeuwen te komen om met haar te praten.

Ik ben naar haar toe gereden. Ik kwam daar aan en [medeverdachte] stond naast de weg. Ik stopte bij haar en zij trok de passagiersdeur open. Op dat zelfde moment duwde 'meneer incasso' haar aan de kant. Hij kwam uit de struiken en richtte een pistool op mij.

Hierna kreeg ik het pistool echt tegen mijn slaap gedrukt. “Geld, geld, geld”, riep hij. Ik had € 30,-- tot € 50,-- bij mij. Dat was natuurlijk niet genoeg en ik moest gaan pinnen.

Ik herkende de stem van die man. Het was dezelfde stem als die ik inmiddels diverse malen via de telefoon had gehoord. ‘Meneer incasso’ zag er als volgt uit:

- blanke man;

- 185 tot 190 centimeter groot;

- gespierd, kaal, petje, Rotterdams accent; - zeer agressief;

- ongeveer eind 30 jaar.

Ik ben hierna met [medeverdachte] en ‘meneer incasso’ naar de pinautomaat van de Rabobank in de wijk Maasniel (gemeente Roermond) op de Hoekstraat 3 gereden. Onderweg werd het pistool door ‘meneer incasso’ tegen mijn rechterzij gehouden. Ik was bang. Bij de Rabobank heb ik hierna van 2 rekeningen gepind. Ik heb het geld onder bedreiging van het vuurwapen aan ’meneer incasso’ gegeven.

Onderweg terug vroeg [medeverdachte] aan ‘meneer incasso’ nog: “Hij krijgt toch wel zijn auto terug?”

2. de aanvullende verklaring van aangever [slachtoffer 1]

’Meneer incasso’ is niet de vriend van [medeverdachte]. Deze incasso is ingeschakeld door de vriend van [medeverdachte]. De vriend van [medeverdachte] is [verdachte]. [verdachte] en ‘meneer incasso’ hebben bij mij aan de deur gestaan. Ik weet dit omdat ze mij dit zelf hebben gezegd. Incasso kreeg ik aan de telefoon om te vertellen dat ik moest betalen. Een van die heeft mij gezegd dat ik over de voet had gereden en daarom moest betalen.

Op het parkeerterrein van het Outletcenter heb ik € 900,-- betaald. Die jongen waar ik het geld aan betaalde leek veel op die jongen die, in het donker, naar mijn auto kwam gerend toen [medeverdachte] instapte.

Ongeveer 1½ week later ben ik wederom gebeld. ‘Meneer incasso’ kwam dreigend en intimiderend over. Hij sprak hoog Nederlands en zover ik kon inschatten was hij zeker geen Limburger of Brabander.

Nadat ik was gestopt kwam ‘meneer incasso’ uit de struiken. [medeverdachte] moest achterin gaan zitten. Het pistool is tegen mijn slaap gedrukt en er is geroepen "Geld, geld, geld." Het was een echt wapen. Het was zwaar metaal. Nadat ik het pistool tegen mijn slaap kreeg gezet voelde ik dat het van metaal was.

Op weg naar het pinnen is niks gezegd, hooguit heb ik gezegd dat ik links of rechts moest. Het was mij duidelijk dat die man niet bekend was ter plaatse want hij vroeg mij hoe ver het nog was naar de pinautomaat. Ik merkte aan die man dat hij zich niet op zijn gemak voelde. Die avond was die man ook het meest agressief van al die keren dat ik hem heb gehoord. Tijdens de rit naar de pinautomaat heeft [medeverdachte] niks gezegd. Ik heb het niet gezien maar volgens mij heeft zij mogelijk een klap gekregen met het wapen nadat zij achterin moest stappen in mijn auto.

Na het pinnen heeft ‘meneer incasso’ het geld aangenomen.

3. de verklaring van [medeverdachte]

Op 11 mei 2008 zat ik op camping Heelderpeel. Die dag had ik afgesproken met [slachtoffer 1]. Ik had op dat moment nog niet zo lang een relatie met [verdachte]. [slachtoffer 1] heeft mij opgehaald op de camping. Ik stond aan de kant van de weg. Op een gegeven moment kwam [verdachte]. Nadat [slachtoffer 1] [verdachte] zag is hij meteen weggereden. Ik zat bij [slachtoffer 1] in de auto toen [verdachte] kwam. [slachtoffer 1] heeft mij later weer afgezet, volgens mij bij de camping.

Op 10 juni 2008 reed ik ’s avonds ergens met de auto van [verdachte]. Dat was een rode auto. Ik zag toen [slachtoffer 1] rijden. Ik heb hem gebeld omdat ik geen drugs had. Wij spraken af op het industrieterrein in Roermond. Ik was alleen. Ik heb daar de auto geparkeerd en ben bij [slachtoffer 1] in de auto gestapt. Ik stapte aan de bijrijderskant in naast [slachtoffer 1]. Er stapte gelijk een ander persoon achter in de auto. Hierna kreeg ik van achteren een knal voor mijn kop. Die man riep: "trut." Het was een man die hoog Hollands sprak. Hij zei dat ik mijn kop moest houden of zo iets.

Die man had iets hards bij zich.

4. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 3]

Ik verklaar het volgende: Sinds 1 april 2008 wordt door de Bovenregionale Recherche Zuid-Nederland een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam, 22BZ8064 tegen [getuige 1].

Tijdens het telecommunicatieonderzoek bleek dat voornoemde [getuige 1] regelmatig contact had met een persoon die door hem [slachtoffer 1] of [slachtoffer 1] werd genoemd en die zichzelf [slachtoffer 1] noemde. Deze persoon maakte gebruik van twee telefoonnummers. Een mobiel telefoonnummer, [telefoonnummer], was afgegeven op naam van [slachtoffer 1], [adres]. Met betrekking tot het andere nummer werd de stem herkend als dezelfde persoon die gebruik maakte van het andere nummer en zich ook kenbaar maakte als [slachtoffer 1], maar ook [slachtoffer 1] wordt genoemd.

Blijkens de Gemeentelijke Basis Administratie is op voornoemd adres woonachtig [slachtoffer 1].

Gesprekken onderzoek

Gespreksgegevens, tijdstip 11 mei -2008 22:51:46

Met nummer [telefoonnummer]

Tenaamstelling [slachtoffer 1] [adres]

Beller nn man die zich [slachtoffer 1] noemt

Gebelde [getuige 1]

[getuige 2] wordt gebeld door nn man die zich [slachtoffer 1] noemt.

[slachtoffer 1] vraagt is [getuige 1] er. [getuige 2] roept schat. [getuige 1]s neemt de telefoon over. [slachtoffer 1] vraagt kan ik even een rootje (fonetisch) lenen. [getuige 1] zegt dat heb ik denk ik niet hier. [slachtoffer 1] vraagt wat heb je wel. [getuige 1] zegt ik denk een 500. [slachtoffer 1] zegt daar ben ik misschien al mee geholpen, ik zal eens kijken wat ik kan pinnen, ik moet iemand een rootje betalen. [slachtoffer 1] zegt ik word gewoon afgezet. [getuige 1] zegt wat hoe kan dat dan. [slachtoffer 1] zegt een of ander incassobureau. [getuige 1] vraagt hoe kan dat dan. [slachtoffer 1] zegt dat "ze" straks al bij [echtgenoot slachtoffer 1] en zijn kindjes aan de deur zijn geweest. [getuige 1] vraagt van die schooiers? [slachtoffer 1] zegt ja van de schooiers. [getuige 1] zegt zeg me wie. [slachtoffer 1] zegt ik ken die niet. Ik heb ook geen telefoonnummer "zij" bellen mij. [slachtoffer 1] zegt dat komt allemaal van gisteravond van [medeverdachte] (fonetisch) die belde me op ik sta daar en daar en ik wilde die toen ophalen. Ik rij daar heen. Die stappen in en daar komt ene aanrennen. Dus ik geef gas en rij weg. Die had een stok over zijn handen of weet ik veel. Nou heb ik een rondje met die gereden. Op een gegeven moment heb ik tegen [medeverdachte] gezegd dat ik hier geen zin in had. Op een gegeven moment een telefoontje van een jong die zei: "je wilt mijn wijf neuken daar kom je wel achter." [getuige 1] zegt [slachtoffer 1] ik zeg dit als kameraad zijnde. Betaal niets want dan heb je een probleem. [slachtoffer 1] zegt ja [getuige 1] hoe leg ik dat [echtgenoot slachtoffer 1] uit die schijt nou al in de broek van angst. Ik betaal liever dat rootje en dan ben ik er vanaf. [getuige 1] zegt ja denk je dat. [slachtoffer 1] zegt ja. Hij wilde eigenlijk 5 rootjes hebben. Ik heb gezegd ja hallo Piet je bent helemaal maf man. Ja zei die jongen denk ja dat ik voor niets kom, ik kom dadelijk wel weer naar Swalmen toe. [slachtoffer 1] zegt wat denk je dat de familie dadelijk denkt nou die [slachtoffer 1] is goed bezig zeg, die zal wel bij een illegale bank hebben geleend en zo die bedrijven kopen. Dat kan ik nu niet hebben. [getuige 1] zegt die [medeverdachte] is een echt slampenij (fonetisch). Blijf bij die uit de buurt. [slachtoffer 1] zegt dat doe ik ook maar ze belde mij in paniek. Ik ga even kijken ik bel je zo even terug.

Gespreksgegevens, tijdstip 11 mei -2008 23:03:12

Met nummer [telefoonnummer]

Tenaamstelling [slachtoffer 1] [adres]

Beller nn man die zich [slachtoffer 1] noemt

Gebelde [getuige 1]

[getuige 1] wordt gebeld door nn man die zich [slachtoffer 1] noemt.

Het gesprek wordt woordelijk uitgewerkt. M = [getuige 1] en R = nn man [slachtoffer 1]

M Ja

R Ja [slachtoffer 1]

M ja

R Ik heb 7 meierkes (fonetisch) nodig

M Daar kan ik je niet mee helpen. 500 kan ik je mee helpen. Meer dat eh dat heb ik niet hier nu.

R Ehem

M Als ik wat meer hier heb kun je wat meer hebben maar ik heb niet meer hier

R Ehem

M Dan heb ik eh precies niets meer in de zak.

R Ja ja ja

M Maakt mij niets uit

R Ik kom die even halen, goed?

M Ja ja is goed jong

R Oke tot zo

M Jo hoi

R hoie

5. de verklaring van getuige [echtgenoot slachtoffer 1]

Het was 1 of 2 dagen voordat er bij ons werd ingebroken in de woning. De datum weet ik zo even niet. Ik kreeg die KALE toen voor de tweede keer aan de telefoon. Weer sprak ik die KALE aan de vaste telefoonlijn en zag ik het 020 nummer. Ik hoorde dat die KALE toen tegen me zei: “Je kent me nog wel want ik ben bij jou aan de deur geweest. Je moet de ramen eens wassen anders dan zal ik de echte ramenwasser eens sturen”. Wat hij daarmee bedoelde weet ik niet. Nu weet ik dat hij daarmee bedoelde dat er zou worden ingebroken. Een dag of twee later werd ons badkamerraam (thermopane) ingeslagen en werd in onze woning ingebroken.

ten aanzien van feit 2 [slachtoffer 2]

6. de verklaring van getuige [slachtoffer 2] op 5 augustus 2008

Op 11 juli 2008 tegen 22.30 uur, denk ik, was ik op de Defensieweg in Horn. Ik was daar met mijn personenauto, merk Daewoo.

Nabij de overgang van de Defensieweg naar de Napoleonsbaan zag ik een rode auto staan. Ik stopte er naast. Met de man in die auto maakte ik een afspraak voor contact. Verder zag ik niemand in die auto.

We spraken af dat wij voor de ingang van de weg tegenover het Waterzuiveringsstation op de Baexemerweg contact zouden hebben. Nabij die plaats is die man rechts in mijn auto gaan zitten. Hij pakte mij rondom mijn nek in een soort wurggreep en met de andere hand spoot hij mij een vloeistof in mijn gezicht. Dat deed pijn en brandde erg op mijn huid en in mijn ogen. Ik kon niets meer zien. Die man bleef mij vastpakken en bleef in mijn gezicht spuiten. Ik wilde wegkomen naar links en maakte mijn portier open. Ik bewoog richting buiten. Die man bleef zich aan mij vastklampen en ging op die wijze met mij mee naar buiten. Ik kwam op de grond terecht, links naast de auto. Die man had mij nog steeds vast. Hij lag over mij heen. Ik moest mijn ogen afwenden, richting grond, om te voorkomen dat ik weer in mijn gezicht gespoten werd. Hij trachtte om mijn hoofd te draaien, hij bleef spuiten op mijn hoofd en mijn gezicht. ik voelde ook dat die man mij, kennelijk met een vuist, behoorlijk hard op mijn achterhoofd sloeg. Dat deed pijn. Op zeker moment schopte die man mij. Dat is gebeurd vlak nadat ik uit de auto was. Hij raakte mij tegen mijn benen of in mijn zijde, dat weet ik niet meer. Ik ben hierna op de grond terechtgekomen. We hebben op de grond gevochten. Opeens stopte hij en hij liep rechtstreeks naar zijn auto. Ik zag hem achter het stuur stappen en wegrijden. Ik ben naar het parkeerplaatsje bij het aanwijsbord op de Defensieweg gereden.

Daar is het licht en zag ik dat het handschoenenkastje van mijn auto open stond. Ik zag dat daaruit was weggenomen kopieën van mijn rijbewijs en van het kentekenbewijs van mijn auto, mijn portefeuille, met daarin twee briefjes van mijn dochter, twee pakjes sigaretten, een tube Koolteerzalf, een paar snoepjes en een gsm-houder met aansluitkabel.

7. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 4]

Betreft: aanvulling verhoor [slachtoffer 2].

Tijdens het verhoor van 5 augustus 2008 verklaarde [slachtoffer 2] ook:

Het handschoenenkastje moet door een tweede persoon zijn leeggehaald. Terwijl die man mij in de auto vasthad en buiten met mij vocht, kan hij de spullen uit het handschoenenkastje niet hebben weggenomen. Ook tevoren niet. Er moet dus een tweede persoon geweest zijn. Mogelijk dat die in de rode auto van die man plat op de bank gelegen heeft op zo. Ik heb geen tweede persoon gezien. Ik heb die man wel eens eerder gezien in die rode auto, en toen was er een vrouw bij met lang zwart haar. Nadat die man met de rode auto mij overvallen had en hij achteruit de weg op reed heb ik het kenteken van die auto gezien: [kenteken].

8. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]

Op 12 juli 2008 waren wij belast met de noodhulpsurveillance in het werkgebied van de basiseenheid Leudal-Maasgouw.

Omstreeks 01.13 uur die dag kregen wij opdracht te gaan naar de Defensieweg te Horn. Aldaar zou een man staan die zou zijn geslagen, geschopt en de papieren zouden van hem zijn gestolen. Tevens zou deze man met pepperspray in het gezicht zijn gespoten. Hierop zijn wij ter plaatse gegaan.

Omstreeks 01.29 uur waren wij ter plaatse, alwaar wij werden aangesproken door een man die later opgaf te zijn genaamd: [slachtoffer 2].

Wij hoorden dat deze man zei: "Ik ben door een man in elkaar geslagen, ik ben aangevallen, geschopt en geslagen, mijn papieren zijn afgenomen en ik ben gepepperd”, of woorden van gelijke strekking.

Wij zagen dat [slachtoffer 2] een aantal schrammen in zijn gezicht had zitten en dat het gezicht was geïrriteerd en er rood uit zag. Wij hoorden dat [slachtoffer 2] zei dat de dader reed in een rode Toyota Starlet, kenteken [kenteken].

9. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 6]

Op 17 juli 2008 verscheen [slachtoffer 2] aan het bureau. Hij kwam ter zake een beroving die op 12 juli 2008 had plaatsgevonden op de Beaxemerweg te Horn. [slachtoffer 2] kon een signalement geven van de vermoedelijk dader.

Hij omschreef hem als volgt:

- donker blond haar;

- een blank gelaat;

- leeftijd van ongeveer 20 en 25 jaar;

- ongeveer 1.70 meter groot;

- normaal postuur;

- sprak met een Limburgs accent.

10. de verklaring van de getuige [getuige 3] op 21 juli 2008

Ik ben een regelmatige bezoeker van de homo-ontmoetingsplaats, gelegen aan de Defensieweg te Horn. Ongeveer 3 à 4 weken geleden was ik op de Defensieweg, omstreeks 01.00 uur. Ik zag een auto aan komen rijden en stoppen aan de rechter kant van de weg. Ik zag dat deze auto een Toyota was, type Starlet in de kleur rood. Ik zag dat er een tweede auto aan kwam rijden. Dit betrof een volkwagen Polo. Deze auto reed de rode auto voorbij en stopte voor de Starlet. Even later reden ze achter elkaar weg. Ik denk dat ongeveer 15 minuten later dezelfde Polo terug kwam rijden. Ik zag dat de bestuurder ongeveer 30 à 40 meter voor ons stopte en ik hoorde dat de bestuurder tegen ons zei: "Ik ben mijn beurs kwijt." Volgens mij zei hij dat hij ook geld en een telefoon kwijt was. Hij zei dat de bestuurder van de rode Starlet tegen hem had gezegd dat hij van de zedenpolitie was en dat er ook een meisje uit de rode Starlet was gestapt. Dezelfde dag ’s avonds zag ik de rode Starlet weer aan komen rijden. Ik heb het kenteken van deze rode Toyota Starlet, [kenteken], genoteerd.

Onder de bezoekers van de homo-ontmoetingsplaats is rond verteld dat er een rode Toyota Starlet rond rijdt en dat ze gisterenavond iemand overvallen hebben en dat ze zeiden dat ze van de zedenpolitie waren. Na dit incident heb ik eigenlijk alle keren dat ik er was dat autootje voorbij zien rijden. In de week van 7 tot en met 11 juli heb ik de jongen van de Starlet echt goed gezien. Als ik hem terug zou zien zou ik hem wel terug herkennen. Ondertussen noemde ik deze jongen en het meisje "het koppeltje van de Starlet".

In de nacht van 11 juli op 12 juli 2008 was ik weer op de Defensieweg.

Ik zag een auto aan komen rijden met daarin een mij bekende man. Ook hij is een regelmatige bezoeker van homo-ontmoetingsplaats. Hij heet [slachtoffer 2] (fonetisch) Deze auto stopte midden op de weg. Ik reed weg.

Ik werd hierna gebeld door een andere bezoeker van de homo-ontmoetingsplaats, die mij zei dat het rode Starletje weer de Defensieweg op kwam rijden. Daarna heb ik beide voertuigen, zowel de auto van [slachtoffer 2], als de rode Starlet, niet meer gezien. Ik ben doorgereden richting het AZC. We zijn daar op een parkeerplaats gaan staan.

Op een bepaald moment kwam [slachtoffer 2] weer terug. Ik denk dat het ongeveer 20 minuten later was. Ik zag dat hij stopte. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat hij overvallen was. Ik hoorde dat hij zei: “Jullie hebben mij nog gewaarschuwd voor deze auto met deze bestuurder." Ik zag dat [slachtoffer 2] een wondje op zijn neus had. Hij vertelde dat hij pepperspray in de ogen had gekregen. Ik zag dat zijn ogen aan het tranen waren. [slachtoffer 2] vertelde dat de bestuurder van de rode Starlet bij hem in de auto ingestapt was en dat de bestuurder vervolgens even weg was gegaan. Op het moment dat hij weer terugkwam, had hij hem direct met pepperspray in de ogen gespoten. Ook vertelde hij dat hij van de jongen van de Starlet klappen had gekregen. Ik heb daarna de politie gebeld.

11. de verklaring van [moeder verdachte], geboren [geboortedatum]

Ik ben de moeder van [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Vanaf maart 2008 tot ongeveer september 2008 heeft [verdachte] omgang gehad met een meisje, dat met de voornaam [medeverdachte] heet.

[verdachte] heeft gebruik gemaakt van mijn auto. Dit was een rode Toyota. Het type was volgens mij Starlet. [verdachte] heeft het laatste half jaar deze auto gebruikt. Hij gebruikte de auto best veel. Ik zie in mijn agenda dat wij [verdachte] op 23 juli 2008 deze auto hebben afgenomen.

12. het proces-verbaal bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

Het volgende wordt gerelateerd.

Toyota Starlet [kenteken]

Blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer te Veendam was het kenteken [kenteken] afgegeven voor een rode Toyota Starlet 1.3. Dit kenteken was van 23 juni 2006 tot en met en 25 juli 2008 op naam gesteld van [moeder verdachte], geboren op [geboortedatum], wonende te Linne, [adres].

In het politieregistratiesysteem (BPS) werd diverse malen melding gemaakt dat [verdachte], geboren op [geboortedatum] gebruik maakte van de rode personenauto, Toyota Starlet, kenteken [kenteken]. Het kenteken van dit voertuig was op naam gesteld van zijn [moeder verdachte].

Tijdens het onderzoek naar de berovingen op de homo-ontmoetingsplaats aan de Defensieweg te Horn werden diverse getuigen gehoord.

Door de getuige [getuige 3] werd verklaard dat hij op de Defensieweg te Horn was aangesproken door een man met een groene volkswagen Polo (aangever [slachtoffer 3]), die overvallen was door de bestuurder van een rode Starlet.

[getuige 3] verklaarde dat hij begin juli 2008 het Starletje had gezien bij tankstation De Haan te Baexem en dat hij, zoals hij het noemde, het koppeltje van de Starlet daarbij had gezien.

Voorts verklaarde [getuige 3] dat hij op 12 juli 2008 om 00.23 uur de politie had gebeld omdat [slachtoffer 2] was overvallen door de bestuurder van de Rode Toyota Starlet.

Tonen foto's

Aan de getuige [getuige 3] werden twee politie foto's getoond.

Het betrof hier de foto's van [verdachte], geboren op [geboortedatum] (foto PL2340:05:170) en [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] (foto PL2330:00:133).

[getuige 3] verklaarde de man te herkennen en verklaarde dat de vrouw nu minder lang zwart haar had.

ten aanzien van feit 3 ([slachtoffer 3])

13. de verklaring van aangever [slachtoffer 3]

Ik ben op donderdag 26 juni 2008 omstreeks 00.00 uur beroofd door een jongen en een meisje die zich uitgaven voor de zedenpolitie Leudal.

Op 25 juni 2008 ben ik in mijn Volkswagen Polo naar de Beegderveld te Horn gereden en daarna - na 24.00 uur - naar de Defensieweg. Op deze weg zag ik een man staan die zijn hand omhoog stak en mij een stopteken gaf. Ik stopte niet en ben doorgereden naar een boerderij aan de Baexemerweg te Horn. Daar heb ik mijn auto geparkeerd. Ik ben daar uitgestapt en zag een rode Toyota. Hierna wilde ik wegrijden, maar zag vervolgens de rode Toyota achter mijn auto staan. Hierdoor blokkeerde de bestuurder van die auto mij de uitgang en kon ik niet weg. Ik zag dat een jongen uitstapte. Ik hoorde dat de jongen tegen mij zei: "politie Leudal" of woorden van gelijke strekking. De jongen liet mij een pasje zien en riep collega, collega. Ik zag dat er een meisje uit de auto kwam. Ik zag dat het meisje papieren van de politie vast hield. Dit was een map met daarop het politie logo gedrukt. Het meisje zei tegen mij: "U krijgt een proces-verbaal van € 300,-- omdat u zich daar ophoudt." Ik schrok hiervan en zei dat ik weg wilde en dat ik geen geld bij mij had. Hierop gaven zij als antwoord: "Dan gaan we pinnen." Terwijl de man met mij aan het praten was, zei hij tegen het meisje: "Onderzoek de auto om te kijken of er verboden spullen in liggen." Ik zag dat het meisje in mijn auto kroop. Ik zag dat zij met een zaklamp door de auto scheen. De jongen hield mij ondertussen vast aan mijn arm. Hij zei tegen mij: "Je gaat met mij mee pinnen." Op dat moment kwam het meisje weer uit mijn auto. Zij zei vervolgens tegen de jongen: "Het is niet nodig, de meneer kan gaan."

De Toyota werd hierna aan de kant gezet en ik ben weggereden. Na ongeveer 200 meter stopte ik om alles op een rijtje te zetten. Ik miste vervolgens een zaklamp, een verrekijker, een pillendoosje, een portemonnee onder meer inhoudende mijn rijbewijs, giropas, pasfoto’s en € 120,--.

Ik ben terug gereden naar de Defensieweg. Ik zag daar 2 mannen staan. Ik zag een grijze Mercedes en een grote grijze Toyota. Deze auto's hoorde bij hen. Ik ben gestopt en ben met een van de jongens naar de Baexemerweg terug gereden om te gaan zoeken naar mijn spullen. We hebben niets meer gevonden. Die jongen zei toen: "Je bent beroofd." Ik hoorde dat hij tegen mij zei, dat deze personen in die Toyota hier vaker kwamen. Ik ben naar huis gereden.

Op 28 juni 2008 kreeg ik mijn bankafschrift en zag dat er op 26 juni 2008 omstreeks 00.12 uur bij de Rabobank een bedrag van € 250,-- was gepind en op 26 juni 2008 om 00.39 uur op de Kloosterwandstraat te Roermond een bedrag van

€ 1.000,- was gepind. Ik heb niemand het recht en toestemming gegeven om de goederen weg te nemen en geld van mijn rekening te halen. Het weggenomene behoort mij in eigendom toe.

Ik kan de jongen en het meisje als volgt omschrijven.

De jongen was ongeveer 30 jaar, had een blanke huidskleur, achterover gekamde blonde haren, ongeveer even lang als ik (zelf ben ik 1.86 meter), slanke jongen niet mager, meen dat hij Limburgs dialect sprak, maar ook Nederlands en hij rook naar alcohol. Hij droeg een korte beige/bruine jack en blauwe spijkerbroek, mogelijk zwart.

Het meisje was klein (tussen de 1.60 en 1.65 meter), mooi verzorgd meisje, blanke huidskleur, meen dat zij langer donderblond haar had, tussen de 25 en 30 jaar oud en slank, niet mager.

14. de verklaring van de getuige [getuige 3] op 21 juli 2008

Ik ben een regelmatige bezoeker van de homo-ontmoetingsplaats, gelegen aan de Defensieweg te Horn. Ongeveer 3 à 4 weken geleden was ik op de Defensieweg, omstreeks 01.00 uur. Ik zag een auto aan komen rijden en stoppen aan de rechter kant van de weg. Ik zag dat deze auto een Toyota was, type Starlet in de kleur rood.

Ik zag dat er een tweede auto aan kwam rijden. Dit betrof een volkwagen Polo. Deze auto reed de rode auto voorbij en stopte voor de Starlet. Even later reden ze achter elkaar weg. Er stapte niemand uit.

Ik reed er vervolgens achteraan en zag dat deze auto’s de N280 over steken, waarna ik ben terug gereden naar de Defensieweg. Ik denk dat ongeveer 15 minuten later dezelfde Polo terug kwam rijden.

Ik zag dat de bestuurder ongeveer 30 à 40 meter voor ons stopte en ik hoorde dat de bestuurder tegen ons zei: "Ik ben mijn beurs kwijt." Ik zag dat deze man helemaal de kluts kwijt was. Volgens mij zei hij dat hij ook geld en een telefoon kwijt was.

Ik ben nog met hem gaan zoeken naar deze spullen. Hij zei dat de bestuurder van de rode Starlet tegen hem had gezegd dat hij van de zedenpolitie was en dat er ook een meisje uit de rode Starlet was gestapt.

De man van deze Polo was een oudere man. Die man was zijn spullen kwijt, te weten: geld, een rijbewijs op zijn naam, een bankpas en een zaklamp. De rest weet ik niet meer. Hierna kwam die man eigenlijk tot het besef dat hij niet door de politie was aangehouden, maar dat hij was overvallen. Dezelfde dag ’s avonds zag ik de rode Starlet weer aan komen rijden.

Ik heb het kenteken van deze rode Toyota Starlet, [kenteken], genoteerd.

15. de verklaring van [moeder verdachte], geboren [geboortedatum]

Ik ben de moeder van [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Vanaf maart 2008 tot ongeveer september 2008 heeft [verdachte] omgang gehad met een meisje, dat met de voornaam [medeverdachte] heet.

[verdachte] heeft gebruik gemaakt van mijn auto. Dit was een rode Toyota. Het type was volgens mij Starlet. [verdachte] heeft het laatste half jaar deze auto gebruikt. Hij gebruikte de auto deze best veel. Ik zie in mijn agenda dat wij [verdachte] op 23 juli 2008 deze auto hebben afgenomen.

16. het proces-verbaal bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

Het volgende wordt gerelateerd.

Toyota Starlet [kenteken]

Blijkens gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer te Veendam was het kenteken [kenteken] afgegeven voor een rode Toyota Starlet 1.3. Dit kenteken was van 23 juni 2006 tot en met 25 juli 2008 op naam gesteld van [moeder verdachte], geboren op [geboortedatum], wonende te Linne, [adres].

In het politieregistratiesysteem (BPS) werd diverse malen melding gemaakt dat [verdachte], geboren op [geboortedatum] gebruik maakte van de rode personenauto, Toyota Starlet, kenteken [kenteken]. Het kenteken van dit voertuig was op naam gesteld van zijn [moeder verdachte].

Door de getuige [getuige 3] werd verklaard dat op de Defensieweg te Horn was aangesproken door een man met een groene volkswagen Polo (aangever [slachtoffer 3]), die overvallen was door de bestuurder van een rode Starlet.

Tonen foto's

Aan de getuige [getuige 3] werden twee politie foto's getoond.

Het betrof hier de foto's van [verdachte], geboren op [geboortedatum] (foto PL2340:05:170) en [medeverdachte], geboren op [geboortedatum] (foto PL2330:00:133).

[getuige 3] verklaarde de man te herkennen en verklaarde dat de vrouw nu minder lang zwart haar had.

17. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 7]

Door mij is een nader onderzoek ingesteld naar de verblijfplaatsen van [verdachte] en [medeverdachte]. Hierbij is mij gebleken dat deze personen woonachtig zijn dan wel verblijfplaats hebben op recreatiepark de Heelderpeel te Heel, [adres].

18. het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant [verbalisant 8]

Op 21 oktober 2008 is een doorzoeking ter inbeslagneming gedaan in een woning/chalet, gelegen op camping Heelderpeel, [adres]. Hierbij werd in beslag genomen een schrijfmap. Ik zag dat op de voorzijde van de map aan de rechter onderzijde een wit papier/karton was bevestigd met het opschrift en logo “politie”.

19. de verklaring van [medeverdachte]

Mij wordt gevraagd naar de Defensieweg. Ik hoor u zeggen dat deze bij het AZC ligt. Is dat bij het homo-bos? Daar heeft [verdachte] een keer ruzie gehad met een man. Wij kwamen daar met zijn auto. Een kleine rode auto. Die mensen gingen altijd met [verdachte] mee. Hij ging altijd het bos in met een man. Die mensen gingen daarna altijd pinnen.

ten aanzien van feit 5 [slachtoffer 5]

20. de verklaring van aangever [slachtoffer 5]

Op 24 juni 2008, kort na het middaguur, was ik op de Defensieweg te Horn. Ik was daar gekomen met mijn fiets. Ik ging een zandweg in. Ik zette daar mijn fiets neer. Ik ben ongeveer 5 meter het bos in gelopen. Hierna zag ik door het struikgewas een mij onbekende man komen. Die man zei tegen mij dat hij van de zedenpolitie was. Hij toonde mij een soort identiteitskaart. Ik zag dat er Politie op stond. Ik geloofde dat. Hij zei dat ik daar niet mocht zijn, omdat daar kinderen van het asielzoekerscentrum vaker werden lastiggevallen en dat hij daarom daar controleerde. Ik zag vervolgens dat die man ging bellen met zijn gsm. Volgens mij heeft hij echt gebeld. Ik denk dat hij heeft gebeld naar de persoon die later de rode auto naderbij heeft gereden. Die man heeft mij gezegd had dat ik met hem moest meekomen. Wij liepen naar de Defensieweg en daar stond opeens die rode auto. Ik liep met die man naar die auto toe. In die auto zat een meisje. Zij zat achter het stuur. De ruit van het linkerportier was geopend. Zij is in de auto blijven zitten. Ik moest tot bij haar lopen. Ook zij liet mij een soort legitimatie zien. Dat was eenzelfde kaartje als ook die man mij had laten zien. Er stond bij haar ook Politie op.

Die vrouw zei mij dat zij van de zedenpolitie was en dat zij die plaatsen met haar collega controleerde. Ik geloofde dat.

Ik hoorde toen dat die man tegen die vrouw zei dat ik hem betast had en dat daarvoor proces-verbaal opgemaakt moest worden. Ik heb die man niet betast,en dat zei ik ook. Ik zag dat die vrouw een schrijfmap had. Zij zei mij dat zij moeilijk kon schrijven omdat zij pas in de ziektewet was geweest en wat aan de rechter arm had. Zij schreef rechts. Die vrouw noteerde mijn naamgegevens vanaf mij identiteitskaart op haar papier. Die man vroeg mij ook mijn adres. Ik gaf toen mijn huisadres op: [adres]. Die vrouw schreef dat op. Ik zei tegen die man en die vrouw, die politiemensen dus zoals ik begreep, dat ik die man niet betast had, waarna die man zei: "Dan zal ik die klacht intrekken, maar ik moet wel een proces-verbaal maken." Ik vroeg of dat proces-verbaal thuis zou komen. Hij zei mij dat dat inderdaad zo was. Hij zei: "Misschien is er wel wat met mijn baas te regelen, omdat het de eerste keer is." Hierna ging die man bellen met zijn gsm. Hij vertelde hele verhalen over wat er gebeurd was. Op het einde van het gesprek zei hij mij dat zijn baas het goed vond en dat ik met betaling van € 300,-- er van af kon komen. Dan zou alles verscheurd worden en zou er niets bij mij thuis worden gestuurd. Ik had geen geld bij mij.

Ik had er belang bij dat er geen proces-verbaal bij mij thuis zou komen, omdat anders mijn vrouw er misschien achter zou komen dat ik bij die homo-ontmoetingsplaats was geweest. Daarom voelde ik mij gedwongen om te gaan betalen.

Ik zei tegen die man dat ik geen geld bij mij had, maar wel de pinpas. Hij zei mij dat ik in de auto moest stappen en dat we zouden gaan pinnen. Ik ben hierna in de auto gestapt. We zijn vervolgens naar de Rabobank in Baexem gereden. Ik heb daar € 250,-- gepind van mijn bankrekening. Het afschrift daarvan heb ik thuis. Ik had nog € 50,-- in mijn beurs.

Na het pinnen het ik dat geld, zijnde € 300,--, aan de man gegeven. We reden terug naar de Defensieweg, waarna ik uit de auto kon stappen.

De man was ongeveer 28-30 jaar, blanke man, zag er vrij normaal uit, meen donker haar, hij sprak Nederlands, lengte naar ik meen tussen de 1.85 en 1.90 meter, slank postuur en hij droeg spijkerbroek.

De vrouw droeg half lang haar tot op de schouders, kleur naar ik meen zwart, naar ik meen was zij een kleiner type, in haar gezicht normaal, niet fors en niet dik, zij sprak Nederlands en droeg geen bril.

21. de aanvullende verklaring van aangever [slachtoffer 5]

U zegt mij dat is geconstateerd dat de dag en tijd van plegen, zoals genoemd in de aangifte niet spoort met het tijdstip van opname van geld aan de geldautomaat te Baexem, zijnde 23 juni 2008 te 17.29 uur. De datum en tijdstip van de pintransactie is leidend. Dat is de dag geweest dat ik geld moest afgeven aan die mensen in de rode auto, waarvan ik aangifte deed. Alles is op dezelfde dag gebeurd, en dat moet dus 23 juni 2008 zijn.

22. de verklaring van [medeverdachte]

Ik was de vorige keer zenuwachtig en daarom bibberde ik bij het ondertekenen.

Ik ben zowel links- als rechtshandig. [slachtoffer 1] heeft in februari drie jaar geleden mijn arm gebroken. Van oorsprong ben ik rechtshandig. Drie jaar geleden is mijn rechterschouder gebroken geweest. Ik heb een pin met schroeven in mijn rechterschouder. Ik kan dus zowel links als rechts schrijven. Ik zit ook nog steeds in de ziektewet vanaf die tijd.

Ik heb mijn rechter arm gebroken maar dat is drie jaar geleden geweest. Ik zit nog steeds in de ziektewet, onder andere daarvoor.

23. de verklaring van [medeverdachte]

Mij wordt gevraagd naar de Defensieweg. Ik hoor u zeggen dat deze bij het AZC ligt. Is dat bij het homo-bos? Daar heeft [verdachte] een keer ruzie gehad met een man. Wij kwamen daar met zijn auto. Een kleine rode auto. Die mensen gingen altijd met [verdachte] mee. Hij ging altijd het bos in met een man. Die mensen gingen daarna altijd pinnen.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen welke in onderling verband en samenhang moeten worden bezien en mede gelet op de door verdachte en zijn mededaders gehanteerde modus operandi acht de rechtbank de feiten onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegd bewezen. Bij de beroving van [slachtoffer 3] merkt de rechtbank het tegen die [slachtoffer 3] zeggen: ”Je gaat met mij pinnen.” als commanderend en bedreigend aan, gelet op de omstandigheden waaronder dit is gezegd.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de sub 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 11 mei 2008 tot en met 11 juni 2008 in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] zeggen, dat hij bij

iemand over een voet was gereden en hiervoor Euro 2.500,-- moest betalen en dat het heel erg zou zijn indien zijn mooie blonde vrouw en zijn kinderen iets zou overkomen en uit het dreigend een vuurwapen tegen het hoofd zetten van die

[slachtoffer 1] en daarbij op dreigende toon zeggen: "Geld, geld, geld";

2.

hij omstreeks 11 juli 2008 te Horn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portefeuille, een aantal bescheiden, twee pakjes sigaretten, een tube zalf, een aantal

snoepjes en een gsm-houder, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld heeft bestaan uit het (om de nek) vastpakken van die [slachtoffer 2] en uit het spuiten van een brandende althans bijtende vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer 2] en uit het slaan en schoppen van die [slachtoffer 2];

3.

hij op 26 juni 2008 te Horn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zaklamp, een verrekijker, een pillendoosje en een portemonnee onder meer inhoudende een

giropas, een rijbewijs, pasfoto's en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld heeft bestaan uit het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer 3] en uit het daarbij op dreigende toon zeggen: "Je gaat met mij pinnen";

5.

hij omstreeks 24 juni 2008 te Horn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van Euro 300,--, immers heeft verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - vals en listig en bedrieglijk en in strijd met de waarheid tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat zij van de zedenpolitie waren en zich als politiefunctionarissen gelegitimeerd en tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat hij een proces-verbaal kreeg en dat hun baas het goed vond dat hij er door betaling van Euro 300,-- van af zou komen, waardoor die [slachtoffer 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

1. afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5. medeplegen van oplichting.

Het misdrijf sub 1 is strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De misdrijven sub 2 en 3 zijn strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het misdrijf sub 5 is strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 16 februari 2009 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit en ten aanzien van de gevorderde straf geen opmerkingen gemaakt.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging enerzijds rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

In de onderhavige zaak heeft verdachte zich in een korte periode samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing, twee diefstallen met geweld en een oplichting. Het staat voor de rechtbank vast dat bij feit 2 er naast verdachte sprake is geweest van een tweede persoon, die ten tijde van het tegen het slachtoffer toegepaste geweld goederen uit de auto van het slachtoffer ontvreemdde. Wie die tweede persoon is geweest valt uit het dossier niet op te maken.

Verdachte heeft door te handelen als bewezen verklaard, niet alleen op gewelddadige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers, maar heeft daardoor ook bijgedragen aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst onveiligheid. In het bijzonder heeft verdachte het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aangetast. Verdachte en zijn mededaders hebben met hun handelwijze op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen die hun handelen voor de slachtoffers zou kunnen hebben. Het is bekend dat slachtoffers een dergelijke ingrijpende gebeurtenis als zeer traumatisch ervaren en dat zij nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van onveiligheid.

Bij de diefstallen met geweld en de oplichting is door verdachte als plaats delict gekozen voor een homo-ontmoetingsplaats. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij en zijn mededader de slachtoffers heeft gezocht in een kwetsbare, chantabele groep mensen in de samenleving. Deze gebeurtenissen moeten voor de slachtoffers die veelal geen aangifte durven doen, erg beangstigend en pijnlijk zijn geweest.

Als verzwarende omstandigheid rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij bij alle feiten een grote dan wel leidinggevende rol heeft gespeeld en dat bij de afpersing gebruik is gemaakt van een vuurwapen. Bij de diefstallen met geweld gaat de rechtbank ervan uit dat het gebruikte geweld betrekkelijk licht van aard is geweest.

De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan na te melden vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel. De oriëntatiepunten geven aan dat bij een straatroof (feit 1) met een (vuur)wapen gedacht kan worden aan een gevangenisstraf tussen 12 en 24 maanden. In het onderhavige geval is verder nog sprake van meerdere incidenten jegens het [slachtoffer 1]. Bij een straatroof (feit 2 en 3) met licht geweld ligt een gevangenisstraf van 6 tot 12 maanden in de rede. Bij feit 2 geldt als strafverzwarend element dat het verdachte is geweest is het geweld heeft uitgeoefend en dat het gebruikte geweld in de bandbreedte van licht geweld aan de bovenkant gelokaliseerd dient te worden. Voor oplichting (feit 5) bestaat (nog) geen oriëntatiepunt. Gelet op de overeenkomsten tussen de handelingen in de feiten 2 en 3 en feit 5 zal ten aanzien van feit 5 het zelfde oriëntatiepunt in de beoordeling meegenomen als bij de feiten 2 en 3.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf passend en geboden is met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden na te melden bijzondere voorwaarde. Deze voorwaardelijke straf dient ook als waarschuwing aan de verdachte zich in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te onthouden

De rechtbank heeft in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij een nagenoeg blanco strafblad heeft en heeft zij meegenomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn vermeld in het door de reclassering uitgebrachte rapport en zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

10.4 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 3], [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft deze schade op een bedrag van € 1.400,-- gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 3 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering alleszins redelijk en geheel voor toewijzing vatbaar, zodat de rechtbank het schadebedrag zal vaststellen op het gevorderde bedrag.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededader, aansprakelijk voor deze schade.

Over de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt zal de rechtbank beslissen, zoals hierna is vermeld.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 1.400,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 24 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3], [adres], zoals hierna in het dictum genoemd.

10.5 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4], [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 4 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 4] voornoemd heeft deze schade op een bedrag van € 988,20 gesteld en wil die schade vergoed krijgen.

Aangezien aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 310, 312, 317, 326.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de sub 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 40 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 10 maanden niet zullen worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, arrondissement Roermond, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

ten aanzien van feit 3:

wijst toe de vordering van de benadeelde partij;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres], te betalen een bedrag van € 1.400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 26 juni 2008 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door verdachtes mededader is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 1.400,-- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 28 dagen ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 26 juni 2008 tot de dag der algehele voldoening ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte of zijn mededader aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

ten aanzien van feit 4:

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4], [adres] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, A.K. Kleine en M.I.J. Hegeman, rechters,

van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van P.W.A. Beckers als

griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 2

maart 2009.

typ:pb