Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH5279

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
10-03-2009
Zaaknummer
86198 / HA ZA 08-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Californië is de projectontwikkelaar van een glastuinbouwgebied in Horst aan de Maas. Greenport Energy B.V. (verder GPE) was een door de tuinders van het betreffende glastuinbouwgebied op te richten vennootschap. Burghout Projectmanagement B.V. heeft namens de op te richten vennootschap rechtshandelingen verricht. Na een openbare aanbestedingsprocedure zijn tussen Californië en Eneco onderhandelingen gestart. Uiteindelijk is een beroep gedaan op een financieringsvoorbehoud. Eneco stelt zich op het standpunt dat geen beroep kon worden gedaan op het financieringsvoorbehoud. Grondslag van de vorderingen, stel- en onderbouwingsplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2009/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 86198 / HA ZA 08-269

Vonnis van 4 maart 2009

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO ENERGIE INFRA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M.A. Jacobs,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BURGOUT PROJECTMANAGEMENT B.V.,

gevestigd te 's Gravenmoer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRONDEXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ CALIFORNIË B.V.,

gevestigd te Horst,

gedaagden,

advocaat mr. P.J.W.M. Theunissen.

Partijen zullen hierna Eneco en Californië c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Californië is de projectontwikkelaar van een glastuinbouwgebied in Horst aan de Maas. Greenport Energy B.V. (verder GPE) was een door de tuinders van het betreffende glastuinbouwgebied op te richten vennootschap. Burghout Projectmanagement B.V. heeft namens de op te richten vennootschap rechtshandelingen verricht.

2.2. In juli 2006 heeft Californië c.s. een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven voor “(…) het ontwerp, de bouw en meerjarig onderhoud, storingsafhandeling en financiering voor het gas- en elektriciteitsnet voor het glastuinbouwgebied Californië te Horst aan de Maas(…)”. Bij het aanbieden werd een financieringsconstructie als voorkeur genoemd.

2.3. Op 20 september 2006 vond de aanbesteding plaats. Californië heeft de aanbesteding van Eneco als economisch meest voordelige gekwalificeerd en dit aan Eneco meegedeeld.

2.4. Tussen Californië en Eneco zijn vervolgens onderhandelingen gestart. Op 30 november 2006 vond een tuindersvergadering plaats. Bij dit overleg waren aanwezig de op dat moment deelnemende tuinders, Californië, de Rabobank en Eneco.

2.5. Op 1 december 2006 is GPE in de registers van de Kamer van Koophandel ingeschreven.

2.6. Op 14 december 2006 is tussen GPE en Eneco een voorovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer, voor zover thans van belang, het volgende overeen gekomen:

“(…) Van groot belang is eveneens dat voor de realisatie van deze gehele opdracht een financiering wordt verkregen. De partijen geven aan dat het niet verkrijgen van een passende financiering voor alle partijen, de partijen ontslaat van iedere verdere verplichting tegenover elkaar. Mocht in een later stadium het project alsnog worden gefinancierd op basis van het netontwerp van EEI, dan zal EEI de uitvoerende partij zijn.

De Rabobank heeft mondeling aangegeven dat een financiering voor dit project kan worden verkregen.(…)”.

2.7. bij brief van 18 december 2006 heeft de Rabobank aan GPE onder meer, voor zover thans van belang, het volgende meegedeeld:

“(…) Op basis van de tot nu toe aan ons verstrekte en bij ons bekende informatie achten wij de financierbaarheid van het energienetwerk (…) reëel haalbaar.

Daarbij leggen we de nadruk op enkele belangrijke uitgangspunten die verder moeten worden uitgewerkt:

- Greenport Energy B.V. beschikt voor fase I van het project (investering 8 miljoen Euro) over een totaal aan bankgaranties van participerende tuinbouwbedrijven van 5,5 miljoen Euro.

(…)”

2.8. Op 4 januari 2007 heeft een overleg plaatsgevonden tussen Californië, Eneco, de tuinders en Essent. Essent heeft tijdens dit overleg aan de tuinders een eigen “Bijdrageregeling Handels- en Industrieterreinen” voorgelegd. Essent heeft tijdens dit overleg tevens een aanbod gedaan van EUR 3 miljoen voor realisatie van het project.

2.9. Bij brief van 8 januari 2007 heeft Eneco tegen deze handelwijze bezwaar gemaakt en haar ongenoegen geuit.

2.10. Bij brief van 2 februari 2007 heeft de Rabobank, voor zover thans van belang, aan Burghout Projectmanagement onder meer het volgende meegedeeld:

“(…) Naar aanleiding van het financieringsverzoek van Greenport Energy BV voor de totstandkoming van een energienetwerk voor de distributie van gas en/of elektra in het tuinbouwgebied Californië delen wij u mede dat wij uw financieringsverzoek niet kunnen honoreren. (…)”

2.11. Bij brief van 6 februari 2007 heeft Burghout Projectmanagement BV namens GPE een beroep gedaan op het financieringsvoorbehoud in de voorovereenkomst omdat de Rabobank de financiering zou hebben afgewezen. Eneco heeft daarop Californië c.s. gemaand tot nakoming van de overeenkomst. Uiteindelijk heeft Eneco vergoeding gevorderd van de door haar geleden schade. Californië c.s. heeft alle aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3. Het geschil

3.1. Eneco vordert bij vonnis – samengevat – , voor zover de wet zulks toelaat volledig uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat Californië c.s. onrechtmatig jegens Eneco heeft gehandeld doordat ten onrechte een beroep is gedaan op de ontbindende voorwaarde in de Voorovereenkomst;

2. Californië c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van EUR 668.923,60, zijnde de door Eneco geleden schade bestaande uit voorbereidingskosten en kosten aan continuïteitsverlies, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

3. Californië c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan Eneco van de door Eneco geleden en nog te lijden schade, als gevolg van het hiervoor omschreven onrechtmatig handelen van Californië c.s., waaronder gederfde winst, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2007, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. Californië c.s. hoofdelijk te veroordelen om te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 5.160,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding;

5. Californië c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding onder de bepaling dat de proceskosten voldaan moeten worden binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, bij niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2. Californië c.s. heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat GPE en Eneco in de voorovereenkomst een financieringsvoorbehoud zijn overeen gekomen waarbij partijen zijn ontslagen van iedere verdere verplichting tegenover elkaar indien geen passende financiering kan worden verkregen voor de gehele opdracht. Vast staat ook dat de Rabobank bij brief van 2 februari 2007 heeft meegedeeld dat zij het financieringsverzoek van GPE niet kan honoreren. Bovendien moet bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting van de zijde van Eneco, als vast staand worden aangenomen dat de financiering van het project niet op andere wijze kon worden gerealiseerd dan door medewerking van de Rabobank. In het licht van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank voorshands van oordeel dat Californië c.s. terecht een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud zoals dat in de voorovereenkomst is opgenomen.

4.2. Eneco heeft evenwel aangevoerd dat Californië c.s. op oneigenlijke gronden een beroep heeft gedaan op het financieringsvoorbehoud zoals dat in de tussen GPE i.o. en Eneco gesloten voorovereenkomst is opgenomen. Immers heeft Californië c.s. de tuinders ertoe bewogen geen bankgaranties aan te vragen. Dit heeft zij gedaan door Essent voor de bijeenkomst van 4 januari 2007 uit te nodigen en Essent in de gelegenheid te stellen tijdens deze vergadering aan de tuinders haar eigen “bijdrageregeling Handels-en industrieterreinen” voor te laten leggen als “goedkoper” alternatief. Nu Essent, daarnaar gevraagd, direct een aanbod kon doen moet worden aangenomen dat Essent een en ander al had voorbereid. Door aldus te handelen heeft Californië c.s. onrechtmatig gehandeld volgens Eneco. Volgens Eneco heeft het er alle schijn van dat Californië c.s. de tuinders op het verkeerde been heeft gezet en zeer waarschijnlijk erop heeft aangestuurd dat de tuinders met Essent in zee zouden gaan. Daarnaast heeft Eneco aangevoerd dat er nimmer een volledige financieringsaanvraag door GPE is gedaan zodat daarom het beroep op het financieringsvoorbehoud als oneigenlijk moet worden gekwalificeerd.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling van de vraag of Californië c.s. de tuinders ertoe heeft bewogen geen aanvragen te doen voor de noodzakelijke bankgaranties, in ieder geval uit moet worden gegaan van de navolgende vast staande feiten en omstandigheden. Ten behoeve van de financiering door de Rabobank zouden de tuinders een totaal aan bankgaranties moeten verstrekken van 5,5 miljoen euro, zo blijkt uit de brief van de Rabobank van 18 december 2006. Op het moment van de tuindersvergadering op 4 januari 2007 was er nog maar een beperkt aantal tuinders, dat zich had aangesloten de het project. Onbestreden is voorts – zo is bij pleidooi aan de orde gekomen – dat deze tuinders in beginsel het door de Rabobank vereiste totaal aan bankgaranties – zijnde 5,5 miljoen euro – zouden moeten verstrekken. Als meer tuinders zich zouden aanmelden zouden ook de te vertrekken bankgaranties – en daarmee het bedrag waarvoor garantstelling was vereist – over meerdere tuinders kunnen worden verdeeld doch daarvan was op het moment van de tuindersvergadering van 4 januari 2007 nog geen sprake. Ten slotte staat vast dat niet alleen Eneco maar ook Essent aanwezig was bij de tuindersvergadering van 4 januari 2007.

4.4. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan, ook indien voorshands ervan wordt uitgegaan dat Essent op uitnodiging van Californië c.s. heeft deelgenomen aan het overleg van 4 januari 2007, niet zonder meer worden aangenomen dat Californië c.s. de tuinders heeft bewogen om geen bankgaranties af te geven. Ook de stelling van Eneco dat Californië c.s. Essent tijdens de tuindersvergadering heeft verzocht een aanbod te doen kan – ook als voorshands van de juistheid van deze stelling wordt uitgegaan – , in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, niet zonder meer worden beschouwd als een handeling waardoor de tuinders zouden zijn verleid om af te zien van het aanvragen van bankgaranties ten behoeve van de financiering van het collectiviteitsmodel van Eneco. Zulks klemt temeer nu onbestreden is dat ook Eneco tijdens deze bijeenkomst in de gelegenheid was geweest haar collectiviteitsmodel (nogmaals) toe te lichten. Dat Eneco daar destijds om haar moverende redenen vanaf heeft gezien kan – wat daar ook van zij – niet bijdragen aan het bewijs dat Californië c.s. een verwijt kan worden gemaakt. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de tuinders zich ertoe hadden verplicht ervan af te zien om alternatieven te bekijken. Ook wanneer voorshands ervan wordt uitgegaan dat de tuinders tijdens de vergadering van 30 november 2006 hadden ingestemd met de plannen van Eneco laat zulks onverlet dat zij alternatieven mochten onderzoeken, althans heeft Eneco daaromtrent niet gesteld dat zulks was uitgesloten, terwijl daarvan ook anderszins niet is gebleken.

4.5. Voor zover Eneco heeft bedoeld te stellen dat Californië c.s. heeft toegestaan dat de tuinders een kennelijk voor hen goedkoper alternatief hebben gezocht, kan de rechtbank Eneco niet volgen. Gesteld noch gebleken is dat Californië c.s. had moeten voorkomen dat de tuinders zich nader zouden laten voorlichten over de financiële consequenties van het project of een alternatief daarvoor, nog daargelaten de vraag wat de waarde van een dergelijke afspraak zou zijn geweest. Eneco heeft haar stelling, dat de tuinders door toedoen van Californië c.s. zijn bewogen af te zien van het aanvragen van bankgaranties ten behoeve van de financiering van het collectiviteitsmodel, gelet op het vorenstaande niet deugdelijk onderbouwd zodat aan deze stellingen moet worden voorbij gegaan bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

4.6. Voor zover Eneco nog heeft aangevoerd dat er voorafgaand aan de tuindersvergadering al gesprekken met Essent zijn gevoerd – wat overigens door Californië c.s. is bestreden –; dat Californië c.s. de tuinders op het verkeerde been heeft gezet, zodat Californië c.s. op die wijze erop zou hebben aangestuurd dat de tuinders met Essent in zee zouden gaan, is de rechtbank van oordeel dat slechts sprake is van vooronderstellingen en niet van deugdelijk onderbouwde stellingen zodat reeds daarom hieraan wordt voorbijgegaan bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

4.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van Eneco, voor zover deze haar grondslag daarin vinden dat Californië c.s. de tuinders heeft bewogen af te zien van het collectiviteitsmodel zodat een oneigenlijk beroep is gedaan op het financieringsvoorbehoud, niet kan worden toegewezen.

4.8. Eneco heeft echter tevens aan haar vordering ten grondslag gelegd dat GPE geen beroep kon doen op het financieringsvoorbehoud omdat GPE nimmer een volledige financieringsaanvraag heeft gedaan. De rechtbank begrijpt de stelling van Eneco aldus dat GPE ervoor had moeten instaan dat daadwerkelijk bankgaranties zouden worden aangevraagd zodat de Rabobank daarmee de financieringsaanvraag kon beoordelen. Met volledige financieringsaanvraag wordt kennelijk bedoeld een financieringsaanvraag met bijbehorende bankgaranties. Uit de tekst van het financieringsvoorbehoud kan echter niet worden opgemaakt dat partijen slechts een beroep konden doen op het financieringsvoorbehoud indien de bankgaranties daadwerkelijk waren afgegeven en niettemin financiering zou worden geweigerd. Bovendien is gesteld noch anderszins gebleken dat partijen een dergelijke interpretatie bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen hebben gehad. Dit strookt ook niet met de eigen stellingen van Eneco. Volgens Eneco zou immers de bank zonder meer het project hebben gefinancierd wanneer de bankgaranties zouden zijn afgegeven. Zou men het beroep op het financieringsvoorbehoud eerst kunnen doen wanneer de bankgaranties zouden zijn afgegeven dan zou dit financieringsvoorbehoud in het licht van de stelling van Eneco een dode letter zijn geweest omdat na het afgeven van de bankgaranties financiering zou zijn gerealiseerd. Voor zover de vordering haar grondslag vindt in het niet doen van een volledige financieringsaanvraag zodat een oneigenlijk beroep is gedaan op het financieringsvoorbehoud, kan zij evenmin worden toegewezen.

4.9. Gelet op al het vorenoverwogene zullen de vorderingen van Eneco worden afgewezen bij gebreke van een deugdelijke grondslag.

4.10. Eneco zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Californië c.s. worden begroot op:

- vast recht 4.784,00

- salaris advocaat 10.320,00 (4,0 punten × tarief EUR 2.580,00)

Totaal EUR 15.104,00

4.11. De rechter, ten overstaan van wie de voorlopige getuigenverhoren zijn gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Eneco in de proceskosten, aan de zijde van Californië c.s. tot op heden begroot op EUR 15.104,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.R. Soutendijk, mr. K.A.J.C.M. van den Berg Jeths en mr. S.W.A.M. Henselmans en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2009.

?