Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH3570

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
12-02-2009
Datum publicatie
20-02-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 780
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In het verlengde van de uitspraak van de CRvB van 10 december 2008, LJN BG8911, is de rechtbank van oordeel dat een bijstelling van een reïntegratievisie als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Wet Suwi, eveneens een besluit kan opleveren in de zin van de Awb. Daarvoor is wel vereist dat er sprake is van enige concretisering van de uit de wet voortvloeiende rechten en plichten, welke concretisering een wijziging te zien geeft in de op grond van de eerdere reïntegratievisie tussen partijen vastgelegde verhouding dan wel dat er sprake is van een situatie dat de verhouding van partijen per een latere datum opnieuw is beoordeeld. De rechtbank ziet, gegeven de bewoordingen van de bijstelling en de tussen partijen gemaakte afspraken, aanleiding voor het oordeel dat opnieuw concreet wordt vastgesteld dat eiser aanspraak heeft op gesubsidieerde arbeid nadat de op basis van de eerdere reïntegratievisie bestaande aanspraak is beëindigd.

Vervolgens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep nu de reïntegratievisie slechts zou weergeven wat partijen uit vrije wil zijn overeengekomen als ook de omstandigheid dat de bijstelling van de reïntegratievisie door latere ontwikkelingen is ingehaald. Voorts zou eiser geen belang hebben bij het instellen van beroep aangezien de bijstelling van de reïntegratievisie geen verplichting voor eiser behelst die bij onvoldoende nakoming aanleiding geeft tot het opleggen van een maatregel. Ook heeft de rechtbank in de omstandigheid dat er namens de potientiële werkgever bij eiser een schadeclaim wordt neergelegd, geen reden gezien om belang van eiser bij het instellen van het beroep aan te nemen nu dergelijke kosten in een te ver verwijderd verband staan tot het in dit geding aan de orde zijnde besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 780

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 2 april 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de brief van 24 juli 2007 inzake een bijgestelde reïntegratievisie ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eiser beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gemachtigde gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van 9 september 2008 waar eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

1.4. Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:68 van de Awb is het onderzoek heropend en heeft de rechtbank bepaald dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer voor behandeling ter zitting van 16 december 2008, waar eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) luidt als volgt.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft tot taak:

a. uitvoering geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekering, de wettelijke werkloosheidsverzekering, de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Toeslagenwet, alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen, voorzover die uitvoering niet bij of krachtens enige wet aan anderen is opgedragen;

b. te bevorderen, dat personen die recht hebben op een uitkering op grond van wetten als bedoeld in onderdeel a, dan wel die ingezetene zijn als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en in verband met ziekte of gebrek een belemmering ondervinden of hebben ondervonden bij het volgen van onderwijs, worden ingeschakeld in het arbeidsproces.

2.2. Artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet Suwi luidt als volgt.

1. Nadat het recht op een uitkering op grond van wetten als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel a, uitgezonderd de wettelijke ziekengeldverzekering, is vastgesteld, stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien gelet op de aard van de uitkering de taak, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd, in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde een reïntegratievisie vast waarin verplichtingen en rechten van de uitkeringsgerechtigde zijn vermeld.

2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen evalueert, in samenspraak met de uitkeringsgerechtigde, periodiek de reïntegratievisie en kan deze bijstellen.

2.3. Artikel 38, eerste lid, onder i, in samenhang met artikel 37 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) bepaalt dat het UWV de uitkering (tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk) indien de belanghebbende de verplichtingen die zijn opgenomen in de reïntegratievisie bedoeld in artikel 30a, eerste lid van de Wet SUWI of in het reïntegratieplan, bedoeld in artikel 30a, derde lid, van die wet niet of niet behoorlijk is nagekomen.

2.4. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Wajong, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 september 2006 heeft eiser een indicatie gekregen in het kader van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Blijkens dit besluit is door het Centrum voor werk en inkomen onderzocht of begeleid werken voor eiser mogelijk is. Bij begeleid werken kan iemand met een indicatie WSW gaan werken bij een regulier bedrijf. In dat bedrijf wordt het werk aangepast aan de mogelijkheden van iemand met een arbeidshandicap. Eiser is in staat geacht tot begeleid werken.

2.5. Op 19 januari 2007 is door verweerder ten aanzien van eiser een reïntegratievisie opgesteld waarin onder meer is vastgelegd dat het UWV gesubsidieerde arbeid vergoedt. In het kader hiervan is verweerder overgegaan tot inkoop van een gesubsidieerd dienstverband bij Westrom Roermond voor 36 uur per week. Met ingang van 1 april 2007 is eiser op grond van een aldus gesubsidieerd dienstverband gaan werken bij timmerfabriek [timmerfabriek] te [plaats]. Hier is eiser uitgevallen wegens beenklachten. In samenspraak met de arbeidsdeskundige heeft Westrom het contract in de proeftijd beëindigd en besloten een herkeuring te laten verrichten door de verzekeringsarts van verweerder. Het reïntegratietraject is toen gestopt.

Op 23 juli 2007 is er een bijstelling reïntegratievisie opgesteld. De bijstelling bestaat eruit dat opnieuw wordt overgegaan tot inkoop van een gesubsidieerd dienstverband bij Westrom Roermond voor 36 uur per week in verband met de voor eiser bestaande mogelijkheid om werkzaamheden te gaan verrichten vanaf 6 augustus 2007 bij de firma [firma] te [plaats] voor een periode van vier maanden. Eiser is echter per genoemde datum niet gaan werken bij de firma [firma]. Per 18 september 2007 is eiser gestart bij [bedrijf] in [plaats] als leerling timmerman.

2.6. Eiser heeft tegen de bijstelling reïntegratievisie bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.7. Eiser heeft zich tegen dat besluit verzet.

2.8. De rechtbank heeft zich in dit geding allereerst ambtshalve geplaatst gezien voor de vraag of de bijstelling van de reïntegratievisie van 23 juli 2007 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.9. De Centrale Raad van Beroep heeft in haar uitspraak van 10 december 2008, LJN: BG8911, overwogen dat een reïntegratievisie als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, van de Wet Suwi een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre daarin de uitwerking van de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen van de uitkeringsgerechtigde is vastgelegd.

2.10. In het verlengde van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat een bijstelling van een reïntegratievisie als bedoeld in artikel 30a, tweede lid, van de Wet Suwi, zoals in dit geding aan de orde, eveneens een besluit kan opleveren in de zin van de Awb. Daarvoor is wel vereist dat er sprake is van enige concretisering van de uit de wet voortvloeiende rechten en plichten, welke concretisering een wijziging te zien geeft in de op grond van de eerdere reïntegratievisie tussen partijen vastgelegde verhouding dan wel dat er sprake is van een situatie dat de verhouding van partijen per een latere datum opnieuw is beoordeeld.

2.11. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat de onderhavige bijstelling niet ertoe strekt om een concrete verplichting aan eiser op te leggen maar een hernieuwde aanspraak voor eiser op gesubsidieerde arbeid inhoudt om zo de door Westrom ondernomen stappen, om eiser binnen zijn mogelijkheden werkzaamheden te laten verrichten bij de firma [firma], mogelijk te maken. De rechtbank ziet, gegeven de bewoordingen van de bijstelling en met name datgene wat bij de bijstelling onder punt 3.1 en 3.2 met betrekking tot het onderwerp van de bijstelling en de tussen partijen gemaakte afspraken is vermeld, geen reden om dit standpunt voor onjuist te houden. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat deze bijstelling als een appellabel besluit in de zin van de Awb dient te worden aangemerkt. Er wordt immers nadat de op basis van de eerdere reïntegratievisie bestaande aanspraak op gesubsidieerde arbeid is beëindigd opnieuw concreet vastgesteld dat eiser daar recht op heeft.

2.12. Vervolgens ligt nog de beantwoording van de vraag voor of eiser procesbelang heeft bij de bijstelling van de reïntegratievisie van 23 juli 2007, zoals in bezwaar gehandhaafd.

2.13. Verweerder heeft betoogd dat eiser geen belang heeft bij het beroep nu de reïntegratievisie slechts zou weergeven wat partijen uit vrije wil zijn overeengekomen als ook de omstandigheid dat de bijstelling van de reïntegratievisie door latere ontwikkelingen, in het onderhavige geval het gaan werken van eiser bij [bedrijf], is ingehaald. Voorts zou eiser geen belang hebben bij het instellen van beroep aangezien de bijstelling van de reïntegratievisie geen verplichting voor eiser behelst die bij onvoldoende nakoming aanleiding geeft tot het opleggen van een maatregel op grond van de artikelen zoals genoemd onder punt 2.3. Ook heeft verweerder in de omstandigheid dat de firma [firma] via haar rechtsbijstandverzekering aan de Westrom heeft bericht dat er namens de firma [firma] een schadeclaim wordt neergelegd in verband met binnengehaalde werkzaamheden die de firma [firma] als gevolg van het feit dat eiser per 6 augustus 2007 aldaar niet is gaan werken alsmede andere kosten, welke claim de Westrom dan vervolgens bij eiser zal neerleggen, geen reden gezien om belang van eiser bij het instellen van het beroep aan te nemen.

2.14. De rechtbank onderschrijft het hierboven weergegeven standpunt van verweerder. De omstandigheid dat de Westrom een eventuele schadeclaim van [firma] op eiser zal verhalen, is geen reden om thans een procesbelang van eiser aan te nemen. Dergelijke kosten staan in een te ver verwijderd verband tot het in dit geding aan de orde zijnde besluit.

2.15. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mrs. B.W.P.M. Corbey-Smits (voorzitter), Th.M. Schelfhout en E.J. Govaers, in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2009.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 februari 2009

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.