Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH1731

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
04-02-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
89274 / FA RK 08-1302
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vader vordert nakoming van door rechtbank vastgestelde omgangsregeling op straffe van dwangsom o.g.v. art. 611a lid 1 Rv.

De rechtbank legt aan beide ouders een dwangsom op, teneinde beide ouders aan te zetten tot de vereiste bereidheid tot uitvoering van de omgangsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 89274 / FA RK 08-1302

Beschikking van 4 februari 2009 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

hierna te noemen [vader],

advocaat: mr. I. Vorbach;

tegen:

[verweerster],

wonende te [adres],

hierna te noemen [moeder],

advocaat mr. R.A.N.H. Verkoeijen.

Als belanghebbende merkt de recht[kind]ns aan:

[kind], geboren te [geboorteplaats] op [2003].

[vader] en [moeder] hierna ook te noemen respectievelijk de vader, de moeder en tezamen de ouders.

1. Het verloop van de procedure

1.1. [vader] heeft op 22 september 2008 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend en primair verzocht de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen en te blijven verlenen aan de uitvoering van de omgangsregeling zoals die bij beschikking van deze rechtbank d.d. 28 juni 2006 is vastgesteld, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 250,-- euro, voor iedere keer dat zij geen uitvoering geeft aan de omgangsregeling. Subsidiair heeft de vader verzocht de beschikking van 28 juni 2008 te wijzigen door een zodanige omgangsregeling tussen de vader en [kind] te bepalen als de rechtbank in het belang van [kind] goeddunkt.

De rechtbank verwijst naar de inhoud van het verzoekschrift.

1.2. [moeder] heeft op 5 januari 2009 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend. Voor wat het verweer betreft verwijst de rechtbank naar de inhoud van dit verweerschrift.

Voorts bevat het verweerschrift een tegenverzoek.

Dit verzoek houdt in dat de beschikking van 28 juni 2006 wordt gewijzigd in die zin dat aan de vader het recht op omgang wordt ontzegd dan wel dat de omgangsregeling tussen de vader en [kind] zal worden beëindigd.

1.3. Op 06 januari 2009 is ter griffie ingekomen een brief van de advocaat van [moeder] d.d. 06 januari 2009 met als bijlage een brief van [H] d.d. 02 januari 2009.

1.4. Op 8 januari 2009 heeft de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaten;

- [S], vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Roermond.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Uit de inmiddels verbroken affectieve relatie tussen partijen is op [2003] te [geboorteplaats] de thans nog minderjarige [kind] geboren. De vader heeft [kind] erkend en de moeder oefent het ouderlijk gezag over haar uit.

De ouders zijn in onderling overleg een omgangsregeling overeengekomen, die echter van het begin af niet goed heeft gelopen. Er volgde een procedure bij deze rechtbank die, na bemiddelingsgesprekken onder leiding van de raad voor de kinderbescherming, resulteerde in een omgangsregeling van eenmaal in de twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede de helft van de vakanties en feestdagen, hetgeen is vastgelegd in de beschikking van 28 juni 2006.

2.2. Vader heeft aangevoerd dat het in het belang is van [kind] dat de bij beschikking van 28 juni 2006 vastgestelde omgangsregeling kan worden hervat. Deze omgangsregeling werd tot eind 2007 door beide partijen nageleefd. De omgang is gestagneerd als gevolg van miscommunicatie tussen de ouders. Per brief van 1 juli 2008 heeft moeder te kennen gegeven dat zij geen medewerking zal verlenen aan hervatting van de omgangsregeling. [kind] mag echter niet de dupe worden van deze miscommunicatie. Vader ziet thans geen andere mogelijkheid dan zich wederom tot de rechtbank te wenden om zo moeder te dwingen onder verbeurte van een dwangsom mee te werken aan de omgangsregeling. Vader is bereid om de omgang weer geleidelijk op te bouwen. Indien gewenst wil vader meewerken aan een raadsonderzoek.

2.3. Moeder heeft gesteld dat de omgangsregeling van het begin af aan gepaard ging met de nodige problemen, omdat vader zich niet aan de afspraken hield. Moeder heeft aanvankelijk meegewerkt aan de omgangsregeling, ondanks dat zij er weinig vertrouwen in had. Op een gegeven moment bleef vader helemaal weg en reageerde ook niet op de brief van de advocaat van moeder. Moeder vindt het opstarten van de omgang thans niet meer in het belang van [kind]. Het gaat nu goed met [kind], zij vormt samen met moeder en haar nieuwe partner een gezin en is weer in rustiger vaarwater gekomen. Moeder twijfelt bovendien aan de opvoedingscapaciteiten van vader. Moeder ziet niets in (bemiddelings)gesprekken bij het maatschappelijk werk. Moeder staat niet afwijzend tegenover een raadsonderzoek, waarbij onderzocht wordt hoe het met [kind] bij vader thuis gaat.

Moeder heeft tot slot aangevoerd dat als er een dwangsom opgelegd wordt dit voor beide partijen zou moeten gelden, omdat beide partijen de afspraken dienen na te komen.

2.4. Van de zijde van de raad voor de kinderbescherming is aangevoerd dat in het belang van [kind] de omgangsregeling weer opgestart zou moeten worden, nu de problemen hierover vooral berusten op miscommunicatie tussen de ouders. Ouders dienen samen met het maatschappelijk werk tot hele duidelijke afspraken te komen.

De raadsvertegenwoordiger ziet thans geen aanleiding voor een raadsonderzoek.

2.5. In artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen, een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling onder meer kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu sedert de beschikking van 28 juni 2006 moeder de omgang niet langer in het belang acht van [kind] en moeder de omgang begin 2008 heeft stopgezet.

2.6. De rechtbank stelt voorop dat naarmate een kind met de leeftijd als dat

van [kind] langere tijd geen omgang met een van de ouders heeft, dit nadelige gevolgen kan hebben voor de verdere ontwikkeling van het kind. Uitgangspunt dient dan ook te zijn dat er regelmatig contact plaatsvindt tussen het kind en de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken van contra-indicaties die aan omgang in de weg staan. Beide ouders zijn gehouden om op een goede wijze uitvoering te geven aan de vastgestelde omgangsregeling. In het belang van [kind] dienen de ouders hun strijd op ex-partnerniveau te staken. Gebleken is dat de oudercommunicatie tussen partijen is verstoord en dat ouders, in het belang van [kind], daaraan dienen te werken.

Gelet op de jeugdige leeftijd van [kind] en het feit dat er ruim een jaar geen omgang is geweest is de rechtbank van oordeel dat de omgangsregeling geleidelijk dient te worden opgebouwd, zoals hierna in het dictum is opgenomen, beginnende met één dag in de 14 dagen naar uiteindelijk één weekend per 14 dagen zoals vastgelegd in de beschikking van 28 juni 2006.

2.7. Artikel 611a lid 1 Burgerlijk Rechtsvordering bepaalt (onder meer) dat de rechter op vordering van een der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn. Met de woorden 'op vordering van' heeft de wetgever slechts bedoeld dat de rechter niet ambtshalve een dwangsom kan opleggen, maar dat zulks moet worden gevraagd. Een dwangsom kan ook in een verzoekschriftprocedure worden opgelegd.

Vader heeft tot naleving van de omgangsregeling verzocht op straffe van verbeurte van ene dwangsom.

Ter zitting heeft ook moeder verzocht om, bij oplegging van een dwangsom aan haar eveneens een dwangsom aan vader op te leggen om er voor te zorgen dat ook vader de afspraken nakomt.

De rechtbank leest dit verzoek als een vordering ex art. 611a lid 1 Rv.

De rechtbank is van oordeel dat nu beide ouders zijn gehouden tot nakoming van de omgangsregeling aan beide ouders een dwangsom opgelegd dient te worden zoals hierna bepaald, teneinde beide ouders aan te zetten tot de vereiste bereidheid tot uitvoering van de omgangsregeling.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. wijzigt de uitspraak van de rechtbank van 28 juni 2006 voor wat betreft de omgangsregeling;

3.2. regelt de omgang tussen de minderjarige: [kind], geboren te [geboorteplaats] op [2003], en de vader, [vader], als volgt :

- 3 maal op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur, te weten op 14 februari 2009, 28 februari 2009 en 14 maart 2009,

- 2 keer een weekend met één overnachting van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, te weten het weekend van 28 en 29 maart 2009 en het weekend van 11 en 12 april 2009;

- met ingang van het weekend van 24 april 2009 een omgangsregeling van één weekend per veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00,

- de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg te regelen;

3.3. bepaalt dat de moeder, [moeder], voor iedere keer dat zij in strijd handelt met de onder punt 3.2. bepaalde omgangsregeling, aan de vader, [vader], een dwangsom verbeurt van EUR 250,-- tot een maximum van EUR 5.000--;

3.4. bepaalt dat de vader, [vader], voor iedere keer dat hij in strijd handelt met de onder punt 3.2. bepaalde omgangsregeling, aan de moeder, [moeder], een dwangsom verbeurt van EUR 250,--, tot een maximum van EUR 5.000,--;

3.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.6. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, kinderrechter en bij afwezigheid van voornoemd kinderrechter - ter openbare terechtzitting van 4 februari 2009 uitgesproken door mr. P.C.G. Brants in tegenwoordigheid van de griffier.

.

ET

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.