Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH1604

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
91462 / KG ZA 09-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil: geen sprake van misbruik van bevoegdheid, feitelijke en/of juridische misslag, noodtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 91462 / KG ZA 09-14

Vonnis in kort geding van 28 januari 2009

in de zaak van

1. [eiseres 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. M.G. Spijker,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A.L. Stegeman.

Partijen zullen hierna in mannelijk enkelvoud [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagden]

1.2. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter tijdens de mondelinge behandeling mondeling vonnis gewezen, welke uitspraak hierna schriftelijk wordt weergegeven.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn buren van elkaar en hebben reeds langere tijd een geschil omtrent de eigendom van een strook grond dat is gelegen op/nabij de grens tussen hun percelen. [eiser] heeft vervolgens een bodemprocedure gestart. De vorderingen kwamen samengevat neer op het in eigendom verkrijgen van de strook grond op grond van verkrijgende verjaring. Bij vonnis van 7 januari 2009 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen. De rechtbank heeft in voornoemd vonnis de vorderingen in reconventie van [gedaagde] toegewezen. In dat kader heeft de rechtbank samengevat bepaald dat de eigendomsgrens tussen de percelen gelijk is aan de kadastrale grens. [eiser] werd veroordeeld tot ontruiming van de eigendomsgrond van [gedaagde] en het ter vrije beschikking stellen van de strook grond aan [gedaagde] op straffe van een dwangsom.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis waartegen [gedaagde] geen bezwaar heeft gemaakt, schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 januari 2009, totdat is beslist in de appelprocedure bij het Gerechtshof Den Bosch.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van ná dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2. [eiser] heeft gesteld dat het vonnis van de rechtbank van 7 januari 2009 onjuist is en haalt een aantal overwegingen van de rechtbank aan waarmee hij het niet eens is. [eiser] stelt in dat kader onder meer dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank geen bewijsopdracht heeft verstrekt, dat de rechtbank heeft overwogen dat [eiser] bepaalde rechten zou hebben prijsgegeven en dat de rechtbank ten overvloede heeft overwogen dat niet duidelijk is wie nu een beroep doet op verjaring waardoor de vordering zou moeten worden afgewezen. Daarnaast zou [eiser] door executie worden geconfronteerd met onherstelbare schade, zou de woning van [eiser] niet meer toegankelijk zijn voor vrachtwagens die de gas en olie voorraad van [eiser] aanvullen en zou [gedaagde] geen enkel gerechtvaardigd belang hebben om thans tot executie van het vonnis over te gaan zonder het hoger beroep af te wachten.

4.3. De door [eiser] genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dusdanig evident dat zou moeten worden geconcludeerd dat het vonnis van 7 januari 2009 berust op een juridische of feitelijke misslag. Het is aan het gerechtshof om over de door [eiser] aangevoerde punten te oordelen. Bovendien is niet gebleken dat er sprake is van feiten aan de zijde van [eiser] die niet reeds voor het vonnis van 7 januari 2009 bekend waren die een noodtoestand doen ontstaan. Voor het overige dient de voorzieningenrechter zich in beginsel te richten naar het oordeel van de bodemrechter, zoals dit blijkt uit het vonnis van 7 januari 2009. De gevorderde voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

4.4. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.070,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.R. Soutendijk en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2009.?

SR