Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2009:BH0990

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
26-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
04/860702-08; 04/857335-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 5 jaar wegens ontucht bij veertien minderjarige jongens van rond de 10-12 jaar. Verdachte had deze jongens als voetbaltrainer onder zijn hoede. De rechtbank is van oordeel dat verdachtes zogeheten modus operandi zó kenmerkend is voor deze verdachte en door hem zó consequent is uitgevoerd bij elk van de slachtoffertjes en hun ouders, dat dit van doorslaggevend belang is voor de overtuiging van de rechtbank dat hij de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860702-08

Parketnummer : 04/857335-08 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraak d.d. : 26 januari 2009

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [detentieadres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2008 en 12 januari 2009.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 15 december 2008 – terecht ter zake dat:

Feit 1 met parketnummer 04/860702-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 25 oktober 2007 tot en met 04 juni 2008 in de gemeente Groesbeek, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1];

Feit 2 met parketnummer 04/860702-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008 in de gemeente Groesbeek, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2];

Feit 3 met parketnummer 04/860702-08

hij op of omstreeks 30 september 2007 te Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig in het kader van een zogenaamde medische keuring,.laten tonen van de penis door die [slachtoffer 3] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 3] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 4 met parketnummer 04/860702-08

hij op of omstreeks 30 september 2007 te Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 4] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 4] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 5 met parketnummer 04/860702-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 27 februari 2007 tot en met 4 juni 2008 in de gemeente Weert en/of Venlo, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 5] en/of in het kader van een zogenaamde medische keuring, het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 5] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 5] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 6 met parketnummer 04/860702-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 4 juni 2008 te Reuver, gemeente Beesel en/of in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 6] en/of in het kader van een zogenaamde medische keuring, het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 6] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 6] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 1 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 mei 2008 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de lie(s)(zen) van die [slachtoffer 7];

Feit 2 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 mei 2008 in de gemeente Vlaardingen, in elk geval in Nederland, en/of in Dilkrath (Duitsland), met [slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de lie(s)(zen) en/of bil(len) van die [slachtoffer 8];

Feit 3 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 15 juni 2008 in de gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 9], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de lie(s)(zen) van die [slachtoffer 9] en/of het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 9] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 9] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 4 met parketnummer: 04/857335-08

hij op of omstreeks 25 mei 2008 in de gemeente Vlaardingen, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 10], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 10] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 10] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis en/of in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 10];

Feit 5 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 juli 2008 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 11], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 11] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 11] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 6 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 juli 2007 te Mönchen-Gladbach en/of Kaldenkerken (Duitsland), met [slachtoffer 12], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 12] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 12] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 7 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 1 juni 2008 in de gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, en/of in Kalkar (Duitsland), met [slachtoffer 13], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande, in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 13] aan hem, verdachte, en (vervolgens) in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 13];

Feit 8 met parketnummer: 04/857335-08

hij (meermalen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 mei 2008 in Nederland en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 14] aan hem, verdachte, en (vervolgens) door het ontuchtig door die [slachtoffer 14] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

(alle feiten: artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Op beide dagvaardingen zijn feiten ten laste gelegd die in Duitsland zijn gepleegd. Enerzijds is er sprake van ten laste gelegde feiten met een pleegplaats in Nederland en/of in Duitsland, anderzijds zijn er feiten waar alleen sprake is van een pleegplaats in Duitsland. Op grond van het territorialiteitsbeginsel van artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet alleen van toepassing op ieder die zich in Nederland aan een strafbaar feit schuldig maakt. Artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht maakt daarop een uitzondering in het kader van het personaliteitsbeginsel, dat in deze onbeperkt geldt: de Nederlandse strafwet is van toepassing op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan het misdrijf als omschreven in – het in de dagvaardingen aangeduide – artikel 247 van het wetboek van Strafrecht (artikel 5, eerste lid, aanhef, en sub 3, van het Wetboek van Strafrecht).

Nederland heeft dus jurisdictie over onderdanen die zich in het buitenland aan bepaalde feiten schuldig maken. Verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit.

Gelet op het bovenstaande is krachtens de wettelijke bepalingen de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de verdediging zijn verschillende verweren gevoerd terzake van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De Aanwijzing opsporing en vervolging seksueel misbruik

Door de raadsman is betoogd dat de officier van justitie niet ontvangen kan worden in de vervolging, omdat de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: Aanwijzing) niet is nageleefd. Er is – kort en zakelijk weergegeven – in strijd gehandeld met de regels omtrent

- de deskundigheid van de officier van justitie;

- de deskundigheid van de opsporingsambtenaren bij de feiten 3 en 4 van dagvaarding 04/860702;

- het opmaken van een PV van het informatieve gesprek bij de feiten 2, 3 en 4 van dagvaarding 04/860702 en de feiten 7 en 8 van dagvaarding 04/857335;

- het vooraf voeren van een informatief gesprek bij de feiten 4, 6 en 8 van dagvaarding 04/857335;

- het opnemen van de aangifte bij de feiten 1, 3, 4, 6, en 7 van dagvaarding 04/860702 en de feiten 3, 4, 6 en 8 van dagvaarding 04/857335;

- de weergave, kwaliteit en inhoud van de aangifte;

- de audio-opname van de aangifte bij de feiten 3 en 4 van dagvaarding 04/860702-08 en feit 8 van dagvaarding 04/857335;

- het horen van slachtoffers tussen 4 en 12 jaar;

- de kwaliteit en de inhoud van het verhoor.

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – op dit verweer gereageerd met de opmerking dat de voorschriften van de Aanwijzing voor zover de onderzoeken onder zijn directe verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden en voor zover er sprake is van dwingende regels, zijn nageleefd. Voorts verklaart de officier van justitie de zedenaanspreekofficier te zijn voor Noord- en Midden-Limburg.

De rechtbank is van oordeel dat de toepasselijke Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, die in de Staatscourant is gepubliceerd (Stcrt. 25 januari 2005, nr. 17) en daarmee behoorlijk is bekendgemaakt, dient te worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie.

De Aanwijzing bevat op grond van de bevoegdheid ex artikel 130 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie geformuleerde beleidsregels, waarin eisen van kwaliteit en zorgvuldigheid die aan de opsporing en vervolging in zaken als de onderhavige worden gesteld, zijn vervat. De Aanwijzing bindt de daarmee belaste organen en ambtenaren op grond van de algemene beginselen van behoorlijke rechtspleging, en deze beleidsregels lenen zich naar hun inhoud en strekking ertoe jegens de betrok¬kenen als rechtsregels te worden toegepast voor zover zij dwingende bepalingen bevatten.

Bij de beantwoording van de vraag of handelen in strijd met de Aanwijzing moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is doorslaggevend of er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Op grond van hetgeen de officier van justitie heeft verklaard over zijn hoedanigheid van zedenaanspreekpunt is de rechtbank van oordeel dat er niet is gehandeld in strijd met de Aanwijzing.

Op grond van de Aanwijzing dient de opsporing te geschieden door een deskundige rechercheur. Ieder korps dient te beschikken over voldoende gekwalificeerde medewerkers. Opsporingsambtenaren die niet speciaal belast zijn met de behan¬deling van zedenzaken, laten zich op grond van de Aanwijzing niet verder in met de zaak dan strikt noodzakelijk.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden getoetst of de opsporingsambtenaren terzake van de feiten 3 en 4 van dagvaarding 04/860702 voldoen aan de deskundigheidseis.

In de Aanwijzing wordt een onderscheid gemaakt tussen acute opsporingssituaties en situaties waarin bezinning van de aangever nodig of mogelijk is. Dit laatste betekent echter niet dat het informatieve gesprek en de daadwerkelijke aangifte niet kunnen samenvallen. In verband met mogelijk tijdsverloop tussen het informatieve gesprek en een aangifte dient er ten minste een schriftelijk verslag van het informa¬tieve gesprek te worden gemaakt, waarin in ieder geval wordt aangegeven welke personen bij dat gesprek aanwezig zijn geweest.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat er met betrekking tot het voeren en het leggen van verslag van een informatief gesprek geen sprake is van dwingende regels.

In de Aanwijzing wordt gesteld dat het werken met verhoorkoppels bijdraagt aan de professionaliteit bij de adequate en zorgvuldige opname van de aangifte. In situaties waarin sprake is van een informatief gesprek, bepaalt de Aanwijzing dat de aangifte zo mogelijk wordt opgenomen door dezelfde opsporingsambtenaar, met daarbij een collega.

De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat er op grond van de Aan¬wijzing geen verplichting is tot het werken met verhoorkoppels, noch een verplichting tot het opnemen van de aangifte door een ambtenaar die al eerder betrokken is geweest bij het informatieve gesprek.

De Aanwijzing geeft geen richtlijnen terzake van de papieren weergave, de kwaliteit en de inhoud van de aangifte anders dan dat de waarheidsvinding gediend is met inzicht in het letterlijke gesprek van de aangifte. Anders dan de verdediging leest de rechtbank deze passage in de context van het maken van bandopnames van het verhoor.

Op grond van de Aanwijzing dient de aangifte gedaan door een slachtoffer op een geluidsband te worden opgenomen, bij andere aangiften van zedendelicten behoeft alleen een bandopname gemaakt te worden als dit in het belang van het onderzoek is. In de onderhavige zaak is geen aangifte gedaan door de slachtoffers zelf, maar door hun ouders. Bandopnames zijn daarom niet verplicht.

Op grond van de Aanwijzing dienen slachtoffers tussen de 4 en 12 jaar of een ouder persoon bij wie sprake is van een achterstand in de ontwikkeling te worden gehoord volgens het Protocol Studioverhoor. Het is de rechtbank niet gebleken dat in strijd met deze dwingende bepaling slachtoffers zijn gehoord.

De Aanwijzing geeft geen directe richtlijnen terzake van de kwaliteit en de inhoud van de verhoren.

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat in strijd met de aanwijzing is gehandeld omdat er over de verdachte allerlei persoonlijke gegevens bekend waren, stelt de rechtbank vast dat de Aanwijzing aangeeft dat in het politiële onderzoek de anonimiteit van de verdachte zoveel mogelijk is gewaarborgd. Uit het dossier blijkt dat via de ouders en de voetbalclubs allerlei informatie over de verdachte via de e-mail, telefoon of in gesprekken spontaan is gedeeld. De rechtbank kan de verde¬diging dan ook niet volgen in haar stelling dat de politie of het Openbaar Ministerie terzake onzorgvuldig hebben gehandeld.

Ook heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging (Stcrt. 18 oktober 2007, nr. 202) is geschonden.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak niet toetsbaar is of conform de Aanwijzing is gehandeld terzake van de feiten 3 en 4 van dagvaarding 04/860702. Ook voor feit 8 van dagvaarding 04/857335 geldt dit. De rechtbank is echter van oordeel dat terzake van die feiten van een doel¬bewuste schending en grove onachtzaamheid van de belangen van de verdachte niet is gebleken. Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de verdachte door dit feit zo in zijn belangen is geschaad dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

De rechtbank is samenvattend voorts van oordeel dat de overige verweren van de raadsman, gelet op bovenstaande overwegingen ter zake van het karakter van de Aanwijzing en gelet op de uitvoering en verslaglegging van het opsporingsonder¬zoek, zoals dat blijkt uit het dossier, geen doel treffen.

Het de rechtbank evenmin gebleken dat de verdachte door de handelwijze in het onderhavige opsporingsonderzoek op andere wijze in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren daarom af.

Het arrest Salduz versus Turkije

De verdediging heeft een beroep gedaan op de uitspraak van 27 november 2008 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Salduz versus Turkije en heeft betoogd dat de officier van justitie op grond van het feit dat de raadsman niet aanwezig was bij het eerste verhoor van verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

In het Salduz-arrest is overwogen dat een verdachte “from the first interrogation” recht heeft op een “access to a lawyer”. In hetzelfde verband wordt in het arrest gesproken over “assistence of a lawyer”. In het nu voorliggende geval is aan de orde of naar aanleiding van deze uitspraak verdachte het recht heeft dat zijn advocaat vanaf het eerste verhoor bij de politie fysiek aanwezig is en zo ja, of handelen in strijd hiermee moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte bij zijn aanhouding en/of voorafgaand aan en/of bij het verhoor door de politie heeft verzocht om bijstand door en/of de aanwezigheid van zijn raadsman, noch dat verdachte een raadsman is of zou zijn geweigerd. Zoals dat gebruikelijk is, is ten tijde van de inverzekeringstelling de verdachte een raadsman toegevoegd en is hij in de gelegenheid gesteld deze raads¬man te spreken.

De rechtbank is van oordeel dat tegen die achtergrond niet geoordeeld kan worden dat in strijd is gehandeld met de regel van fair trial, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Niet is gebleken immers dat de belangen van verdachte op grove wijze zijn verontachtzaamd, noch is gebleken dat de verdediging onevenredig is geschaad door de handelwijze.

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren daarom af.

Ambtshalve oordelen van de rechtbank

Het Openbaar Ministerie is op grond van hetgeen in paragraaf 4 is genoemd ter zake van het personaliteitsbeginsel bevoegd tot vervolging van verdachte over te gaan ter zake van de feiten die door verdachte in Duitsland zijn gepleegd.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 12 januari 2009 zich op het stand¬punt gesteld dat hij de feiten wettig en overtuigend bewezen acht. De officier van justitie acht onder meer van belang dat verdachte een zogenoemd grooming-proces steeds weer uitvoerig heeft doorlopen, waardoor hij bij de slachtoffers, maar ook bij hun ouders uiteindelijk het volledige vertrouwen had. Zodanig dat deze ouders hun kinderen met hem alleen lieten. Hij heeft met de ouders weliswaar besproken dat de jongens ook medisch gekeurd zouden worden, waarbij hij de indruk wekte dat deze keuringen door professionals zouden worden verricht, maar nooit heeft verdachte verteld of laten doorschemeren dat onder het keuren ook het doen tonen en/of betasten van het geslacht zou vallen. Voor het plegen van ontucht, zo stelt de officier van justitie, is het niet noodzakelijk dat de verdachte daadwerkelijk zelf handelingen uitvoert. De officier van justitie hecht in het requisitoir veel waarde aan de verklaring die verdachte heeft afgelegd. De officier van justitie heeft betoogd dat de verklaring van verdachte met betrekking tot de keuringen van de jongens als bewijs gebruikt kan worden bij elk feit, omdat hij, behalve de gevallen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 6], die hij expliciet benoemt, in algemene zin verklaard heeft over de wijze waarop de keuringen plaats¬vonden en dat hij dit keuren bij alle jongens deed. Gelet evenwel op de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] naast de aangiftes, is de officier van justitie van mening dat de kwalificatie van de verklaring van verdachte als steunbewijs voor de bewezenverklaring niet eens noodzakelijk is. Uit de verklaring in verbinding met de strafrechtelijke voorgeschiedenis van verdachte blijkt een modus operandi. De officier van justitie acht die overigens niet per se noodzakelijk om tot een bewezenverklaring te komen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de 14 feiten bewezen worden verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van al de 14 ten laste gelegde feiten. De raadsman stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende wettig bewijs is en dat bovendien het ontuchtig karakter aan de ten laste gelegde handelingen ontbreekt. Kort samengevat, komt de verdediging neer op de volgende verweren:

- Voor elk verwijt is er feitelijk maar één getuigenverklaring, namelijk die van het slachtoffer, waarbij oncontroleerbaar is op welke wijze de verklaring tot stand is gekomen en of het informatie uit eigen hand betreft. De verklaringen moeten van het bewijs worden uitgesloten, nu zij in strijd met de Aanwijzing zijn verkregen.

- De aangiftes zijn onbruikbaar, omdat het slechts herhalingen zijn van de verklaringen van de kinderen en niet uit eigen waarneming voortvloeien. De verklaringen van de aangevers dienen van het bewijs te worden uitgesloten voor zover zij in strijd met de Aanwijzing tot stand zijn gekomen en omdat zij overigens op onzorgvuldige wijze zijn verkregen. De verdediging stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat niet duidelijk is wat Wahrheit is en wat Dichtung. Niet uitgesloten kan worden dat mogelijk zelfs onderlinge afstem¬ming heeft plaatsgevonden tussen ouders en kinderen en tussen de ouders onderling. De raadsman vindt daarom dat de verklaringen van de slachtoffers en van de ouders bij de aangifte niet voor het bewijs gebruikt mogen worden.

- De verklaring van verdachte is onbetrouwbaar en daarom onbruikbaar voor het bewijs. Verdachte is niet in staat om in vrijheid zijn wil te bepalen. Hij is zwakbegaafd en niet door een deskundige politie-ambtenaar verhoord.

- Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is geschon¬den op een wijze als bedoeld in het arrest Salduz tegen Turkije van het Euro¬pees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 november 2008.

- Onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Breda d.d. 4 april 2008 (ljn BC8601) stelt de verdediging zich op het standpunt dat louter handelen in strijd met de sociaal-ethische norm geen ontucht is in de zin van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht. In dit verband heeft de verdediging – onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam d.d. 9 mei 2008 (ljn BD3916) – betoogd dat voor die beoordeling relevant is dat bij verdachte geen aanwijzingen zijn gevonden voor dieperliggende pedoseksuele ontwikke¬lingen, zodat ontucht niet bewezen kan worden. De psychiater geeft aan dat de handelingen voortvloeien uit een narcistische persoonlijkheid in combinatie met de zwakbegaafdheid van verdachte. De raadsman betrekt de stelling dat in casu de component van seksuele opwinding bij verdachte ontbreekt, zodat er geen sprake kán zijn van ontucht. Verdachte kan wellicht verweten worden dat hij medische handelingen verrichte, waartoe hij niet bevoegd is.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft de overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Deze overtuiging is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen

De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de hieronder opgesomde bewijs¬middelen, verwijzen naar de doorlopende paginanummering van het in de wettelijke vorm door de Regio-politie Limburg-Noord, Jeugd- en Slachtofferzorg en Zeden¬zaken, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL2379/08-004263, gedateerd 30 september 2008 en het aanvullende proces-verbaal, genummerd 08-004263A, en de daarbij behorende bijlagen. De pagina nummers verwijzen naar de print van scan 03.10.2008 van origineel en print van scan 28.11.2008 van origineel, dat doorlopend genummerd aanvangt bij pagina 463.

Feit 1 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 26 juni 2008

- [verdachte] heeft mij in september of oktober 2007 gescout. Ik zit er nu ongeveer een half jaar bij. De voetbalschool heet [voetbalschool 1] in Mönchen-Gladbach en in Nederland heet de [voetbalschool 2]. Op zondagochtend ga ik naar Groes¬beek en op woensdag naar Mönchen-Gladbach;

- als eerste zat [verdachte] aan mijn plassertje. Ik moest op mijn hand blazen. Dan moest ik op de ene enkel staan en dan op de andere. Hij deed meten hoe lang je was en wegen. [verdachte] noemde dit een medisch onderzoek test. [verdachte] zat met zijn vingers aan mijn plassertje. Hij deed het huidje naar achteren en weer naar voren. Terwijl ik op mijn hand blies, zat [verdachte] aan mijn plasser. Als [verdachte] zo’n test deed was alleen [verdachte] daarbij. [verdachte] heeft dat eerst om de zes weken bij mij gedaan, daarna om de vier weken, toen om de twee weken en daarna om de week. Ik vond het raar dat [verdachte] dat deed. [verdachte] deed dat bij mij in een kleedlokaal. [verdachte] heeft het bij alle twee de clubs bij mij gedaan. Voordat [verdachte] aan mijn plasser zat, zei hij dat ik mijn kleding uit moest doen. Ik moest alleen mijn onderbroek aanhouden. De onderbroek moest ik een klein beetje naar beneden doen;

- [verdachte] heeft ook altijd gezegd dat ik het niet tegen mijn moeder mocht zeggen.

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 juli 2008

- Jullie vragen mij wat ik in mijn vrije tijd doe. Ik ben voetbalscheidsrechter en soms geef ik voetbaltrainingen bij [voetbalschool 2] te Nijmegen. Ook heb ik voetbaltraining gegeven in Duitsland. In Duitsland gaf ik voetbaltraining bij de [voetbalschool 1]. Dit is een voetbalschool in Mönchen-Gladbach;

- ik ben in 2007 begonnen met aan jongens voetbaltraining te geven;

- jullie vragen mij wat er tijdens die keuringen met [slachtoffer 1] is gebeurd. Wat ik net zei; “wegen, meten, broek omlaag en het voorhuidje naar achteren”. Of ik vroeg of [slachtoffer 1] dit zelf wilde doen of ik deed het. Jullie vragen mij hoe vaak ik tijdens het keuren van [slachtoffer 1] zelf het voorhuidje van het plassertje van [slachtoffer 1] naar achteren heb gedaan. Vier keer, nee ik denk drie keer. Ik deed dit met mijn hand.

Proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2008

- [Moeder slachtoffer 1], moeder van [slachtoffer 1], doet aangifte.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Venlo d.d. [datum]

- [slachtoffer 1] is geboren op [geboortedatum].

Feit 2 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van gesprek met [slachtoffer 2] d.d. 14 juli 2008

- [slachtoffer 2] heeft van maart 2009 tot en met mei 2008 gevoetbald bij [verdachte]. De training was op woensdag en zondag;

- [slachtoffer 2] heeft de eerste keer getraind in Mönchen-Gladbach in Duitsland. Na de training kreeg hij een medisch onderzoek. Dit onderzoek werd gedaan door [verdachte]. [slachtoffer 2] moest eerst op de weegschaal gaan staan. Daarna werd gemeten hoe lang hij was. Daarna gebeurde er iets met het indrukken van de lies/buik. Daarna deed [verdachte] de plasser naar achteren.

- dat medisch onderzoek gebeurde heel vaak, na de training en de wedstrijden, het vaakst in Mönchen-Gladbach en vlak bij Gennep, de andere kinderen waren dan in de kantine;

- hij moest naar het kleedlokaal. Hij was daar alleen met [verdachte]. [slachtoffer 2] moest zich uitkleden. [slachtoffer 2] droeg alleen zijn onderbroek. [verdachte] trok de onderbroek een beetje omlaag en haalde de plasser van [slachtoffer 2] uit de onderbroek. [verdachte] trok dan het velletje van de plasser naar achteren met de hand. [slachtoffer 2] moest ondertussen op de rug van zijn eigen hand blazen. [verdachte] keek dan naar de plasser van [slachtoffer 2] en zei “oke”. [verdachte] hield zijn hand stil. [slachtoffer 2] dacht dat het normaal was. [verdachte] had gezegd dat hij wel over de training mocht praten, maar dat hij beter niets over het onderzoek kon zeggen;

- [slachtoffer 2] zei dat hij ook een keer een onderzoek had gehad in een hotel in Venlo.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 augustus 2008

- Ik wil nog verklaren over een overnachting in [naam hotel] in Venlo. Ik herinner mij dat ook [slachtoffer 2] hierbij was.

Proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2008

- [moeder slachtoffer 2], moeder van [slachtoffer 2], doet aangifte.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Venlo d.d. [datum]

- [slachtoffer 2] is geboren op [geboortedatum].

Feit 3 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2007

- [moeder slachtoffer 3], de moeder van [slachtoffer 3], verklaart dat haar zoon op 30 september 2007 voor het eerst is gaan trainen bij [voetbalschool 1] in Mönchen-Gladbach. Na de training en het douchen is [slachtoffer 3] medisch gekeurd door [verdachte]. Over de sportkeuring zei [verdachte] dat hij vond dat de jongen groot genoeg was en dat [slachtoffer 3] het goed alleen kon. [Moeder slachtoffer 3] vindt dat goed. Het duurde allemaal niet zo lang. Naderhand kreeg ze van [verdachte] een GGD-folder over voorhuidhygiëne. [slachtoffer 3]s moeder vindt dat [slachtoffer 3] er op dat moment een beetje verslagen bijzit. Hij lijkt niet enthousiast meer om nog eens te komen trainen, als [verdachte] dit vraagt. [Moeder slachtoffer 3] vraagt zich dan af waarom er geen sportarts bij was geweest;

- die dag heeft [Moeder slachtoffer 3] aan haar zoon gevraagd wat hij tijdens de sportkeuring moest doen. [slachtoffer 3] vertelt haar dat hij zijn broek omlaag moest doen en vervolgens zijn piemel moest vastpakken en het voorhuidje naar achteren moest doen en dit aan [verdachte] moest laten zien. Meer was er niet gebeurd, behalve dat hij was gemeten en gewogen.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Pijnacker d.d.

[datum]

- [slachtoffer 3] is geboren op [geboortedatum].

Feit 4 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 november 2007

- De moeder van [slachtoffer 4], [Moeder slachtoffer 4], verklaart dat haar zoon op 30 september 2007 naar Mönchen-Gladbach is geweest voor een eerste training bij [verdachte]. Na de training en het douchen is [slachtoffer 4] medisch gekeurd door [verdachte] in de meisjeskleedkamer. Over de sportkeuring zei [verdachte] dat het een 1 op 1 ding is en dat hij vond dat als je 9 of 10 jaar oud bent dat je dan dit soort dingen zonder je ouders moet kunnen doen. Naderhand bleek dat [slachtoffer 4]’ gewicht fout was genoteerd. [verdachte] veranderde dit. Van [verdachte] kreeg [moeder slachtoffer 4] een GGD-folder over voorhuidhygiëne;

- die dag heeft [moeder slachtoffer 4] aan haar zoon gevraagd wat hij tijdens de sportkeuring moest doen. [slachtoffer 4] vertelt haar dat hij [verdachte] zijn piemel had laten zien en dat hij had moeten laten zien hoe hij zijn piemel waste. [verdachte] had niet aan zijn penis gezeten. [slachtoffer 4] had niet het idee dat gek was wat er was gebeurd.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Berkel en Rodenrijs d.d. [datum]

- [slachtoffer 4] is geboren op [geboortedatum].

Feit 5 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van een gesprek met [slachtoffer 5] d.d. 24 juli 2008

- [slachtoffer 5] vertelt dat hij [verdachte] in 2006 heeft leren kennen tijdens een voetbal-kamp in Roermond;

- [slachtoffer 5] zegt dat iedere 6 weken een medische keuring plaatsvond. Die keuringen werden door [verdachte] gedaan. Deze had gezegd dat hij bevoegd was dat te doen;

- [slachtoffer 5] vertelt dat hij bij de keuring alleen een onderbroek droeg en dat hij op zijn hand moest blazen. [verdachte] trok met 2 handen het voorhuidje zo ver naar achter als nodig was bij het schoonmaken van de plasser. Het deed geen pijn. Op een keer zag [slachtoffer 5] dat de voorhuid gescheurd was bij de keuring. Dat deed pijn. Hoe het gebeurd was, weet [slachtoffer 5] niet. Er was een infectie, die bij de GGD is behandeld. Het duurde 5 weken in plaats van 2, zoals de GGD-arts had gezegd;

- [verdachte] was alleen bij de keuringen in de ruimte. [slachtoffer 5] vertelt dat [verdachte] had gezegd dat [slachtoffer 5] er goed uitzag. Als [verdachte] aan het voorhuidje van [slachtoffer 5] trok, dan zei [verdachte] “goed zo”; [verdachte] heeft hem zeker 10 keer op deze manier gekeurd. [slachtoffer 5] dacht dat de keuringen er gewoon bij hoorden. Er werd nooit over de medische keuringen gesproken tussen de jongens;

- [slachtoffer 5] vertelt dat de keuringen ook in Vlaardingen, Roermond, Mönchen-Gladbach, in een hotel in Venlo, bij [slachtoffer 5] thuis op de badkamer en bij [verdachte] thuis op de badkamer was gebeurd. Die keer had [verdachte]s vrouw beneden op de bank gezeten;

- [slachtoffer 5] geeft aan dat de man op de aan hem getoonde foto van [verdachte], de man is over wie hij heeft gepraat.

Proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juli 2008

- [Moeder slachtoffer 5], moeder van [slachtoffer 5], doet aangifte.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Wageningen d.d. [datum]

- [slachtoffer 5] is geboren op [geboortedatum].

Feit 6 met parketnummer 04/860702-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juli 2008

- [Moeder slachtoffer 6], de moeder van [slachtoffer 6], verklaart dat in juni 2007 [slachtoffer 6] door [verdachte], die vertelde dat hij trainer was in Mönchen-Gladbach, werd gevraagd of hij eens wilde komen voetballen bij [voetbalschool 1]. [Moeder slachtoffer 6] vertelt dat [slachtoffer 6] helemaal daarvoor helemaal niet voetbalde en geen lid was van een voetbalclub en dat haar aansprak dat [verdachte] zei dat het niet in de eerste plaats om voetbal ging, maar “om met respect met elkaar omgaan”en “normen en waarden zijn erg belangrijk”;

- [Moeder slachtoffer 6] vertelt dat zij in de winter van 2007 na een training in Groesbeek [slachtoffer 6] heeft gevraagd wat [verdachte] deed als hij hem gewogen en gemeten werd. [slachtoffer 6] vertelde haar dat [verdachte] keek of zijn plasser schoon was en of hij een liesbreuk had. Het keuren is ook bij [slachtoffer 6] thuis gebeurd;

- [slachtoffer 6] heeft bij [verdachte] op zolder geslapen en is bij [verdachte] thuis ook gekeurd;

- [slachtoffer 6] heeft [Moeder slachtoffer 6] verteld dat [verdachte] keek of de plasser van [slachtoffer 6] schoon was en of hij een liesbreuk had. Ook tikte [verdachte] met zijn vinger tegen de plasser van [slachtoffer 6];

- [Moeder slachtoffer 6] verklaart dat [slachtoffer 6] regelmatig is gekeurd in Mönchen-Gladbach.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Venlo d.d.

[datum]

- [slachtoffer 6] is geboren op [geboortedatum].

Feit 1 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 7] d.d. 22 augusus 2008

- Ik heb [verdachte] leren kennen via een klasgenootje. Van [slachtoffer 1] kreeg ik een telefoonnummer. Ik weet dat het al in 2008 is geweest toen ik [verdachte] heb opgebeld. Toen het al Carnaval was geweest;

- jullie vragen mij waar ik de eerste keer naar toe ben gegaan toen ik de eerste keer meeging. Dit was naar een hockeystadion in Mönchen-Gladbach. Wij hebben hier toen getraind;

- ik vond alles wel leuk. [verdachte] deed ook testen. Dit vond ik wel raar. Hij deed iets met lengte en gewichten en nog iets. Dit gebeurde in een kleedlokaal. Als dit gebeurde was ik alleen met [verdachte]. [verdachte] controleerde ook je lies. [verdachte] voelde dan in je lies. Hij deed dit met zijn handen;

- ik was dan in mijn onderbroek gekleed. Ik schat dat dit drie of vier keer is gebeurd op deze manier. Ik ben alleen in mijn liezen aangeraakt door [verdachte];

- [verdachte] heeft dit ook bij mij gedaan in de woning van [slachtoffer 2];

- als [verdachte] dit bij mij deed voelde ik de vinger van [verdachte] in mijn liezen. Ik dacht dat als [verdachte] mij op deze manier testte dat dat “gewoon normaal was.” Bij [naam voetbalclub] ben ik in al die jaren nog nooit op zo’n manier getest;

- het is een keer gebeurd dat [verdachte] het op een andere manier deed dan anders. Hij ging toen namelijk met een van zijn handen in de pijp van mijn boxershort. Ik weet dat ik toen tegen [verdachte] heb gezegd: “Waarom moet dat nu zo in een keer.” Ik kan mij niet herinneren hoe [verdachte] reageerde toen ik dit zei. Volgens mij stopte hij toen wel hiermee.

Proces-verbaal van aangifte d.d. 18 augustus 2008

- [Moeder slachtoffer 7 + 8], moeder van [slachtoffer 7], doet aangifte.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Roermond d.d. [datum]

- [slachtoffer 7] is geboren op [geboortedatum].

Feit 2 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 18 augustus 2008

- [Moeder slachtoffer 7 + 8], moeder van [slachtoffer 8], verklaart dat toen haar zoon [slachtoffer 7] in Dilkrath moest voetballen, [slachtoffer 8] van [verdachte] ook mocht meevoetballen. Hij kreeg toen een voetbaltenue van [verdachte]. Daarna heeft [slachtoffer 8] ook meegedaan in Vlaardingen;

- [Moeder slachtoffer 7 + 8] verklaart dat [slachtoffer 8] haar heeft verteld dat hij in Dilkrath en in Vlaardingen door [verdachte] is gekeurd. Hij was bij deze keuringen alleen met [verdachte]. Hij had zijn onderbroek moeten laten zakken en hij moest van [verdachte] zijn plassertje omhoog doen tegen zijn onderbuik aan. [verdachte] heeft hem aangeraakt in zijn beide liezen en aan zijn billen. [verdachte] was op dat moment alleen met [slachtoffer 8]. [verdachte] heeft tegen [slachtoffer 8] gezegd dat het er goed uitzag;

- [slachtoffer 8] is lastig, maar ook opgelucht en hij schaamt zich voor hetgeen [verdachte] met hem heeft gedaan.

In het dossier bevindt zich een geboorteakte van [slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum]. Deze akte maakt geen deel uit van het doorgenummerde proces-verbaal, maar is een los schriftelijk bescheid.

Feit 3 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 28 augustus 2008

- [Vader slachtoffer 9], vader van [slachtoffer 9], verklaart dat er door zijn zoon aanvankelijk niets over de keuringen is verteld. Het was voor hem volkomen normaal dat hij gewogen en gemeten werd. Dat is ook een keer gebeurd waar [Getuige 2] bij was;

- na doelbewust vragen vertelde [slachtoffer 9] dat hij ongeveer 10 keer door alleen [verdachte] was onderzocht. Hij moest zich helemaal uitkleden, maar mocht zijn onderbroek aanhouden. [slachtoffer 9] moest een vuist maken en hierin blazen, terwijl hij de voorhuid van zijn penis naar achteren moest schuiven. Dit werd door [slachtoffer 9] ervaren als onaangenaam, maar hij dacht dat het erbij hoorde. [verdachte] heeft [slachtoffer 9] aan zijn bovenbenen tot in de liezen betast. Ook heeft hij het bovenlichaam betast. Dit is eenmaal in Rotterdam in het gebouw van de scouting en vooral in Mönchen-Gladbach, gebeurd.

Proces-verbaal van verhoor getuige [Getuige 2] d.d. 16 juli 2008

- Wij hebben in Vlaardingen overnacht. [verdachte] had toen de slaapplaatsen geregeld bij de scouting;

- ik weet dat alle jongens waar ik en ook [getuige 1] bij aanwezig waren drie keer zijn gecontroleerd op hun lengte en gewicht. Deze keuringen vonden plaats in Hinsbeck en Mönchen-Gladbach. Van andere keuringen weet ik niets. Ik weet wel dat enkel[e] jongens bij [verdachte] werden geroepen. [verdachte] gaf naar mij aan dat dit was om een gesprek met hen te hebben. De jongens moesten dan naar een kleedlokaal komen waar alleen [verdachte] aanwezig was.

Schriftelijk bescheid, afschrift van Abstammungsurkunde, opgemaakt te Mönchen-Gladbach d.d. [datum]

- [slachtoffer 9] is geboren op [geboortedatum].

Feit 4 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 september 2008

- [Moeder slachtoffer 10], moeder van [slachtoffer 10], verklaart dat haar zoon op 25 mei 2008 in Vlaardingen een toernooi heeft gespeeld. [slachtoffer 10] vertelde op weg naar huis dat hij was gekeurd door [verdachte]. [verdachte] had hem tussen twee wedstrijden in apart genomen in een kleedkamer. Hij was gewogen en het vetpercentage was gemeten. [slachtoffer 10] vertelde ook dat hij de voorhuid van zijn piemeltje naar achter had moeten doen;

- [Moeder slachtoffer 10] verklaart dat zij het vreemd vond dat terwijl zij ook aanwezig was niet door [verdachte] op de hoogte was gebracht dat [slachtoffer 10] gekeurd werd;

- later heeft [Moeder slachtoffer 10] [slachtoffer 10] nog eens gevraagd wat er tijdens de keuring gebeurde. [slachtoffer 10] vertelde haar toen dat [verdachte] het velletje van de [slachtoffer 10]s plasser naar achter heeft gedaan. [slachtoffer 10] had bij de keuring alleen een onderbroek aan.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Arnhem d.d. [datum]

- [slachtoffer 10] is geboren op [geboortedatum].

Feit 5 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 15 september 2008

- [Moeder slachtoffer 11], moeder van [slachtoffer 11], vertelt dat haar zoon [verdachte] heeft leren kennen in oktober 2007. Bij de zomerstop heeft zij haar zoon afgemeld voor het trainen bij [verdachte];

- [slachtoffer 11] vertelde haar dat [verdachte] hun meermaals had onderzocht. Dit gebeurde in aanwezigheid van de andere trainers. Tweemaal was het gebeurd dat die andere trainers er niet bij waren geweest. [slachtoffer 11] vertelde dat de keuring toen iets anders was geweest. [slachtoffer 11] werd toen ook gewogen en gemeten. [verdachte] had met een stethoscoop aan zijn borst en op zijn rug geluisterd. [slachtoffer 11] had een vuist moeten maken en op deze vuist moeten blazen. Tegelijkertijd moest [slachtoffer 11] met zijn andere hand de voorhuid naar achteren trekken;

- dit is een keer gebeurd in de [hal voetbalschool 1] na een training;

- [verdachte] heeft de jongens een keer onderzocht toen ze in het [naam hotel] in Venlo waren. Dit was in april 2008.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 29 augustus 2008

- Ik wil nog verklaren over een overnachting in [naam hotel] in Venlo. Volgens mij [waren er] twee jongens uit Kaldenkerken Duitsland. In ieder geval was een van de Duitse jongens met zijn voornaam “[slachtoffer 11]” genaamd.

Schriftelijk bescheid, afschrift van Abstammungsurkunde, opgemaakt te Viersen d.d. [datum]

- [slachtoffer 11] is geboren op [geboortedatum].

Feit 6 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 19 september 2008

- [Moeder slachtoffer 12], moeder van [slachtoffer 12], verklaart dat haar zoon eenmaal is gekeurd door [verdachte] in Mönchen-Gladbach. Dit is in de periode mei 2007 – juli 207 geweest;

- op haar vraag heeft wat deze keuring door [verdachte] inhield, vertelt [slachtoffer 12] haar dat hij gewogen en gemeten was en dat hij zijn onderbroek naar beneden had moeten doen en zijn plasser aan [verdachte] had moeten laten zien. [verdachte] had [slachtoffer 12] verder niet aangeraakt;

- [slachtoffer 12] droeg alleen een onderbroek bij deze keuring. [slachtoffer 12] was alleen met [verdachte] in de ruimte tijdens deze keuring.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Heythuisen d.d. [datum]

- [slachtoffer 12] is geboren op [geboortedatum].

Feit 7 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 31 oktober 2008

- [Moeder slachtoffer 13], moeder van [slachtoffer 13], heeft verklaard dat eind januari 2008 het contact is gelegd met [verdachte]. [slachtoffer 13] heeft viermaal meegedaan. In Kalkar, Vlaardingen, Ridderkerk en op Papendal;

- [slachtoffer 13] vertelde dat hij alleen met [verdachte] in een kamertje/ruimte had moeten komen. In dit kamertje/ruimte was [slachtoffer 13] door [verdachte] gemeten en gewogen. [slachtoffer 13] had onderbroek en hemd daarbij aan. Ook vertelde [slachtoffer 13] iets over het vetpercentage. Hierna had [slachtoffer 13] zich helemaal moeten uitkleden. [verdachte] had naar de plasser van [slachtoffer 13] gekeken;

- ook begrijpt [Moeder slachtoffer 13] van [slachtoffer 13] dat [verdachte] met een van zijn handen de plasser van [slachtoffer 13] had aangeraakt. Hij had de plasser “op zij gedaan.” Er is niets gebeurd met de voorhuid, omdat [slachtoffer 13] besneden is;

- volgens [Moeder slachtoffer 13] is het keuren gebeurd in Kalkar en op Papendal. Het is twee keer op dezelfde manier gegaan, zo heeft [slachtoffer 13] verteld.

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Schouwen-Duiveland d.d. [datum]

- [slachtoffer 13] is geboren op [geboortedatum].

Feit 8 met parketnummer: 04/857335-08

Proces-verbaal van aangifte d.d. 13 oktober 2008

- [Moeder slachtoffer 14], moeder van [slachtoffer 14], verklaart dat haar zoon vanaf augustus 2007 tot en met mei 2008 bijna elke zondag bij de voetbalschool van [verdachte] is geweest in Duitsland of in Groesbeek;

- [Moeder slachtoffer 14] heeft samen met haar echtgenoot met [slachtoffer 14] over [verdachte] en wat er was gebeurd gesproken. [Moeder slachtoffer 14] verklaart dat op haar eerste vraag “of er wel eens wat was gebeurd dat [slachtoffer 14] raar vond, of niet vond kloppen”, [slachtoffer 14] zich schaamde, dat hij wegdraaide met een soort grimas op zijn gezicht en zij zag aan zijn reactie dat er wat gebeurd was. Op haar vraag of [verdachte] aan zijn plasser heeft gezeten, antwoordt [slachtoffer 14] dat [verdachte] dat wel wilde, maar dat hij een stap achteruit had gedaan en dat hij toen zelf de voorhuid naar achteren moest doen;

- dit is gebeurd in Mönchen-Gladbach. Het is tweemaal gebeurd;

- [slachtoffer 14] zei dat hij alleen een onderbroekje aanhad en dat [verdachte] ook met een stethoscoop over zijn hele buik heen had geluisterd en dat [verdachte] had gezegd dat hij te weinig vet had;

- [slachtoffer 14] vertelde tijdens dit gesprek “ik ben bang voor [verdachte].”

Schriftelijk bescheid, afschrift van akte van geboorte, opgemaakt te Hilversum d.d. [datum]

- [slachtoffer 14] is geboren op [geboortedatum].

De rechtbank dient allereerst een oordeel te geven over het verweer terzake van het ontbreken van strafrechtelijk relevante handelingen door verdachte. Zij overweegt dienaangaande het volgende.

Blijkens de wetsgeschiedenis is het doel van de zedelijkheidswetgeving, waaronder artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment, niet in staat zijn. Bij ontucht moet het daarbij, blijkens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, gaan om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad is evenwel niet vereist dat er sprake is van contact in de zin dat er lichamelijke aanraking moet hebben plaats¬gevonden, noch behoeft er sprake te zijn van een pluraliteit van ontuchtige hande¬lingen.

De rechtbank dient eerst te beoordelen of er naar objectieve maatstaven gemeten sprake is van ontucht naar de heersende sociaal-ethische norm.

In de tenlasteleggingen is sprake van de volgende handelingen:

• het laten tonen van de penis aan verdachte;

• het laten terugschuiven van de voorhuid van de penis door het slachtoffer;

• het betasten en/of vastpakken van de penis door verdachte;

• het betasten van de lies/liezen door verdachte;

• het betasten van de bil/billen door verdachte.

Uit het strafdossier is op te maken dat de slachtoffers zich in aanwezigheid van alleen verdachte moesten ontkleden tot op de onderbroek en dat het betasten en/of vastpakken van de penis van het slachtoffer (mede) bestond uit het terugschuiven van de voorhuid van de penis door verdachte. Ook blijkt dat verdachte de slacht¬offers liet blazen op de hand/vuist, zodat de voorhuid van de penis gemakkelijker kon worden teruggeschoven. In een enkel geval werd het slachtoffer gevraagd de penis tegen de buik te houden. Enkele jongens werden aangeraakt in de liezen of aan de billen. Ook werd er met een stethoscoop geluisterd aan de borst en/of rug.

Deze handelingen zijn niet per se seksueel van aard. Zo zal tijdens geneeskundige onderzoeken door een arts ter controle van de eikel en de plasbuis gevraagd kunnen worden de voorhuid weg te schuiven. Ook is het blazen op de vuist niet ongebruike¬lijk bij het onderzoek door een arts naar de aanwezigheid van een liesbreuk. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de maatschappij dergelijke handelingen, in het licht van de omstandigheden waaronder die (ten laste gelegde) handelingen plaatsvonden als seksueel worden beschouwd en niet in overeenstemming worden geacht met de huidige sociaal-ethische norm. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het bovenstaande oordeel wordt bevestigd door het navolgende. Uit het dossier blijkt dat de ouders en enkele betrokken jongens van mening zijn dat verdachte dergelijke keuringen, waarbij onder meer het geslachtsdeel moet worden getoond en wordt aangeraakt, niet zou mogen doen. Er is bij hen ook sprake van gekrenktheid, boos¬heid en schaamte. Dergelijke gevoelsuitingen passen naar het oordeel van de rechtbank niet bij het karakter van algemeen aanvaard (seksueel) gedrag. Dat enkele van de slachtoffers niet doorhadden en (nog) niet doorhebben wat de sociaal-ethische norm in deze is, doet aan het oordeel niet af. Evenmin is relevant dat de slachtoffers eerst achteraf beseften dat er een norm was overtreden door verdachte.

De rechtbank kan voor haar oordeel ook niet om het feit heen dat verdachte (enkele) jongens op het hart heeft gedrukt over de keuringen, die hij hen uitvoerde, niet met anderen te spreken. Uit dit gedrag is af te leiden dat verdachte wist, althans zich bewust was, dat er een heersende sociaal-ethische seksuele norm is, waarvan hij zélf vond dat zijn gedrag er kennelijk niet geheel mee spoorde.

De rechtbank vindt voorts steun voor haar oordeel in de gedragsregels van het NOC*NSF (waarbij ook de KNVB is aangesloten) ter preventie van seksuele intimi¬datie. Niet alleen schrijven deze regels voor dat seksuele handelingen en seksuele relaties tussen de begeleider en de jeugdige sporter tot zestien jaar onder geen beding geoorloofd zijn en worden beschouwd als seksueel misbruik, maar ook het niet functioneel bekijken van de (volwassen) sporter, waarbij de aandacht is gericht op de geslachtsdelen, als het op een zodanige wijze aanraken van die sporter, van met name de geslachtsdelen, billen en/of borsten, waarbij deze aanraking door dader of slachtoffer als seksueel of erotisch zal worden ervaren, wordt niet juist geacht. Verdachte was actief als scheidsrechter binnen de KNVB en had daarom van deze gedragsregels op de hoogte behoren te zijn.

Tot slot hecht de rechtbank in dit verband waarde aan de verklaring van getuige-deskundige T.C. Groendijk, jeugdarts en manager jeugdgezondheidszorg voor de leeftijd 4 tot 19 jarigen bij de GGD regio Noord- en Midden-Limburg. Deze arts verklaart dat bepaalde handelingen, zoals het controleren van de voorhuid en eikel geen enkel doel dienen in het kader van een sportkeuring.

Voorts dient de rechtbank te beoordelen of het ervaren van seksuele opwinding relevant is voor de vraag of er sprake is van strafrechtelijk relevant gedrag.

De rechtbank is van oordeel dat deze vraag negatief beantwoord dient te worden. Zij overweegt dat er sprake is van ontucht als bedoeld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, waarbij er sprake is van handelingen die in het licht van de omstandigheden waaronder zij zijn uitgevoerd door de verdachte in objectieve zin een seksuele strekking hebben. De individuele beleving van de dader noch die van de slachtoffers is hierbij van belang.

Overigens kan de rechtbank de raadsman niet volgen in de stelling dat er geen aanwijzingen zijn voor pedoseksualiteit. Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank wijst er op dat psychiater H.L.C. Morre op 15 juli 2008 in zijn advies¬rapportage aan de rechter-commissaris de conclusies van psychiater-psychoanaly¬ticus M.J. van Weers d.d. 14 juni 2000 en psycholoog-psychotherapeut S. Labrijn d.d. 5 oktober 2000 onderschrijft dat er zeer waarschijnlijk sprake is van pedofilie (pagina 6), en de rechtbank concludeert uit de rapportage van 27 september 2008 van psychiater P.J. Vervoort dat deze deskundige niet uitsluit dat er sprake is van een seksueel aspect.

De rechtbank wijst daartoe op hetgeen door Vervoort (op pagina 3) uit het rapport van psychiater Weers van 14 juni 2000 wordt aangehaald:

• “… het is aannemelijk dat er sprake is van pedofilie. Deze laatste diagnose kon echter niet onomstotelijk worden vastgesteld omdat betrokkene zijn seksuele verlangens en fantasieën massaal verdringt”;

en op het feit dat deze arts (op pagina 8) benadrukt dat het verschil tussen zijn diagnose en die van Weers en psycholoog Labrijn in 2000 relatief klein is.

Vervoort schrijft in zijn rapportage weliswaar:

• “Hij kan geen alternatieve verklaring geven voor zijn handelen. Dit maakt de kans op een seksueel motief voor zijn handelen groter. Maar rapporteur is niet zeker of betrokkene daadwerkelijk fantaseert over en/of zich aangetrokken voelt tot seks met kinderen” (pagina 8),

• “Het blijft onduidelijk of tevens sprake is van pedofilie” (pagina 8), en

• “Rapporteur kan niet met zekerheid zeggen of er ook een seksueel aspect aan dit verlangen [sportkeuringen te geven en het gevoel meer status (dokter) te hebben; toevoeging en cursivering rechtbank] verbonden was” (pagina 9),

maar voorts geeft deze arts aan dat in de risico-taxatie terzake van het bepalen van de kans op recidive de volgende factoren een rol spelen:

• “slachtoffer geweest van seksueel misbruik, mogelijke relatieproblemen, veroor¬deling voor ontucht in het verleden en minimalisering bij het bespreken van het delict” (pagina 9),

waarbij geconcludeerd wordt dat er, vooral bij het ontbreken van een adequate behandeling, op lange termijn deze kans hoger is.

Uit deze citaten en uit de weergave van de “relevante informatie uit de gerechtelijke stukken”, zoals die door de psychiater zijn weergegeven op pagina 3 van zijn rapportage, is de rechtbank van oordeel gerechtvaardigd te mogen concluderen dat er wel degelijk aanwijzingen zijn voor een dieperliggende pedoseksuele ontwikkeling.

Op grond van bovenstaande overwegingen verwerpt de rechtbank het verweer.

De rechtbank heeft de overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Deze overtuiging is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover uit het bovenstaande overzicht van bewijsmiddelen naar voren komt dat er niet voor ieder feit sprake is van een volgens de wet sluitend bewijs, omdat er alleen sprake is van een verklaring van een ouder tijdens de aangifte, is de recht¬bank van oordeel dat de andere aangiftes zonder meer als steunbewijs kunnen worden gehanteerd. In het onderliggende strafdossier wordt immers uit de aangiftes duidelijk dat verdachte een min of meer vaststaand patroon volgde bij het benaderen, enthousiasmeren, binden, trainen en keuren van de slachtoffers. Hij besteedde daarbij ook volgens een redelijk vast stramien aandacht aan de ouders.

De rechtbank stelt de volgende modus operandi vast.

De verdachte deed zich naar de jongens en hun ouders voor als jeugdtrainer bij verschillende profclubs in Nederland en Duitsland, zoals NEC, VVV en Borusia Mönchen-Gladbach. Hij vertelde ook dat hij scheidsrechter bij de KNVB was. Verdachte benaderde over het algemeen rechtstreeks de jongens, die vrijwel allemaal om en nabij de 10-11 jaar waren, na wedstrijden bij hun voetbalclub, op toernooien of bijvoorbeeld toevallig op een terrasje of op straat. Hij vertelde dat hij scout was en droeg trainingskledij van de KNVB of bijvoorbeeld Borusia MG. Hij spiegelde hen voor dat door bij hem te trainen zij een kans zouden maken op een plaats bij de eerder genoemde profclubs. Hij nodigde de jongens, na introductie bij de ouders, uit voor een aantal proeftrainingen. Alles zonder kosten, omdat een en ander geheel door de profclub zou worden gefinancierd. Verdachte zorgde kostenloos ook voor trainingspakken, voetbalkledij en schoenen. De trainingen vonden plaats op verschillende trainingscomplexen en voetbalscholen in Nederland en Duitsland op de woensdagnamiddag en de zondag. De ouders waren welkom bij de trainingen. Als de ouders zonder vervoer waren, konden de jongens door hemzelf gehaald en gebracht worden. Verdachte nam met verschillende teams van “zijn” jongens deel aan toernooien. Hij betrok verschillende (groot)ouders van de jongens bij de organisatie van zijn trainingen. Verscheidene malen regelde hij overnachtingen voorafgaand en tijdens deze toernooien bijvoorbeeld in een hotel Venlo en bij de scouting in Vlaardingen. Ouders waren bij deze overnachtingen ook altijd aanwezig.

Verdachte bekostigde de huur van de velden en kleedruimtes, de deelname aan toernooien, de overnachtingen en de ter beschikking gestelde kleding uit eigen zak. Naar de verhuurders van de accommodaties en de organisatoren van de toernooien toe deed hij het voorkomen dat hij werkzaam was voor een club of voetbalschool.

De verdachte meldde de jongens en hun ouders dat een medische keuring deel uit maakte van de begeleiding. De voetballers zouden met enige regelmaat worden gekeurd. Dit keuren zou onder meer bestaan uit wegen, meten en vetpercentages meten. Verdachte deelde een medisch reglement uit aan de ouders en verstrekte ook foldermateriaal over onder meer voorhuidhygiëne. Verdachte liet bij verschil¬lende ouders doorschemeren dat er sprake was van een medische staf waar hij over kon beschikken.

De medische keuringen werden door verdachte zelf en ook steeds op dezelfde manier uitgevoerd. Hij liet de jongens komen in een aparte ruimte waar op dat moment alleen hij en het betreffende jongetje aanwezig was. De jongens moesten zich tot op de onderbroek uitkleden. Hij voerde de bovengememoreerde metingen uit en maakte daarvan soms notities en rapportjes voor de ouders. Hij vroeg vervolgens de jongens hun penis te tonen en de voorhuid naar achter te schuiven. Verdachte droeg de jongens soms op om op hun hand of vuist te blazen, terwijl zij de voorhuid verschoven. Verdachte raakte verschillende jongens aan de penis aan en deed enkele malen zelf de voorhuid van de penis van de jongens naar achteren. Ook raakte verdachte van verschillende jongens de liezen en de billen aan. Enkele keren was er sprake van het gebruik van een stethoscoop door de verdachte. In de loop van de trainingen die de jongens bij verdachte volgden werd de frequentie van deze keuringen door verdachte opgevoerd.

De keuringen werden door verdachte niet alleen na de training of wedstrijden uitge¬voerd, maar ook voorafgaand aan een toernooi in een hotel te Venlo, in de eigen woning van verdachte en bij een enkel jongetje thuis.

De verdachte maakte duidelijk dat dergelijke keuringen er gewoon bijhoorden en een enkele maal merkte hij naar de jongens op over de keuringen niet te spreken met anderen.

De rechtbank is aldus, gelet op deze uit de aangiftes blijkende modus operandi, van oordeel dat er voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewijs is.

De rechtbank overweegt daarbij ook dat zij in de verklaring van verdachte beves¬tiging vindt dat hij een vaste methode hanteerde. Een methode die hij bovendien expliciet illustreert met het geval van [slachtoffer 1].

De rechtbank overweegt tevens, en dat is naar haar oordeel van gewicht voor de waardering van dit bewijs, dat opmerkelijk is dat feiten over de handelwijze die verdachte volgde in de diverse verklaringen van zowel de slachtoffers, als van de ouders en de andere getuigen tot in detail overeenkomen. Zij ondersteunen in die zin elkaar, terwijl niet steeds van het meest belastende scenario is uitgegaan.

Uit de jurisprudentie blijkt dat aan het gebruik van een modus operandi voor het bewijs de eis wordt gesteld dat de verschillende belastende verklaringen onafhanke¬lijk van elkaar tot stand zijn gekomen. Op basis van het dossier is de rechtbank gebleken dat er weliswaar contact is geweest tussen sommige ouders over de kwestie, maar voor bewuste afstemming van verklaringen tussen ouders heeft de rechtbank geen aanwijzingen aangetroffen, noch is de rechtbank ervan overtuigd dat is sprake van afstemming tussen ouders en hun kind(eren).

De rechtbank verwerpt op grond van bovenstaande overwegingen dan ook het verweer dat de verklaringen van de jongens en hun ouders onbruikbaar en onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat slechts in drie gevallen niet toetsbaar is of de betrokken verhoorder(s) over de vereiste deskundigheid beschikte(n). Tot uitsluiting van deze aangiftes van het bewijs leidt dit echter niet. De rechtbank overweegt daartoe dat de betrokken politiebeambte(n), als deze al niet zou(den) beschikken over de vereiste deskundigheid, zich aan de Aanwijzing heeft (hebben) gehouden door niet meer te doen dan hoogst noodzakelijk en wenselijk was. In twee van de drie gevallen was deze beambte betrokken bij het informatieve gesprek en heeft zij daarna de aangifte opgenomen. Deze beambte, evenmin als de beambten in het derde geval, heeft niet de betrokken slachtoffertjes gehoord, noch heeft zij de verdachte verhoord.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de slachtoffers en aangevers bruikbaar zijn voor het bewijs. Alle slachtoffers die een (belastende) verklaring hebben afgelegd zijn gehoord door deskundige politiebeambten, evenals de aangevers (op de drie genoemde gevallen na). Uit de Aanwijzing valt op te maken dat deskundige hoorders ervaren zijn met zedenzaken, een gedegen kennis hebben van slachtofferproblematiek en ook getraind zijn kritisch te zijn ten aanzien van hun eigen werkwijze.

De rechtbank verwerpt eveneens het verweer dat de verklaring van verdachte uitgesloten moet worden van het bewijs.

Het is de rechtbank niet gebleken dat verdachte zijn wil niet in vrijheid kon bepalen en door welke omstandigheid dan ook niet in staat was te begrijpen wat er aan de orde was. De rechtbank merkt daarbij op dat het verhoor niet is voortgezet op het moment dat verdachte uitflipt en zichzelf dreigt te verwonden.

De beschouwing van deze feiten leidt de rechtbank tot het oordeel dat voor bewijsuitsluiting geen aanknopingspunten zijn. Dat het Salduz-arrest daartoe noopt is naar het oordeel van de rechtbank een conclusie die niet door deze feiten kan worden gedragen. Zij verwijst voor het gewicht van dit arrest overigens naar haar opmerkingen terzake van de ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank heeft ter terechtzitting, zoals de jurisprudentie dat vereist, op basis van de modus operandi in combinatie en in onderling verband gezien met de overige bewijsmiddelen aldus de overtuiging gekregen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 14 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 met parketnummer 04/860702-08

hij meermalen in de periode van 25 oktober 2007 tot en met 04 juni 2008 in de gemeente Groesbeek en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1];

Feit 2 met parketnummer 04/860702-08

hij meermalen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 juni 2008 in Nederland met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 2];

Feit 3 met parketnummer 04/860702-08

hij op 30 september 2007 te Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 3], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 3] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 3] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 4 met parketnummer 04/860702-08

hij op 30 september 2007 te Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 4], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 4] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 4] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 5 met parketnummer 04/860702-08

hij meermalen in de periode van 27 februari 2007 tot en met 4 juni 2008 in de gemeente Weert en/of Venlo en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 5], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 5] en/of in het kader van een zogenaamde medische keuring, het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 5] aan hem, verdachte;

Feit 6 met parketnummer 04/860702-08

hij meermalen in de periode van 1 juni 2007 tot en met 4 juni 2008 te Reuver en/of in de gemeente Venlo en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland) met [slachtoffer 6], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 6] en/of in het kader van een zogenaamde medische keuring, het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 6] aan hem, verdachte;

Feit 1 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 mei 2008 in de gemeente Venlo en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 7], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de liezen van die [slachtoffer 7];

Feit 2 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in of omstreeks de periode van 1 maart 2008 tot en met 31 mei 2008 in de gemeente Vlaardingen en/of in Dilkrath (Duitsland), met [slachtoffer 8], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de liezen en/of billen van die [slachtoffer 8];

Feit 3 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in 1 augustus 2007 tot en met 15 juni 2008 in Nederland en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 9], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, betasten van de liezen van die [slachtoffer 9] en/of het laten tonen van de penis door die [slachtoffer 9] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 9] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 4 met parketnummer: 04/857335-08

hij op 25 mei 2008 in de gemeente Vlaardingen met [slachtoffer 10], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 10] aan hem, verdachte, en in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 10];

Feit 5 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 1 juli 2008 in de gemeente Venlo en/of in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 11], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 11] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 11] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 6 met parketnummer: 04/857335-08

hij in de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 juli 2007 te Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 12], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 12] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 12] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

Feit 7 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in de periode van 1 februari 2008 tot en met 1 juni 2008 in de gemeente Arnhem en/of in Kalkar (Duitsland), met [slachtoffer 13], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande, in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 13] aan hem, verdachte, en vervolgens in het ontuchtig betasten en/of vastpakken van het geslachtsdeel van die [slachtoffer 13];

Feit 8 met parketnummer: 04/857335-08

hij meermalen in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 mei 2008 in Mönchen-Gladbach (Duitsland), met [slachtoffer 14], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig, in het kader van een zogenaamde medische keuring, laten tonen van de penis door die [slachtoffer 14] aan hem, verdachte, en vervolgens door het ontuchtig door die [slachtoffer 14] naar achteren laten trekken van de voorhuid van zijn penis;

alle feiten: artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en kwalificatie

8.1 De strafbaarheid

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar. Hetgeen door de verdediging ter zake van dit punt is opgeworpen is in het bovenstaande reeds beoordeeld.

8.2. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert 14 maal het navolgende misdrijf op:

met iemand van beneden de zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de psychiater P.J. Vervoort is omtrent de geestvermogens van verdachte op

27 september 2008 een rapportage uitgebracht. De deskundige komt tot de conclu¬sie dat er bij verdachte sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte gedeeltelijk uitsluit. Hij concludeert immers dat de verdachte, indien het tot een bewezenverklaring komt, bij het plegen van de tenlastegelegde feiten vermin¬derd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank neemt deze conclusie van de deskundige over.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid geheel opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 januari 2009 2008 met betrekking tot de op te leggen hoofdstraf gevorderd dat verdachte ter zake van de 14 maal gepleegde ontucht, als bedoeld in artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 42 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld een proef¬tijd van 10 jaren, alsmede de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasserings¬contact, ook als dat inhoudt een behandeling bij een forensisch psychiatrische kliniek, zoals de Forensisch Psychiatrische Kliniek De Horst te Tegelen. Een en ander onder aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Als bijkomende straf heeft de officier van justitie gevorderd ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van voetbaltrainer voor de duur van 6 jaren.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat verdachte van alle 14 tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Indien de rechtbank van oordeel is dat toch een straf dient te worden opgelegd, dient deze de duur van de voorlopige hechtenis niet te overschrijden. Aan een eventueel op te leggen voor¬waardelijk deel dient de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek, zoals De Horst, te worden verbonden. Met betrekking tot het beroepsverbod stelt de verdediging dat dit beperkt zou moeten worden tot het trainen van minderjarigen.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich 14 keer schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij evenzoveel jongens in de leeftijd tussen acht en twaalf jaar, waarbij die ontuchtige handelingen in het verborgene werden uitgevoerd in een driedubbele afhankelijkheidsrelatie, namelijk tussen volwassene en kind, tussen voetbaltrainer en pupil en tussen uitvoerder van een medische keuring en gekeurde.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen in zijn algemeenheid gekarakteriseerd moeten worden als minder indringend, gelet op de aard van de handelingen, waarbij zelfs niet in alle gevallen door verdachte het betreffende slachtoffer is aangeraakt.

Dit oordeel neemt niet weg dat door de bewezen verklaarde feiten inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van deze jonge slachtoffers is gemaakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat er bij jeugdige slachtoffers van een delict als het bewezenverklaarde, lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun sociale en seksuele ontwikkeling ernstig kunnen worden belemmerd.

Blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister is verdachte reeds eerder ter zake van ontuchtige handelingen buiten echt met jeugdigen onder de zestien jaar onder identieke omstandigheden gepleegd, veroordeeld. Verdachte is daarbij een proeftijd met reclasseringstoezicht van twee jaar opgelegd. Het is de rechtbank gebleken dat verdachte, zodra hij onder het toezicht van de reclassering vandaan was, zich opnieuw met zijn oude hobby van het trainen van minderjarige voetballers is gaan bezighouden en een nieuw soortgelijk netwerk heeft opgebouwd. Hierdoor heeft de verdachte zich bewust blootgesteld aan een vergelijkbare situatie als die heeft geleid tot zijn veroordeling. En waarbij gebleken is dat hij zich, ondanks zijn behandeling en begeleiding, niet voldoende gewapend heeft tegen de verlei¬dingen van status en macht en van seksuele aard, die uit die situatie voor hem voortvloeiden.

Tijdens het verhoor bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte niet echt blijk gegeven dat hij zich de onjuistheid van zijn handelwijze realiseerde. Zijn gevoelens van schaamte en spijt betrekken zich naar het oordeel van de rechtbank vooral op de angst voor vervolging en veroordeling. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de rapportages van de psychiater en de reclassering. Zij hecht aan het ontbreken van inzicht en oprechte spijt in het licht van de gekrenkte gevoelens van de slacht¬offers en het beschaamde vertrouwen van de ouders en gelet op de maatschap¬pelijke onrust die dit soort feiten tot gevolg heeft, veel gewicht.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met:

• de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte;

• de ernst en aard van de feiten, die op de schaal van aantasting van de lichamelijke integriteit als minder indringend moeten worden beschouwd, met name omdat er geen sprake is van seksueel binnendringen, maar van bekijken en/of betasten van het geslacht en/of liezen en/of billen van de verschillende slachtoffers;

• het feit dat verdachte recidiveert en het feit dat eerdere behandelingen tijdens de proeftijd onvoldoende zijn gebleken;

• de wijze waarop verdachte zijn handelingen heeft geregisseerd (het proces van grooming) en uitgevoerd;

• het feit dat de slachtoffers ten tijde van de bewezenverklaarde feiten de leeftijd van 13 jaar nog niet hadden bereikt, waarbij de jongste 8 jaar was.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, onder meer omdat ver¬dachte zich bereid heeft verklaard mee te werken aan behandeling in een forensisch psychiatrische instelling en de rechtbank tegen die achtergrond niet overtuigd is dat een dergelijk lange proeftijd als de officier heeft geëist noodzakelijk is. De rechtbank acht het echter wel noodzakelijk een proeftijd op te leggen, omdat vastgesteld kan worden dat een proeftijd, zoals die is opgelegd bij de vorige veroordeling ontoe¬reikend is gebleken. Met het opleggen van een (deels) voorwaardelijke gevangenis¬straf wordt de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal anders dan de officier van justitie heeft geëist geen verbod opleggen, als bedoeld in artikel 28 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt daarbij dat niet is gebleken dat verdachte in de uitoefening van zijn beroep, begrepen als bezoldigde betrekking, tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen. Uit het dossier blijkt dat verdachte louter hobbymatig en zonder tegen¬prestatie van de ouders of van derden de voetbaltrainingen heeft verzorgd. De rechtbank is ook overigens niet gebleken dat verdachte over de vereiste opleiding en diploma’s beschikt om de functie van (jeugd)voetbaltrainer als beroep uit te oefenen.

10.4 De vorderingen van de benadeelde partijen

De officier van justitie heeft gerequireerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat alle vorderingen van de benadeelde partijen gelet op de complexiteit van psychische schade voor niet-ontvankelijk dienen te worden gehouden, dan wel afgewezen dienen te worden, omdat zij onvoldoende onderbouwd zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van alle benadeelde partijen voor zover zij inhouden een vordering tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De rechtbank overweegt daartoe dat, gelet op de summiere onderbouwing, thans, gelet op de ingewikkeldheid van dergelijke vorderingen en de in het licht van de feiten vereiste zorgvuldigheid, niet kan worden beoordeeld dat, en óf er sprake is van een rechtstreeks verband tussen de beweerdelijke schade en de strafbare hande¬lingen. En zij overweegt daarbij dat niet in alle gevallen eenduidig is wat de oorzaak van de zorgen, emoties en het psychisch leed is, en in hoeverre een en ander ade¬quaat kan worden uitgedrukt in de omvang van de toe te kennen schadevergoeding. De rechtbank laat bij dit oordeel over het te gecompliceerde karakter van de vorde¬ringen meewegen dat voor vergelijkbare feiten de gevorderde bedragen zeer uiteen¬lopen.

De vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12].

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank de vorderingen waarin alleen een immateriële schade is gevorderd in het geheel niet-ontvankelijk verklaren. Dit betreffen de vordering van [slachtoffer 8], wonend te Grubbenvorst, [slachtoffer 9], wonend te Nettetal (Dld), [slachtoffer 11], wonend te Nettetal (Dld) en [slachtoffer 12], wonend te Baexem. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen, desgewenst, bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Niet gebleken is dat de benadeelde partijen en de verdachte (extra) kosten hebben gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7]

[slachtoffer 7], wonende [adres] heeft een vorde¬ring benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegd feit met parketnummer 04/857335-08 geleden immateriële en materiële schade. [slachtoffer 7] heeft de immateriële schade op een bedrag van

€ 600,= gesteld. De materiële schade heeft hij gesteld op € 21,12. Deze materiële kosten bestaan uit gemaakte reiskosten ten behoeve van het opsporingsonderzoek.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegd feit met parketnum¬mer 04/857335-08 bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal terzake van dat feit worden veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor zover zij betrekking heeft op de vergoeding van de immateriële schade, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent hierboven is overwogen. Met betrekking tot de materiële schade overweegt de rechtbank dat het hier kosten betreft die direct te relateren zijn aan het strafrechtelijk onderzoek. De verdediging heeft deze mate¬riële kosten niet of onvoldoende weersproken. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de ze schade. De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van € 21,12. Dit toegewezen bedrag wordt definitief, zodra het strafvonnis, waarvan de beslissing omtrent de schadevergoeding deel uitmaakt, onherroepelijk is.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig hetgeen hierboven is overwogen, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken en zal daaromtrent beslissen zoals in het dictum, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 21,12 te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag. Dit ten behoeve van [slachtoffer 7], zoals hierna in het dictum genoemd.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6]

[slachtoffer 6], wonende [adres] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 6 ten laste gelegde feit met parketnummer 04/860702-08 geleden immateriële en materiële schade. [slachtoffer 6] heeft de immateriële schade op een bedrag van € 1500,= gesteld. De materiële schade heeft [slachtoffer 6] gesteld op

€ 164,=. Deze materiële kosten bestaan uit betaalde contributie voor gemiste voetbaltrainingen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 6 ten laste gelegd feit met parket¬nummer 04/860702-08 bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal terzake van dat feit worden veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor zover zij betrekking heeft op de vergoeding van de immateriële schade, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent in de inleiding is overwogen. Met betrek¬king tot de materiële schade overweegt de rechtbank dat het hier kosten betreft die direct te relateren zijn aan het strafrechtelijk feit. De verdediging heeft deze materiële kosten niet of onvoldoende weersproken. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de ze schade. De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van € 164,=. Dit toegewezen bedrag wordt definitief, zodra het strafvonnis, waarvan de beslissing omtrent de schadevergoeding deel uitmaakt, onherroepelijk is.

De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig hetgeen hierboven is overwogen, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken en zal daaromtrent beslissen zoals in het dictum, thans begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 164,= te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen. Dit ten behoeve van [slachtoffer 6], zoals hierna in het dictum genoemd.

De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit met parketnummer 04/860702-08 geleden immateriële en materiële schade. [slachtoffer 1] voornoemd heeft de immate¬riële schade op een bedrag van € 1500,= gesteld. De materiële schade heeft [slachtoffer 1] gesteld op € 44,=. Deze materiële kosten bestaan uit betaalde contributie voor gemiste voetbaltrainingen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegd feit met parket¬nummer 04/860702-08 bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor zover zij betrekking heeft op de vergoeding van de immateriële schade, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De rechtbank verwijst naar hetgeen hieromtrent hierboven is overwogen. Met betrekking tot de materiële schade overweegt de rechtbank dat het hier kosten betreft die direct te relateren zijn aan het strafrechtelijk feit. De verdediging heeft deze materiële kosten niet of onvoldoende weersproken. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de ze schade. De rechtbank zal de schade vaststellen op een bedrag van € 44,=. Dit toegewezen bedrag wordt definitief, zodra het strafvonnis, waarvan de beslissing omtrent de schadevergoeding deel uitmaakt, onherroepelijk is. De rechtbank zal over de vordering van de benadeelde partij, overeenkomstig hetgeen hierboven overwogen is, beslissen zoals hierna is vermeld, alsmede over de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken en zal daaromtrent beslissen zoals in het dictum, thans begroot op nihil. De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 44,= te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dagen. Dit ten behoeve van [slachtoffer 1], zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 247 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de 14 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat de aldus bewezenverklaarde feiten elk het hiervoor vermelde strafbare feit opleveren en verklaart verdachte ter zake van elk van die feiten strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 30 maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf 12 maanden niet zullen worden tenuitvoer¬gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 5 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende maximaal de periode van de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling bij een forensisch psychiatrische instelling, zoals de FPP De Horst te Tegelen, gedurende de maximale periode van de proeftijd, waarbij verdachte zich heeft te houden aan de aanwijzingen van de behandelaars, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht, met opdracht aan die instelling aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde;

met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 8], [slachtoffer 9], [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12]:

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te [adres], voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 350,= niet-ontvankelijk in zijn vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9], wonende [adres], voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 500,= niet-ontvankelijk in zijn vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11], wonende [adres], voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 600,= niet-ontvankelijk in zijn vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 12], wonende [adres], voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 500,= niet-ontvankelijk in zijn vordering, met bepaling dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7]:

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende [adres], te betalen een bedrag van € 21,12;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 21,12, - subsidiair 1 dag hechtenis; dit ten behoeve van het slacht¬offer genaamd [slachtoffer 7], wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voor¬meld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 600,= niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6]:

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende [adres] te betalen een bedrag van € 164,=;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 164,= subsidiair 3 dagen hechtenis; dit ten behoeve van het slacht¬offer genaamd [slachtoffer 6], wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voor¬meld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 1500,= niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1]:

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres] te betalen een bedrag van € 44,=;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 44,= subsidiair 1 dag hechtenis; dit ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1],wonende [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij voor de gevorderde immateriële schade ter hoogte van € 1500,= niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, F. Oelmeijer en E.J.H.G. van Binnebeke rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 26 januari 2009.

typ: PIJL