Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG9421

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
09-01-2009
Zaaknummer
AWB 08 / 693
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit is alsnog de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer afgewezen omdat eiser bij zijn aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen (artikel 4:6 Awb). Rb oordeelt dat verweerder terecht het in die jurisprudentie gehanteerde uitgangspunt op de aanvraag van eiser van toepassing heeft geacht.

De rechtbank is in dit verband van oordeel dat een zorgvuldige hantering van voormeld uitgangspunt gebiedt dat een aanvrager van bijstand die niet onderkent dat op hem de last rust om gewijzigde omstandigheden aan te tonen, daarop zijdens het bevoegde college, eventueel met toepassing van artikel 4:5, tweede lid, van de Awb, wordt gewezen. Dit is in dit geval evenwel nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvoor in dit geval te meer aanleiding nu blijkens het besluit van 22 oktober 2007 de intrekking van zowel de algemene bijstand (per 27 februari 2007) als de bijzondere bijstand (per 1 oktober 2007) was gebaseerd op de grond dat eiser vanaf 27 februari 2007 over een inkomen beschikte dat hoger of minimaal gelijk was aan de voor hem geldende bijstandnorm, terwijl bij die intrekking niet is beoordeeld of eisers inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm al dan niet zijn draagkracht overschreed. Verweerder had daarom bij het nemen van het besluit van 22 oktober 2008 niet mogen volstaan met de constatering dat eiser geen melding heeft gemaakt van gewijzigde omstandigheden, maar had hem alsnog in de gelegenheid moeten stellen om gegevens over zijn inkomen en overige middelen aan te leveren op grond waarvan had kunnen worden beoordeeld of zijn draagkracht toereikend is om de kosten van het vrijwillig budgetbeheer voor eigen rekening te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 693

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. J.H.M. Verstraten

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen een weigering hem bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer, ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

1.3. Op 22 oktober 2008 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen in die zin dat de aanvraag om bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is afgewezen.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 10 december 2008, waar namens eiser is verschenen zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg en mr. M.H.L. Bovée. Ter zitting heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het besluit van 22 oktober 2008 wordt betrokken bij de beoordeling van het beroep.

2. Overwegingen

2.1. Eiser heeft op 10 januari 2008 een aanvraag ingediend voor (verlenging van) bijzondere bijstand in de kosten van budgetbegeleiding. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft verweerder eiser meegedeeld dat volgens gewijzigd intern beleid de kosten voor vrijwillig budgetbeheer vanaf 1 januari 2008 geen bijzondere bijstand meer wordt verstrekt en de aanvraag om die reden afgewezen.

2.2. Bij besluit van 22 april 2008 heeft verweerder het tegen het besluit van 12 februari 2008 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in beginsel geen bijstand kan worden verleend voor de aflossing van schulden en dat er voorts sprake is van een voorliggende voorziening bestaande uit de gemeentelijke afdeling schuldhulpverlening. Verder heeft verweerder, kennelijk subsidiair, overwogen dat de kosten van budgetbeheer en -begeleiding, nu die vrijwillig zijn aangegaan, niet behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan.

2.3. In beroep is gemotiveerd betoogd dat de kosten van vrijwillig budgetbeheer behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan en voor bijstandsverlening in aanmerking komen.

2.4. Bij besluit van 22 oktober 2008 heeft verweerder meegedeeld dat hij het besluit op bezwaar heeft gewijzigd die zin dat hij de aanvraag om bijstand in de kosten van vrijwillig budgetbeheer alsnog op de voet van artikel 4:6 van de Awb met verwijzing naar het besluit van 22 oktober 2007 heeft afgewezen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat aan eiser eerder, namelijk bij besluit van 5 maart 2007, bijzondere bijstand is toegekend voor de kosten van vrijwillig budgetbeheer ingaande 1 januari 2007 en voor een periode van maximaal twee jaar, terwijl bij besluit van 22 oktober 2007 zowel de toegekende algemene bijstand als de bijzondere bijstand ingaande 1 oktober 2007 is beëindigd wegens de hoogte van eisers inkomen per 27 februari 2007. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat de aanvraag om bijzondere bijstand van 22 januari 2008 moet worden gezien als een nieuwe aanvraag met ingang van een latere datum, welke aanvraag in volle omvang moet worden beoordeeld, maar waarbij aan de eerdere afwijzing betekenis toekomt. Nu door eiser bij de aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gemeld die aantonen dat hij inmiddels wel voldoet aan de vereisten om voor (bijzondere) bijstand in aanmerking te komen, heeft verweerder alsnog geconcludeerd dat de aanvraag moet worden afgewezen met verwijzing naar het besluit van 22 oktober 2007.

2.5. Nu het besluit van 22 oktober 2008 een wezenlijke wijziging van de motivering van de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van bijzondere bijstand inhoudt, komt dat besluit volledig in de plaats van het besluit van 22 april 2008 en, nu daarmee niet aan het beroep tegemoet wordt gekomen, wordt het beroep ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 22 oktober 2008.

2.6. Uit het voorgaande volgt tevens dat eiser bij beoordeling van het beroep tegen het besluit van 22 april 2008 geen belang meer heeft, nu reeds uit het niet handhaven van dat besluit volgt dat eiser in aanmerking komt voor vergoeding van het griffierecht en de kosten van het beroep door verweerders gemeente, en niet is gesteld dat hij overigens schade lijdt door dat besluit.

2.7. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum inderdaad op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden in die zin dat de betrokkene inmiddels wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Nu het hier gaat om bijzondere bijstand met een periodiek karakter heeft verweerder terecht het in die jurisprudentie gehanteerde uitgangspunt op de aanvraag van eiser van toepassing geacht.

2.8. De rechtbank is in dit verband van oordeel dat een zorgvuldige hantering van voormeld uitgangspunt gebiedt dat een aanvrager van bijstand die niet onderkent dat op hem de last rust om gewijzigde omstandigheden aan te tonen, daarop zijdens het bevoegde college, eventueel met toepassing van artikel 4:5, tweede lid, van de Awb, wordt gewezen. Dit is in dit geval evenwel nagelaten. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvoor in dit geval te meer aanleiding nu blijkens het besluit van 22 oktober 2007 de intrekking van zowel de algemene bijstand (per 27 februari 2007) als de bijzondere bijstand (per 1 oktober 2007) was gebaseerd op de grond dat eiser vanaf 27 februari 2007 over een inkomen beschikte dat hoger of minimaal gelijk was aan de voor hem geldende bijstandnorm, terwijl bij die intrekking niet is beoordeeld of eisers inkomen voor zover dat meer bedraagt dan de bijstandsnorm al dan niet zijn draagkracht overschreed.

2.9. Verweerder had daarom bij het nemen van het besluit van 22 oktober 2008 niet mogen volstaan met de constatering dat eiser geen melding heeft gemaakt van gewijzigde omstandigheden, maar had hem alsnog in de gelegenheid moeten stellen om gegevens over zijn inkomen en overige middelen aan te leveren op grond waarvan had kunnen worden beoordeeld of zijn draagkracht toereikend is om de kosten van het vrijwillig budgetbeheer voor eigen rekening te nemen. Nu verweerder zulks heeft nagelaten komt het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 van de Awb en artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.10. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder in het besluit van 22 oktober 2008 heeft aangegeven dat eiser, indien hij weer voor de gevraagde bijzondere bijstand in aanmerking zou komen, aan de eerdere toekenning tot 1 januari 2009 een in rechte te honoreren vertrouwen kan ontlenen dat de bijstand tot die datum wordt voortgezet. De rechtbank leidt daaruit af dat verweerder, indien eiser erin slaagt om gegevens over te leggen waaruit blijkt dat zijn draagkracht vanaf datum aanvraag ontoereikend is, de gevraagde bijzondere bijstand tot 1 januari 2009 zal verlenen zonder te toetsen of voldaan is aan het vereiste dat er sprake moet zijn van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan.

2.11. De rechtbank acht ten slotte termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2008 niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 22 oktober 2008 gegrond;

vernietigt het besluit van verweerder van 22 oktober 2008;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op EUR 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Venlo;

bepaalt dat de gemeente Venlo aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 30 december 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.