Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG7851

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
04/860295-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij minderjarige verdachten, in uitzonderlijke gevallen, de consquentie voor het overschrijden van de redelijke termijn, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan zijn. De rechtbank overweegt dat op de uitgangspunten zoals geformuleerd in de arresten van de Hoge Raad ( 17 juni 2008, NJ 2008/358 en 16 december 2008, LJN: BF3181), voor minderjarigen uitzonderingen bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 43
NBSTRAF 2009/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860295-08

Uitspraak d.d. : 22 december 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 december 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 5 oktober 2006 te [woonplaats], in elk geval in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (in totaal (ongeveer) 140 afbeeldingen en/of films) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, te weten een of meer harde

schijf/schijven en/of een cd-rom met onder meer de navolgende afbeeldingen

en/of films:

- [bestandsnaam].jpg:

Meisje van een jaar of vijf à zes ligt met een naakt onderlichaam op de rand van een bed met haar beentjes hangend. Haar beentjes zijn gespreid. op de grond met zijn voorpoten op het bed leunend staat een grote hond. De hond heeft een stijve penis en duwt zijn penis in de vagina van het meisje (CK-4-01, "cd van [voornaam]"),

- [bestandsnaam].jpg:

Een naakt meisje van nauwelijks een jaar oud ligt met gespreide beentjes op haar rug op een bed. zij heeft haar beentjes wijd gespreid. Haar vagina is nadrukkelijk in beeld gebracht en overdekt met sperma (cd-rom 06-0188, map 06-0188-007-04\grafische bestanden\),

- [bestandsnaam].jpg:

Een naakt meisje van acht jaar ligt met gespreide benen op haar rug op een bed. Tussen haar benen knielt een volwassen man. De man heeft een erectie en duwt zijn stijve penis in de anus van het voor hem liggende meisje (cd-rom 06-0188, map 06-0188-007-04\grafische bestanden\),

- [bestandsnaam].jpg:

Een naakt meisje van rond de vier jaar ligt met gespreide benen op haar buik op een bed. Haar polsen zijn door middel van een koord op haar rug gebonden. Tussen haar benen knielt een volwassen naakte man. De man heeft een erectie en

duwt zijn stijve penis in de anus van het voor hem liggende meisje (cd-rom 06-0188, map 06-0188-007-04\grafische bestanden\),

- [bestandsnaam].jpg:

een volwassen man, gekleed in shorts en een t-shirt knielt met zijn knieën wijd uiteen op een bed. Met haar hoofd op zijn bovenbeen ligt een meisje van een jaar of vier à vijf op haar rug op het bed. Haar bovenlichaam is naakt. De stijve penis van de man steekt door zijn gulp naar buiten en de man masturbeert. Hij heeft kennelijk net geëjaculeerd op de mond van het meisje. Op de mond van het meisje is sperma te zien

(cd-rom 06-0188, map 06-0188-013\grafische bestanden\),

(telkens) in zijn bezit heeft gehad;

(artikel 240b Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Uit een onderzoek door de Spaanse politie bleek dat op 25 oktober 2005 via een IP-adres toebehorend aan een Nederlandse Internet Provider kinderpornografisch beeldmateriaal werd verspreid.

Op 23 december 2005 ontving het KLPD via Eurojust een rapport van de Spaanse politie waarin werd gerelateerd dat mogelijk kinderpornografisch beeldmateriaal werd verspreid door een persoon gebruikmakend van een IP-adres toebehorend aan een Nederlandse Internet Provider.

Op dezelfde datum, dat wil zeggen 23 december 2005, werd de vordering op grond van artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering (verder WvSv.) gedaan tot verstrekking van de gebruikersgegevens.

Op 29 december 2005 werden de betreffende gegevens aan het KLPD verstrekt. Uit de gegevens bleek dat het IP-adres op naam stond van de moeder van verdachte en dat o.a. het E-mailadres van verdachte aan dit IP-adres gekoppeld was.

De moeder van verdachte werd, naar de rechtbank aanneemt omdat het IP-adres op haar naam stond, als verdachte aangemerkt.

Op 30 mei 2006 werd op het adres [voormalig adres verdachte] binnengetreden. Bij binnenkomst werd door de nieuwe bewoonster meegedeeld dat verdachte en zijn familie sinds twee weken woonachtig waren op het adres [adres verdachte].

Op 14 juni 2006 ontving de politie regio Limburg-Noord, middels tussenkomst van de regiopolitie Gelderland-Zuid, het proces-verbaal van het KLPD.

Op 2 augustus 2006 heeft de officier van justitie in het arrondissement Roermond bij de rechter-commissaris ex artikel 110 WvSv. een vordering tot doorzoeking ter inbeslagneming op het adres [adres verdachte] gedaan. Deze doorzoeking heeft op 5 oktober 2006 plaatsgevonden.

Het Bureau Digitale Expertise van de regiopolitie Limburg Noord heeft inbeslaggenomen gegevensdragers geanalyseerd op de aanwezigheid van kinderpornografisch gerelateerde bestanden. Deze bestanden werden aangetroffen, zoals gerelateerd in het proces-verbaal van 5 januari 2007. De betreffende bestanden werden vastgelegd op twee cd-rom’s, welke in april 2007 ter nadere analyse werden overgedragen aan het Nationaal Expertise Centrum, Productteam Bestrijding Kinderpornografie van het KLPD. De resultaten van deze nadere analyse zijn gerelateerd in het proces-verbaal van 29 mei 2007.

Op 9 juli 2007 heeft verdachte zich, na daartoe te zijn uitgenodigd, gemeld aan het politiebureau te Venlo, waarna hij buiten heterdaad is aangehouden. Na die dag twee keer te zijn verhoord is verdachte in vrijheid gesteld. Op 26 februari 2008 is het dossier gesloten en op 4 maart 2008 is het dossier binnengekomen bij het arrondissementsparket te Roermond

Op 13 november 2008 werd de dagvaarding voor de zitting van 8 december 2008 aan de moeder van verdachte uitgereikt.

Ter zitting van 8 december 2008 heeft de raadsvrouwe van verdachte zich op het standpunt gesteld dat in casu sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (verder: EVRM). De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding dient te leiden tot strafvermindering.

De redelijk termijn, zoals hiervoor bedoeld, vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

De rechtbank deelt de opvatting van de raadsvrouwe dat deze termijn is aangevangen op 5 oktober 2006. Op deze datum is door de rechter-commissaris aan verdachte bij gelegenheid van de doorzoeking in de woning te [woonplaats] het doel van de doorzoeking medegedeeld en is o.a. zijn laptop in beslaggenomen.

Het voorschrift van artikel 6, eerste lid, EVRM beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van strafvervolging zal moeten leven.

In het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 heeft deze gesteld dat als uitgangspunt voor minderjarigen geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Als uitzonderlijke omstandigheden heeft de Hoge Raad in voormeld arrest de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een ingewikkelde zaak en dat door de invloed van de verdachte of zijn raadsvrouwe het procesverloop op generlei wijze vertraagd is.

De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaak door de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest. Ter terechtzitting hiernaar gevraagd heeft de officier van justitie geen verklaring kunnen geven voor het feit dat er tussen het laatste verhoor op 9 juli 2007 en de zitting op 8 december 2008 een periode van 17 maanden is gelegen. De rechtbank stelt vast dat na het verhoor op 9 juli 2007 ruim een half jaar later, op 26 februari 2008, nog slechts een afsluitend proces-verbaal is opgemaakt, waarna ruim negen maanden later, op 13 november 2008, de dagvaarding werd betekend. In de tussenliggende periode, van 9 juli 2007 tot 13 november 2008, is geen enkele onderzoekshandeling meer verricht.

De rechtbank komt tot de conclusie dat in casu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die redengevend zijn om de redelijke termijn langer te laten zijn dan 16 maanden.

Nu de periode die voor de bepaling van de redelijke termijn van belang is, is aangevangen op 5 oktober 2006 en er op 22 december 2008 eindvonnis wordt gewezen wordt deze termijn 26 en een halve maand en dus met tien en een halve maand overschreden.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, NJ 2008/358, bepaald dat overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar enkel tot strafvermindering, ook als er sprake is van uitzonderlijke gevallen. Dit is nogmaals bevestigd bij het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2008, LJN: BF3181.

De uitgangspunten met betrekking tot vermindering van de op te leggen straffen, die de Hoge Raad geeft in overweging 3.6.1 en volgende van zijn arrest van 17 juni 2008, hebben –zo begrijpt de rechtbank- gezien de genoemde strafmodaliteiten, geen betrekking op minderjarigen.

De rechtbank is van oordeel dat bij beantwoording van de vraag welke consequenties verbonden dienen te worden aan overschrijding van de redelijke termijn bij minderjarigen het bijzondere karakter van het minderjarigen strafrecht en hetgeen bepaald is in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (verder: IVRK) dienen te worden betrokken. Daarbij rijst de vraag of bij overschrijding van de redelijke termijn bij minderjarigen –anders dan bij meerderjarigen- het openbaar ministerie het recht op vervolging kan verliezen.

Het is niet voor niets dat bij jeugdigen, in afwijking van meerderjarigen waar een redelijke termijn op twee jaar wordt gesteld, deze termijn met eenderde wordt bekort. Met name ook gezien het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht is deze termijn voor jeugdigen beduidend korter. Uitgangspunt is dat naarmate de termijn tussen de ontdekking dat een jeugdige een strafbaar feit begaan heeft en de bestraffing langer is, het pedagogisch effect minder wordt en uiteindelijk zelfs nihil. Een periode van 26 en een halve maand is voor een jeugdige zoals verdachte, waarbij ook nog sprake is van een ontwikkelingsstoornis, een onoverzienbare termijn waardoor ieder pedagogisch effect verloren gaat. Bovendien is ter terechtzitting gebleken dat verdachte gedurende de periode sedert de doorzoeking op 5 oktober 2006 veel last heeft gehad van schaamtegevoelens. Ook heeft verdachte sterk geleden onder de onzekerheid over de vervolging. Verdachte heeft, ook volgens de Raad voor de Kinderbescherming, oprechte spijt. Gevreesd moet worden dat onder deze omstandigheden en bij deze verdachte een strafrechtelijke reactie zó lang na het plegen van het feit contraproductief op zijn ontwikkeling zal werken. Daarmee komen de belangen van de minderjarige verdachte in het gedrang en vormen deze belangen niet meer, zoals bepaald in artikel 3 van het IVRK, de eerste overweging.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak, gelet op alle bijzondere omstandigheden, het openbaar ministerie het recht op vervolging heeft verloren.

De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Vonnis gewezen door mrs. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, J.J.M. Wassenberg en Y.J.C.A. Roeffen, kinderrechters, van wie mr. J.J.M. Wassenberg voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.A.C. Tolkamp-Gazenbeek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 december 2008.