Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG6135

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
09-12-2008
Zaaknummer
04/990012-04
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9142, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte treedt op als tussenpersoon (remisier) tussen beleggers en (buitenlandse banken). Hij opent daartoe

beleggingsrekeningen en ontvangt van de desbetreffende banken provisie.

Op sommige van die rekeningen worden door beleggers tegoeden aangehouden waarvan zij geen melding maken

in hun aangiften Inkosmtenbelasting of Vermogensbelasting.

Het enkele feit dat verdachte daarvan - in een ondergeschikt aantal gevallen - wetenschap had of kreeg, wettigt op

zichzelf nog niet de conclusie dat sprake is van medeplegen aan het doen van valse of onjuiste aangifte. Niet is

gebleken dat verdachte actief relaties heeft geworven met als doen het buiten het zicht houden van de fiscus van vermogen, noch heeft verdachte zichzelf in de markt gezet als degene die daarbij behulpzaam kan zijn, noch heeft verdachte enige bemoeienis gehad met het doen van valse of onjuiste aangiftes door zijn relaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2009, 25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

.RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/990012-04

Uitspraak d.d. : 3 december 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

Feit 1 primair

dat de besloten vennootschap [B.V. verdachte] op één of meer tijdstippen in de periode van 13 december 2002 tot en met 14 oktober 2005, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Den Bosch en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Helmond en/of in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Roosendaal en/of in de gemeente Rotterdam en/of in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over:

aangiften inkomstenbelasting en/of successie van 34 met name genoemde relaties

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan althans heeft doen of laten doen, immers heeft/hebben genoemde besloten vennootschap en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk, op de/het bij de Belastingdienst Roermond en/of Den Bosch en/of Heerlen en/of Helmond en/of Eindhoven en/of Apeldoorn en/of Roosendaal en/of Rotterdam en/of Venlo ingeleverde biljet(ten) over:

aangiftetijdvakken van de aangiften inkomstenbelasting en/of successie van 34 met name genoemde relaties

geen of een onjuist bedrag aan (buitenlandse) rente-inkomsten op obligaties en/of beleggingen en/of geen belegd (obligatie-)vermogen en/of geen saldo/ saldi inzake één of meer (buitenlandse) bankrekeningen, te weten bij de [bank 1] en/of de [bank 2] en/of bij de [bank 3] en/of [bank 4] althans één of meer buitenlandse bankrekeningen opgegeven en/of vermeld, althans heeft doen of laten vermelden, terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met één of meer rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) tot bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

(artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 primair geen veroordeling zou volgen:

dat hij op één of meer tijdstippen in de periode van 13 december 2002 tot en met 14 oktober 2005, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Den Bosch en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Helmond en/of in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Roosendaal en/of

in de gemeente Rotterdam en/of in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over:

aangiften inkomstenbelasting en/of successie van 34 met name genoemde relaties

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan althans heeft doen of laten doen, immers heeft/hebben genoemde besloten vennootschap en/of haar mededader(s) (telkens) opzettelijk, op de/het bij de Belastingdienst Roermond en/of Den Bosch en/of Heerlen en/of Helmond en/of Eindhoven en/of Apeldoorn en/of Roosendaal en/of

Rotterdam en/of Venlo ingeleverde biljet(ten) over:

aangiftetijdvakken van de aangiften inkomstenbelasting en/of successie van 34 met name genoemde relaties

geen of een onjuist bedrag aan (buitenlandse) rente-inkomsten op obligaties en/of beleggingen en/of geen belegd (obligatie-)vermogen en/of geen saldo/saldi inzake een of meer (buitenlandse) bankrekeningen, te weten bij de [bank 1] en/of de [bank 2] en/of bij de [bank 3] en/of [bank 4] althans één of meer buitenlandse bankrekeningen opgegeven en/of vermeld, althans heeft doen of laten vermelden,terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven;

(artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Feit 2

dat hij op één of meer tijdstippen in de periode van 27 februari 1998 tot en met 13 december 2002, in de gemeente Roermond en/of in de gemeente Den Bosch en/of in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Helmond en/of in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Apeldoorn en/of in de gemeente Roosendaal en/of

in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Venlo, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over:

aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting van 22 met name genoemde relaties

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan althans heeft doen of laten doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk, op de/het bij de Belastingdienst Roermond en/of Den Bosch en/of Heerlen en/of Helmond en/of Eindhoven en/of Apeldoorn en/of Roosendaal en/of Venlo en/of Tilburg ingeleverde biljet(ten) over:

aangiftetijdvakken van de aangiften inkomstenbelasting en/of successie van 34 met name genoemde relaties

geen of een onjuist bedrag aan (buitenlandse) rente-inkomsten op obligaties en/of beleggingen en/of geen belegd (obligatie-)vermogen en/of geen saldo/ saldi inzake een of meer (buitenlandse) bankrekeningen, te weten bij de [bank 1] en/of de [bank 2] en/of bij de [bank 3] en/of [bank 4] althans een of meer buitenlandse bankrekeningen opgegeven en/of vermeld, althans heeft doen of laten vermelden, terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven.

(artikel 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de dagvaarding nietig is, aangezien in de tenlastelegging niet nader wordt omschreven waaruit het medeplegen van zijn cliënt heeft bestaan. Ter onderbouwing heeft de raadsman betoogd dat, hoewel artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering in zijn algemeenheid niet eist dat de handelingen die een medepleger heeft verricht nader moeten worden verfeitelijkt, dit in de onderhavige zaak wel had moeten gebeuren. Dit gelet op de veelheid van handelingen die zijn cliënt voor zijn relaties heeft verricht. Hierdoor is het niet duidelijk voor de verdediging welke verrichte handelingen als medeplegen van de ten laste gelegde feiten worden gezien. De raadsman is derhalve van mening dat op basis van het dossier niet duidelijk wordt waaruit het verwijt dat zijn cliënt gemaakt wordt precies bestaat, waardoor de tenlastelegging nietig is wegens strijd met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Met betrekking tot het niet nader omschrijven in de tenlastelegging waaruit het medeplegen van de verdachte heeft bestaan, is de rechtbank van oordeel dat de woorden “tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of één of meer natuurlijke personen” de feitelijke omschrijving vormen van het begrip medeplegen. Noch uit artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering noch uit de jurisprudentie volgt dat de handelingen die een medepleger heeft verricht nader moeten worden omschreven in de tenlastelegging. (Zie hiervoor nog recent: Hoge Raad 18 oktober 2008, LJN: BE9603). Daarenboven overweegt de rechtbank dat het de verdediging na kennisneming van de inhoud van de tenlastelegging - tegen de achtergrond van het onderliggende procesdossier - voldoende duidelijk zou moeten zijn waartegen de verdachte zich heeft te verdedigen. Gelet op hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, heeft de verdediging dit ook goed begrepen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd - althans zo begrijpt de rechtbank dit verweer- dat de dagvaarding met betrekking tot het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde partieel nietig dient te worden verklaard. Dit heeft betrekking op het gedeelte dat volgt na de aangifte successie van [relatie 7]. Ter onderbouwing heeft de raadsman betoogd dat in de inleiding van de tenlastelegging van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde is opgenomen dat er telkens een aangifte inkomstenbelasting onjuist zou zijn gedaan, waarna een opsomming volgt van de onjuiste aangiften. Bij relatie [relatie 7] staat echter omschreven dat zijn aangifte successie over 2002 onjuist zou zijn gedaan. Vervolgens wordt de aangifte inkomstenbelasting niet meer genoemd. Hierdoor staat er tekstueel in de tenlastelegging dat door de personen die onder [relatie 7] worden genoemd onjuiste aangiften successie zouden zijn gedaan. Dit terwijl uit het dossier blijkt dat de [familie relatie 7] de enige is geweest die wordt verweten dat zij een onjuiste aangifte successie zou hebben gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde onduidelijk is voor zover dit betrekking heeft op de aangiften successie van [relatie 7] en [relatie 8]. Immers is in de inleiding (het grotendeels kwalificatieve deel) van de tenlastelegging van feit 1 primair en subsidiair opgenomen dat verdachte - verkort weergegeven -, tezamen en in vereniging althans alleen, “telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over […]”, onjuist zou hebben gedaan. In de verfeitelijking zijn de diverse aangiften inkomstenbelasting die onjuist zouden zijn ingevuld opgenomen. Bij zowel [relatie 7] als [relatie 8] wordt echter (behalve de aangifte inkomstenbelasting over het aangiftetijdvak 2002 bij [relatie 7]) de aangifte successie over 2002 genoemd, als zijnde de aangiften die onjuist zouden zijn gedaan. Nu dit deel van de verfeitelijking in strijd is met het kwalificatieve deel van de tenlastelegging, waar immers alleen gesproken wordt over de inkomstenbelasting is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding partieel nietig is voor zover dit betrekking heeft op de aangifte successie van [relatie 7] en [relatie 8].

De rechtbank is echter, anders dan de verdediging, niet van oordeel dat deze wijze van ten laste leggen tot gevolg heeft, dat de tenlastelegging gelezen moet worden in die zin dat de daarop volgende aangiften betrekking hebben op het doen van een onjuiste aangifte successie. Immers moet het ook voor de verdediging, gelet op de inleiding van de tenlastelegging, duidelijk zijn dat de daarop volgende aangiften betrekking hebben op het onjuist doen van een aangifte inkomstenbelasting.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de dagvaarding onder feit 1 primair en subsidiair partieel nietig is op de navolgende onderdelen:

- “en/of aangifte successie over het aangiftetijdvak 2002 (bijlage D-A1382) ten name van [relatie 7]” en

- “aangifte successie over de/het aangiftetijdvak(ken) 2002 ( bijlage D-A1381) ten name van [relatie 8]”.

Voor het overige is de rechtbank gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard, aangezien de beslissing tot vervolging in strijd is geweest met het gelijkheidsbeginsel.

De raadsman heeft zich daarbij beroepen op de afdoening van de strafzaak tegen [V] die een transactie heeft betaald ter voorkoming van strafvervolging, het feit dat [B] pas in een zeer laat stadium als verdachte is aangemerkt en het feit dat de Danske bank niet strafrechtelijk wordt vervolgd. Uit het feit dat [V] en de Danske bank niet strafrechtelijk zijn vervolgd en alleen zijn cliënt zich voor deze zaak bij de rechtbank moet verantwoorden, blijkt naar de mening van de raadsman dat er sprake is geweest van willekeur bij het openbaar ministerie. Immers hebben voornoemde personen en de Danske bank bij het buiten het zicht van de fiscus houden van buitenlandse beleggingsrekeningen een veel actievere rol gespeeld dan verdachte. Deze heeft immers alleen bemiddeld bij het openen van deze rekeningen.

De raadsman verzoekt, gelet op deze ongelijkheden - waarvoor in de visie van de verdediging geen rechtvaardiging bestaat - het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij gelet op het opportuniteitsbeginsel een vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie slechts marginaal kan toetsen. Dit betekent in casu dat het gevoerde verweer pas kan slagen indien het door het openbaar ministerie in deze zaak gevoerde vervolgingsbeleid dermate in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat daarmee doelbewust dan wel met grove miskenning van de belangen van verdachte, diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, te kort is gedaan.

Verdachte is niet de enige tegen wie op basis van het dossier verdenking kon ontstaan in het hier aan de orde zijnde feitencomplex. Anderen die mogelijk in een vergelijkbare positie verkeerden, zijn de door de verdediging genoemde [B], [V] en de banken voor wie verdachte in de ten laste gelegde periode als remisier werkzaam was.

Met betrekking tot [B] geldt dat de officier van justitie ter zitting heeft medegedeeld dat hij naar aanleiding van dit onderzoek als verdachte is aangemerkt. Dit strafrechtelijk onderzoek loopt nog.

[V] is weliswaar niet gedagvaard, maar heeft de vervolging afgekocht door betaling van een transactie ter hoogte van € 120.000, --. In het kader van de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel kan deze wijze van afdoening naar het oordeel van de rechtbank worden gelijkgesteld aan een strafrechtelijke vervolging (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam, 4 april 2003, NJ 2004/106).

Met betrekking tot de desbetreffende banken overweegt de rechtbank dat voor zover de stelling van het openbaar ministerie is dat het behulpzaam zijn bij het openen van (code)rekeningen in het buitenland voldoende is voor het medeplegen van belastingfraude, het voor de rechtbank - op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens - onduidelijk is waarom deze banken niet zijn vervolgd.

Nu echter het strafrechtelijke onderzoek tegen [B] nog loopt en [V] op een daarmee in dit verband gelijk te stellen wijze strafrechtelijk is vervolgd, moet naar het oordeel van de rechtbank het verweer dat strafrechtelijk vervolging van verdachte een kennelijke schending van het gelijkheidsbeginsel met zich meebrengt, worden verworpen. Het zonder kenbare reden achterwege laten van vervolging van de desbetreffende banken leidt in dit geval niet tot een ander oordeel.

Nu ook overigens niet blijkt van omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, kan deze in zijn vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 19 november 2008 gevorderd dat het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt integraal dient te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft daartoe - onder meer - aangevoerd dat noch uit het dossier noch anderszins blijkt dat zijn cliënt als pleger dan wel als functioneel dader van [B.V. verdachte] de aangiften van zijn relaties onjuist heeft gedaan. Verdachte is géén fiscalist en heeft zich nooit bemoeid met het doen van belastingaangiften van zijn relaties.

Evenmin is verdachte deelnemer, in de zin van medepleger, geweest bij het onjuist doen van de aangiften door zijn relaties. Er is immers geen sprake geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn relaties om de buitenlandse beleggingsrekeningen buiten het zicht van de fiscus te houden. De raadsman verwijst hiervoor naar twee arresten van het Gerechtshof Amsterdam inzake de Clickfondsaffaire (Gerechtshof Amsterdam 4 april 2004, NJ 2004/106 en Gerechtshof Amsterdam 14 maart 2006, LJN: AV4924). In tegenstelling tot de huidige zaak werd in voornoemde Clickfondszaken de mogelijkheid tot het doen van belastingfraude door de aangeboden constructie duidelijk gefaciliteerd onder meer omdat de kans op ontdekking hierdoor zeer klein werd, en zelfs in die zaken was het Hof van oordeel dat er geen sprake was van medeplegen.

Dat er in het geheel geen sprake is geweest van een gezamenlijk plan van verdachte en diens relaties gericht op het buiten het zicht van de fiscus houden van beleggingsrekeningen blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft werkzaamheden verricht als remisier, zijnde een tussenpersoon die relaties aanbrengt bij een bank en vervolgens behulpzaam is bij het openen van beleggingsrekeningen bij deze bank. Als beloning voor deze bemiddeling ontving verdachte een provisie van de bank. Verdachte wist in het merendeel van de gevallen niet dat zijn relaties de intentie hadden om (een deel van) de door hen geopende beleggingsrekeningen buiten het zicht van de fiscus te houden. Verdachte kwam hier pas na het openen van de beleggingsrekeningen achter, waarna hij in de meeste gevallen zijn relaties heeft afgeraden om deze beleggingsrekeningen nog langer buiten het zicht van de fiscus te houden. Dit laatste wordt bevestigd door een aantal relaties die, mede gelet op het advies van verdachte, gebruik hebben gemaakt van de inkeerregeling, dan wel toegeven een dergelijk advies van verdachte niet te hebben opgevolgd en de rekening buiten het zicht van de fiscus zijn blijven houden. Daarnaast zijn er enkele relaties geweest die naast de witte rekening die via verdachte was geopend, buiten verdachte om, zelfstandig een buitenlandse beleggingsrekening hebben geopend met daarop de tegoeden die niet werden verantwoord aan de fiscus. Bovendien zijn er diverse relaties die al voordat zij contact kregen met zijn cliënt een buitenlandse rekening hebben gehad die zij buiten het zicht van de fiscus hielden, zodat het enkel in contact brengen met een (andere) bank geen constitutief element is geweest van de door hen gepleegde belastingfraude.

Er zijn weliswaar enkele relaties die wel verklaren dat verdachte voorafgaand aan het openen van de beleggingsrekeningen weet heeft gehad van de intentie bij de betreffende relatie om deze rekening buiten het zicht van de fiscus te houden, maar naar de mening van de raadsman zijn deze verklaringen onjuist. Dit is mogelijk het gevolg van het feit dat deze relaties als verdachten zijn gehoord in hun eigen zaak, hetgeen gevolgen heeft voor de betrouwbaarheid van deze getuigenverklaringen.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte de opsporing van beleggingsrekeningen die buiten het zicht van de fiscus werden gehouden niet daadwerkelijk heeft bemoeilijkt, door bijvoorbeeld bewust code-rekeningen te openen om deze buiten het zicht van de fiscus te houden. Er is in het dossier slechts sprake van vier coderekeningen, waarvan er één al bestond voordat cliënt met de desbetreffende relatie van doen kreeg. Op het totale aantal van enkele honderden rekeningen die via Kindi c.q. verdachte bij de bank ondergebracht waren is dit een verwaarloosbaar klein aantal.

Evenmin is er naar de mening van de raadsman (onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad inzake de Rijswijkse stoeptegelzaak van 18 maart 2008, NJ 2008/209) sprake geweest van dubbel opzet, namelijk het opzet op zowel de deelnemingshandelingen als wel het (voorwaardelijke) opzet op het plegen van belastingfraude.

Gelet op het hiervoor aangevoerde concludeert de raadsman tot algehele vrijspraak, aangezien niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat zijn cliënt, op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting.

7.2 Vrijspraakoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en subsidiair en 2 is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Voor zover in dezen van belang is aan verdachte tenlastegelegd dat hij, als natuurlijk persoon dan wel als functioneel dader van zijn bedrijf [B.V. verdachte], tezamen en in vereniging met een aantal met name genoemde relaties opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting over een reeks van jaren heeft gedaan. Onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd dat hij vorenstaande heeft gepleegd in de periode dat hij werkzaam was bij [B.V. verdachte]. Onder 2 is ten laste gelegd dat hij vorenstaande heeft gepleegd in de periode dat hij werkzaam was bij effectenkantoor. Dit medeplegen bestaat in de visie van de officier van justitie uit het feit dat verdachte beleggingsrekeningen in het buitenland heeft geopend voor zijn relaties in de wetenschap (al dan niet in de voorwaardelijke opzet vorm) dat het vermogen en de inkomsten uit deze beleggingsrekeningen door zijn relaties niet aan de fiscus zouden worden opgegeven. Door deze handelwijze van verdachte is er naar de mening van de officier van justitie sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn relaties, gericht op het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting en/of vermogensbelasting.

Nog los van het antwoord op de vraag of de enkele wetenschap van het plegen van belastingfraude door een relatie voldoende is voor het medeplegen hiervan, merkt de rechtbank, gelet op hetgeen door de officier van justitie dienaangaande is aangevoerd, vooreerst op dat uit het dossier geenszins in alle tenlastegelegde gevallen blijkt dat verdachte wist dat de desbetreffende relatie voornemens was om gelden buiten het zicht van de fiscus te houden. Een aantal relaties verklaren uitdrukkelijk dat zij verdachte dit niet verteld hebben. Bij een aantal relaties die verklaren dat verdachte wel wist dat zij een bepaalde rekening buiten het zicht van de fiscus hielden, is onduidelijk wanneer zij dit aan verdachte verteld hebben. Verdachte heeft ter terechtzitting per tenlastegelegde relatie gemotiveerd aangegeven of en zo ja, wanneer hij van het buiten het zicht houden voor de fiscus houden van bepaalde rekeningen op de hoogte is gebracht. In het overgrote deel van de gevallen stelt verdachte dat hij pas gaandeweg, na de opening van de betreffende rekening, hierachter kwam, bijvoorbeeld omdat de relatie een nieuwe (dit keer wel witte) rekening wilde openen en desgevraagd liet doorschemeren dat een reeds eerder geopende rekening zwart was. Deze verklaring van verdachte is niet per se in strijd met de genoemde getuigenverklaringen, nu deze getuigenverklaringen zeer globaal zijn en daaruit niet duidelijk wordt wanneer de desbetreffende relatie verdachte op de hoogte heeft gesteld van het buiten het zicht houden van de fiscus van een deel van de beleggingen die via verdachte bij een bank waren ondergebracht. Ook stelt verdachte dat een aantal relaties hem in vertrouwen heeft genomen en gevraagd heeft hoe zij deze fiscaal onvriendelijke rekeningen weer fiscaal vriendelijk konden maken. Deze stelling vindt bevestiging in het dossier nu een aantal relaties verklaart dat dit zo is gegaan en dat een aantal van hen gebruik hebben gemaakt van de inkeerregeling.

Daarnaast bevat het dossier in een aantal gevallen geen bewijs dat er door het onjuist invullen van de diverse aangiften een concreet belastingnadeel is ontstaan.

Voorts stelt de rechtbank met betrekking tot de werkzaamheden die verdachte ten behoeve van zijn relaties verrichtte het navolgende vast.

Verdachte is als remisier werkzaam geweest. Dit houdt in dat verdachte (al dan niet via zijn onderneming dan wel zijn werkgever) als tussenpersoon is opgetreden tussen een buitenlandse bank en zijn relaties. Verdachte is zijn relaties behulpzaam geweest bij het openen van beleggingsrekeningen, waarvoor hij provisie van deze bank ontving. Daarnaast is verdachte in de richting van zijn relaties dienstverlenend geweest, in die zin dat hij zijn relaties hielp bij het ordenen van bescheiden en uitleg gaf over de beleggingsproducten. Daar waar nodig verwees verdachte zijn relaties door naar een fiscalist of financieel adviseur ten behoeve van het doen van belastingaangiften, de aankoop van (verzekerings)producten en/of estateplanning.

Een relatief klein aantal van zijn relaties, namelijk nog geen vijf procent van het totale klantenbestand, heeft buitenlandse beleggingsrekeningen gehad waarvan zij het vermogen en/of de inkomsten deels buiten het zicht van de fiscus hebben gehouden. Niet is gebleken dat verdachte actief relaties heeft geworven die vermogen en/of inkomsten buiten het zicht van de fiscus wilden houden. Evenmin is de rechtbank gebleken dat verdachte zichzelf of [B.V. verdachte] in de markt heeft gezet als een persoon of bedrijf die relaties behulpzaam was bij het buiten het zicht van de fiscus houden van beleggingsrekeningen. Ook blijkt niet dat de door verdachte verrichte handelingen ook maar enigszins gericht waren op het faciliteren van het buiten het zicht van de fiscus houden van vermogen en/of inkomsten.

De omstandigheid dat er sprake is geweest van een miniem aantal coderekeningen maakt dit niet anders, nu ook andere dan fiscale motieven redengevend kunnen zijn voor het openen van een coderekening; bijvoorbeeld de wens om tegoeden buiten het zicht van de echtgenoot te houden of buiten het zicht van de kinderen uit een eerdere verbintenis.

Noch uit het dossier noch anderszins blijkt dat verdachte dan wel [B.V. verdachte] enige bemoeienis heeft gehad met het doen van (onjuiste) belastingaangiften, dan wel het geven van advies gericht op het op buiten het zicht van de fiscus houden van vermogen en/of de daaruit gegenereerde inkomsten. Zoals hierboven reeds is overwogen bevat het dossier zelfs concrete aanwijzingen van het tegendeel, namelijk dat verdachte een deel van zijn relaties heeft aangespoord om schoon schip te maken bij de fiscus door ofwel gaandeweg de zwarte rekening te witten dan wel door op de inkeerregeling te attenderen.

Reeds hieruit volgt dat er geen sprake is van medeplegen. Nu uit het vorenstaande tevens volgt dat de verdachte de feiten niet alleen heeft gepleegd, spreekt de rechtbank verdachte dan ook vrij van het aan hem ten laste gelegde.

BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding met betrekking tot feit 1 primair en subsidiair partieel nietig en wel met betrekking tot de onderdelen:

- “en/of aangifte successie over het aangiftetijdvak 2002 (bijlage D-A1382) ten name van [relatie 7]” en

- “aangifte successie over de/het aangiftetijdvak(ken) 2002 ( bijlage D-A1381) ten name van [relatie 8]”.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, M.J.A.G. van Baal en J.H.M. Delnooz-Engels, rechters, van wie mr. L.J.A. Crompvoets voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P. van der Pijl als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 3 december 2008.

typ: PIJL