Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG3045

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
04-11-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 1068
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een Wav zaak waarbij de rechtbank een oordeel heeft gegegeven over de (schijnconstructie mbt de) bedrijven Simart en Safir. De conclusie is dat het Nederlandse bedrijf (eiseres) als werkgever in de zin van art. 2 Wav dient te worden aangemerkt.

Eiseres heeft gesteld prei "op stam" te hebben verkocht aan een Cypriotisch bedrijf (Simart), hetgeen betekent dat in de koopovereenkomst staat dat Simart verantwoordelijk is voor de oogst ed. Simart zou vervolgens het bedrijf Safir (gevestigd zowel in Cyprus als in Polen) hebben ingeschakeld om de oogstwerkzaamheden bij het bedrijf van eiseres te verrichten (ten behoeve van Simart). Safir heeft hiervoor gebruik gemaakt van Poolse werknemers. De rechtbank acht het daadwerkelijk bestaan van een bedrijf in Cyprus dan wel in Polen niet aannemelijk, nu de rechtbank niet overtuigd is van een rechtsgeldige koopovereenkomst tussen Simart en eiseres zodat het er alle schijn van heeft dat Simart enkel fungeert om het feitelijke werkgeverschap van eiseres te verhullen.

Voor zover er in deze situatie al gesproken kan worden van grensoverschrijdende dienstverlening door Safir, houdt die dienstverlening niet meer in dan het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten ten behoeve van eiseres. Dat doet, gezien de jurisprudentie van de ABRS (o.a. uitspraak ABRS van 5 september 2007 (LJN: BB2932) aan het vereiste van een tewerkstellingsvergunning niet af, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van strijd met de door eiseres ingeroepen bepalingen van het Europese gemeenschapsrecht. Het enkele feit dat Safir (ook) (op papier) is gevestigd op Cyprus, maakt dit niet anders, nu het bedrijf Poolse werknemers heeft geworven voor en ingezet heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 1068

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Tuinbouwbedrijf [bedrijfsnaam] BV te [plaats], eiseres,

gemachtigde mr. P.J.M. Boomaars

tegen

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, Algemeen Directeur van de Arbeidsinspectie, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 12 juni 2008, waartegen mr. P.J.M. Boomaars namens eiseres beroep heeft ingesteld, heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiseres tegen een eerder besluit van 19 september 2007, waarbij aan eiseres een boete is opgelegd op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 oktober 2008, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening (procedurenummer 08 / 1284) en waarover afzonderlijk uitspraak zal worden gedaan. Eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Hokke.

2. Overwegingen

2.1. Op 9 maart 2006 hebben inspecteurs van de Arbeidsinspectie een controle op de naleving van de bepalingen krachtens de Wav uitgevoerd in het bedrijfspand van eiseres op de locatie [adres] te [plaats] (kadastrale aanduiding [kadastergegevens]).

2.1.1. Bij deze controle is geconstateerd dat eiseres voor tien aldaar werkzame personen met de Poolse nationaliteit niet beschikte over een tewerkstellingsvergunning. De werkzaamheden bestonden uit het schoonmaken van prei en activiteiten die daarmee samenhangen. Van deze controle is op 7 februari 2007 een boeterapport opgemaakt, dat op 24 mei 2007 en op 28 augustus 2007 is aangevuld.

2.1.2. Naar aanleiding van de kennisgeving van verweerder dat hij voornemens was een boete aan eiseres op te leggen, heeft eiseres haar zienswijzen kenbaar gemaakt. Deze zienswijzen hebben in het voornemen van verweerder geen verandering gebracht en bij besluit van 19 september 2007 heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd ter zake overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav ter hoogte van € 80.000, .

2.1.3. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt en tevens heeft zij een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In bezwaar heeft zij aangevoerd dat de in de periode van 1 februari 2006 tot en met 1 april 2006 geteelde prei bij schriftelijke overeenkomst op stam is verkocht aan de buitenlandse, Europese, onderneming Simart. Volgens deze koopovereenkomst is Simart verplicht om in de overeengekomen periode voor inoogsting van de prei zorg te dragen, waarbij hij vrij is te bepalen op welke wijze en met behulp van welk personeel hij de inoogsting zal bewerkstelligen. Eiseres heeft zich middels deze overeenkomst verplicht om de door Simart ingeschakelde derden toegang te verlenen tot haar perceel teneinde de oogstwerkzaamheden te kunnen verrichten. De onderneming Safir heeft met haar eigen personeel in opdracht van Simart en tegen betaling de oogstwerkzaamheden verzorgd. Eiseres is dan ook van mening dat zij niet als werkgever in de zin van artikel 2 van de Wav kan worden aangemerkt, waarbij eiseres zich tevens beroept op het gelijkheidsbeginsel. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat in de artikelen 3 en 4 van de Wav en de daaraan gerelateerde besluiten de uitzonderingen staan op het verbod van artikel 2 van de Wav. Het verbod geldt niet voor vreemdelingen waarbij op grond van internationale verdragen geen tewerkstellingsvergunning mag worden verlangd en voor vreemdelingen die hun werk als zelfstandigen verrichten. Nu de op het bedrijf aangetroffen vreemdelingen werkzaam zijn voor een Cypriotische onderneming (Simart), kan geen tewerkstellingsvergunning worden geëist. Er is immers sprake van grensoverschrijdende dienstverlening, waarop artikel 49 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG verdrag) van toepassing is. Het stellen van de eis van een tewerkstellingsvergunning is in strijd met het communautaire recht. De notificatieplicht die geldt ten aanzien van de grensoverschrijdende dienstverlening is eveneens in strijd met het communautaire recht. Eiseres is voorts van mening dat het opleggen van een boete van € 80.000, in strijd is met het evenredigheids en gelijkheidsbeginsel. Tot slot heeft eiseres opgemerkt dat het boeterapport bijna 12 maanden na de op 9 maart 2006 geconstateerde feiten is opgemaakt, hetgeen op gespannen voet staat met het bepaalde in artikel 18b, eerste lid, van de Wav. Eiseres is van mening dat hierdoor weinig gewicht kan worden gegeven aan de inhoud van het rapport. Ook is het boeterapport opgesteld na onzorgvuldig onderzoek. Er zijn maar twee van de tien aangetroffen werkzame personen gehoord en er is geen onderzoek gedaan naar arbeidsovereenkomsten, E101-verklaringen, loonbetalingsbewijzen, verzekeringspapieren, koopovereenkomsten, betalingsbewijzen en dergelijke.

2.1.4. Bij uitspraak van 7 maart 2008 (procedurenummer 07/1915) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de door eiseres gevraagde voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen.

2.2. Bij het thans bestreden besluit van 12 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 19 september 2007 ongegrond verklaard.

2.2.1. Tegen dit besluit heeft eiseres -op gelijkluidende gronden als in bezwaar- beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens is een voorlopige voorziening hangende beroep gevraagd.

In beroep is voorts aangevoerd dat door eiseres nimmer is aangevoerd dat zij de gehele preioogst in de periode van 1 februari 2006 tot en met 1 april 2006 zou hebben verkocht aan Simart. Aan Simart is 4.5 ha verkocht. Het bedrijf van [getuige] is niet ingeschakeld om de prei van Simart te oogsten. [getuige] heeft een ander deel van de oogst gerooid. Hieruit blijkt juist dat eiseres afstand heeft gedaan van de rooiwerkzaamheden van de prei van Simart. Ook is in beroep aangevoerd dat in dit soort zaken alle relevante feiten en omstandigheden dienen te worden betrokken en dat dit een diepgaand onderzoek vereist naar met name de vraag naar de feitelijke verhouding tussen eiseres en de werkend aangetroffen personen. Het boeterapport is op dit punt volstrekt onvoldoende, aldus eiseres. Het had in de rede gelegen alle aangetroffen personen te horen, alsmede de betrokken partijen Simart en Safir. Verweerder heeft in strijd met zijn beleid gehandeld, dat inhoudt dat aan alle betrokken partijen bij een overtreding een boete wordt opgelegd, nu uitsluitend eiseres is gekozen tot beboetbare partij. Eiseres is voorts van mening dat verweerder onzorgvuldig met de belangen van eiseres is omgegaan. Dit zou volgens eiseres blijken uit het gebrek aan onderzoek, de hoogte van de opgelegde boete en de traagheid van de besluitvorming. Tot slot heeft eiseres nogmaals gesteld dat zij de opgelegde boete niet kan betalen, ook niet bij wijze van afbetaling. Betaling van een dergelijk bedrag zal de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen.

2.3. Door verweerder is een verweerschrift ingediend, waarin uitgebreid op de beroepsgronden wordt gereageerd.

2.4. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het wettelijk kader

2.5. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. Het niet naleven hiervan is in artikel 18, eerste lid van de Wav aangemerkt als beboetbaar feit. In artikel 19a, eerste lid van die wet is bepaald dat een door de Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete oplegt aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

2.5.1. Artikel 1, eerste lid aanhef en onder b van de Wav bepaalt voor zover hier van belang dat onder werkgever wordt verstaan: degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

2.5.2. De boetebedragen zijn vastgelegd in de op 1 januari 2007 in werking getreden Beleidsregels boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen 2007 (Stcrt. 22 december 2006, nr. 250, pag. 40, verder: de Beleidsregels). Het boetenormbedrag dat ingevolge de bij de Beleidsregels behorende Tarieflijst is gesteld op overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav is gesteld op € 8.000, per overtreding.

2.5.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav, is het verbod bedoeld in artikel 2, eerste lid van die wet niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen, vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd. Ingevolge die aanhef en onder c, voor zover hier van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

2.5.4. In artikel 1e, eerste lid van het Besluit uitvoering Wav is, voor zover hier van belang, bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wav niet van toepassing is met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits:

a) de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is;

b) de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c) er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

2.5.5. Artikel 39, eerste lid van het EG Verdrag bepaalt dat het verkeer van werknemers binnen de gemeenschap vrij is. Artikel 49 van het EG Verdrag bepaalt in de eerste alinea dat de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de gemeenschap verboden zijn ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

2.5.6. Sinds 1 januari 2004 is Polen toegetreden tot de Europese Unie. Ingevolge een voorbehoud dat Nederland daarbij heeft gemaakt (Bijlage XII Lijst bedoeld in artikel 24 Toetredingsakte Polen, hierna: Bijlage XII), heeft Nederland de mogelijkheid om het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG Verdrag tijdelijk te beperken. Daarvan heeft Nederland gebruik gemaakt door tot 1 mei 2007 voor werknemers uit Polen de eis van een tewerkstellingsvergunning te handhaven (Kamerstukken II, 2003/04, 29 407, nr. 1 e.v.). In Bijlage XII is geen overgangsregeling getroffen voor het vrij verkeer van diensten.

2.5.7. Ten aanzien van het vrij verkeer van diensten heeft op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) te gelden dat het in Nederland op tijdelijke basis enkel ter beschikking stellen van eigen werknemers door een Poolse onderneming weliswaar valt aan te merken als het verrichten van diensten in de zin van artikel 49 van het EG Verdrag, maar dat in dat geval de werknemers tot de arbeidsmarkt toetreden, de overgangsregeling voor de toegang van werknemers van toepassing is en Nederland bevoegd is maatregelen te treffen om de toegang van deze werknemers tot de arbeidsmarkt te regelen. De in de Wav neergelegde vergunningplicht is een dergelijke maatregel (ABRS 14 november 2007, LJN BB7823, ABRS 5 september 2007, LJN BB2923, ABRS 2 augustus 2006, LJN AY5514 en ABRS 2 augustus 2006, LJN AY5515).

Het oordeel van de rechtbank

2.6. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of verweerder eiseres terecht en op goede gronden als werkgever in de zin van de Wav heeft aangemerkt. Zij overweegt daartoe als volgt.

2.6.1. Het boetebesluit is gegrond op de bevindingen van het boeterapport, de daarbij behorende bijlagen en de aanvullende boeterapporten, met de daarbij behorende bijlagen.

2.6.2. Ten aanzien van het boeterapport overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 18b, eerste lid, van de Wav is bepaald dat het rapport “zo spoedig mogelijk” wordt opgemaakt. Bijna één jaar na de geconstateerde feiten lijkt erg lang, maar ook moet worden vastgesteld dat in de tussentijd niet stil is gezeten (briefwisseling, bekijken van de verschillende administraties, onderzoek naar Simart en Safir). Daarbij speelt overigens ook de opstelling van eiseres ten opzichte van de toezichthouders van de Arbeidsinspectie een rol. Waar het met name om gaat is of het boeterapport dat pas na zo’n lange tijd is opgemaakt nog wel betrouwbaar is ten aanzien van de feiten en de gang van zaken. De rechtbank stelt vast dat de feiten als zodanig niet worden betwist, maar dat partijen een andere lezing over de gang van zaken hebben. De verklaringen van de getuigen die met behulp van een telefonische tolk zijn gehoord zijn destijds direct opgeschreven. Deze verklaringen zijn in de aanvullende boeterapporten ook overgelegd. Het betreft door de toezichthouders op ambtseed/belofte opgemaakt (aanvullende) boeterapporten. Volgens vaste jurisprudentie van de verschillende hoogste bestuursrechters (zie o.a. LJN AZ7564) moet van de juistheid van een op ambtseed/belofte opgemaakt rapport worden uitgegaan, tenzij tegenbewijs is geleverd. Zelfs een begin van bewijs hiervoor is naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak niet geleverd. De beroepsgrond faalt.

2.6.3. Blijkens de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) bij de artikelen 1 en 2 van de Wav is diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever en is deze werkgever te allen tijde verantwoordelijk voor en aanspreekbaar op het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Het feit dat in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeversschap reeds voldoende, aldus de memorie van antwoord (Kamerstukken II, 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2). De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraken van 11 juli 2007 van de ABRS (LJN; BA9298 en BA9312).

2.6.4. Degene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten is vergunningplichtig werkgever. In haar uitspraken van 11 juli 2007 (LJN: BA9298 en BA9312) heeft de ABRS geoordeeld dat het begrip “arbeid te laten verrichten” uit artikel 2 van de Wav geen actieve rol impliceert. Het enkel mogelijk maken van arbeid die ten dienste van de betrokkene wordt verricht en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, een gezagsverhouding of loonbetaling is daarbij niet van belang.

De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium is voldaan en overweegt daartoe als volgt.

2.6.5. Niet wordt betwist dat de 10 personen met de Poolse nationaliteit, zoals genoemd in het boeterapport, de in het boeterapport beschreven werkzaamheden hebben verricht en dat voor deze personen geen tewerkstellingsvergunning is afgegeven.

2.6.6. Eiseres heeft aangevoerd dat Simart als werkgever dient te worden aangemerkt nu dit Cypriotisch bedrijf de oogst op stam van eiseres heeft gekocht. Simart kan zijn diensten vrijelijk in Nederland verrichten, in casu door inschakeling van Safir, met diens Poolse werknemers.

2.6.7. De rechtbank overweegt hierover dat uit het dossier blijkt dat verweerder bij de buitenlandse autoriteiten navraag heeft gedaan naar Simart. Hieruit is gebleken dat Simart geen activiteiten ontplooit in het land van vestiging en een “papieren bedrijf” lijkt te zijn.

2.6.8. De koopovereenkomst tussen eiseres en Simart, zoals die in het dossier aanwezig is (bijlage 11 van het boeterapport) en waarvan de gemachtigde van eiseres desgevraagd ter zitting heeft verklaard dat dit een kopie is van de originele overeenkomst, zoals die bij de boekhouder aanwezig is, is ondertekend door [directeur eiseres], directeur van eiseres en door de directeur van Simart. Uit de overeenkomst blijkt nergens wie de directeur van Simart is en de gemachtigde van eiseres kon daarover ter zitting desgevraagd ook geen opheldering verschaffen. Verder blijkt dat de overeenkomst op dezelfde dag is ondertekend, zowel in [plaats] (Nederland) als in Nicosia (Cyprus). De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen het bestaan van een rechtsgeldige overeenkomst tussen eiseres en Simart niet aannemelijk.

2.6.9. Simart zou Safir ingeschakeld hebben om de prei te rooien. Echter, Safir heeft voor de door haar verrichte werkzaamheden gefactureerd aan eiseres. Hoewel kopieën van deze facturen als zodanig niet in het dossier zijn aangetroffen, blijken die er wel te zijn volgens bijlage 17, pagina 18 van het boeterapport en is dat als zodanig ook niet betwist door de gemachtigde van eiseres. Overigens is wel een kopie van een factuur uit 2005 van Safir aan eiseres in het dossier opgenomen (bijlage 14 van het boeterapport). Ook deze feiten stroken niet met de vermeende overeenkomst tussen Simart en eiseres maar duiden juist op bemoeienis van eiseres (en niet Simart) met Safir en de Poolse werknemers.

2.6.10. Ook constateert de rechtbank dat er niet eenduidig en consistent wordt verklaard door de gemachtigde van eiseres over de feitelijke gang van zaken. Immers, zoals de voorzieningenrechter reeds heeft aangegeven blijkt uit de verklaring van de getuige [getuige] dat hij -dat wil zeggen zijn bedrijf- prei heeft gerooid voor eiseres. Hij heeft verklaard daarover contact te hebben gehad met [directeur eiseres]. In het dossier bevindt zich een factuur voor het rooien van de prei begin maart 2006. Deze factuur is gericht aan eiseres. Tijdens de zitting in het kader van de voorlopige voorziening op 16 januari 2008 (procedurenummer 07/ 1915) heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat het grootste deel van de prei door Simart is gerooid, maar dat het mogelijk is dat door de grote hoeveelheid een deel van de prei door het bedrijf van [getuige] is gerooid. [getuige] zou dan hebben gehandeld in opdracht van Simart. Dat eiseres de factuur aan het bedrijf van [getuige] heeft betaald, betekent niets, omdat dit later met Simart wordt verrekend. Deze verklaring achtte de voorzieningenrechter niet geloofwaardig en concludeerde tot bemoeienis van eiseres met de preioogst. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiseres in beroep weer een andere verklaring gegeven over de inzet van het bedrijf van [getuige], namelijk dat dit om andere percelen zou gaan dan die van welke de oogst op stam aan Simart zou zijn verkocht, overigens zonder dit met specifieke bewijzen te onderbouwen. Dit aanpassen van het verhaal draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van de stellingen van eiseres over Simart.

2.6.11. Ten aanzien van Safir blijkt uit het dossier dat dit bedrijf op hetzelfde adres als Simart in Cyprus is gevestigd (bijlage 15 bij het boeterapport). Volgens de Cypriotische autoriteiten worden in Cyprus geen activiteiten uitgeoefend. Volgens de Poolse autoriteiten, zo blijkt uit het dossier (bijlage 4 van het boeterapport) is op het opgegeven adres van Safir in Polen een ander bedrijf gevestigd, te weten een schoonheidssalon en is niet gebleken van enige economische activiteiten. De ondervraagde Poolse werknemers hebben verklaard voor Safir in Nederland te werken, maar hebben ook verklaard geen afspraken gemaakt te hebben over het dienstverband of de beloning voor de te verrichten werkzaamheden. Het daadwerkelijk bestaan van een bedrijf in Cyprus dan wel in Polen acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aannemelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de Poolse werknemers die niet door de inspecteurs van de Arbeidsinspectie zijn gehoord, een verklaring zouden afleggen die aan voornoemde feiten en omstandigheden afbreuk doen. De door verweerder genoemde reden om van dat verhoren af te zien acht te rechtbank plausibel.

2.6.12. De rechtbank overweegt dat eiseres aan de Poolse werknemers de toegang tot zijn percelen en tot zijn bedrijfsruimten heeft verschaft en hen slaapplaatsen heeft geboden. Ook is gebruik gemaakt van de infrastructuur van eiseres. Eiseres heeft niet verhinderd dat door de Poolse werknemers arbeid werd verricht op zijn percelen en in zijn bedrijfsruimten met betrekking tot de preioogst.

2.6.13. De rechtbank overweegt dat de werkzaamheden die zijn verricht behoren tot de normale bedrijfswerkzaamheden van eiseres. Eiseres schakelt voor deze werkzaamheden blijkens eigen verklaring ook regulier (buitenlandse) tijdelijke arbeidskrachten in, zo blijkt uit brieven van eiseres aan het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Heythuysen (bijlage 18 van het boeterapport) en zoals blijkt uit de inzet van medewerkers van Maas B.V. (bijlage 5 en 13 van het boeterapport).

2.6.14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt dat Simart de oogst op stam heeft gekocht en om die reden als werkgever zou moeten worden aangemerkt. Het heeft er naar het oordeel van de rechtbank alle schijn van dat Simart enkel fungeert om het feitelijke werkgeverschap van eiseres te verhullen.

De rechtbank acht het op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat de werkzaamheden met betrekking tot het rooien van de door eiseres geteelde prei ten dienste waren van eiseres. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan het criterium van de ABRS is voldaan en dat verweerder eiseres terecht en op goede gronden heeft aangemerkt als werkgever in de zin van de Wav. Voor het laten verrichten van arbeid door Poolse werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist.

Voor zover er in deze situatie al gesproken kan worden van grensoverschrijdende dienstverlening door Safir, houdt die dienstverlening niet meer in dan het louter ter beschikking stellen van arbeidskrachten ten behoeve van eiseres. Dat doet, gezien de jurisprudentie van de ABRS (o.a. uitspraak ABRS van 5 september 2007 (LJN: BB2932) aan het vereiste van een tewerkstellingsvergunning niet af, zodat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van strijd met de door eiseres ingeroepen bepalingen van het Europese gemeenschapsrecht. Het enkele feit dat Safir (ook) (op papier) is gevestigd op Cyprus, maakt dit niet anders, nu het bedrijf Poolse werknemers heeft geworven voor en ingezet heeft op de Nederlandse arbeidsmarkt.

2.7. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat eiseres heeft verwezen naar uitspraken in strafzaken. Deze betreffen echter een heel ander beoordelingskader en zijn alleen daarom al niet vergelijkbaar. De werking van het gelijkheidsbeginsel is bovendien beperkt tot hetgeen verweerder in soortgelijke gevallen heeft beslist en strekt zich niet uit tot oordelen van andere rechtbanken.

2.8. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet wegens strijd met het legaliteitsbeginsel van boeteoplegging had dienen af te zien. Genoemd beginsel houdt onder meer in dat bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de overtreder gunstigste bepalingen worden toegepast. Het beginsel lijdt echter uitzondering indien de verandering van wetgeving geen blijk geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het feit. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geeft het afschaffen van maatregelen met een uitdrukkelijk voorzien tijdelijk karakter, zoals in casu het per 1 mei 2007 vervallen van de tewerkstellingsvergunningplicht voor Poolse werknemers, geen blijk van een gewijzigd inzicht. In dit verband wijst de rechtbank op de brief van verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 6 april 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2006 2007, 29 407, p. 4) waarin expliciet is aangegeven dat illegale tewerkstelling van onderdanen van de nieuwe lidstaten, voor zover deze wordt geconstateerd vóór de invoering van de het vrij verkeer, ook nadien nog beboetbaar blijft. (zie Rb ’s Hertogenbosch, 12 oktober 2007, LJN: BB6687)

2.9. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de hoogte van de boete in strijd is met het evenredigheids en gelijkheidsbeginsel. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 februari 2008 (LJN: BC6046) en mede gelet op de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is de rechtbank van oordeel dat de in de beleidsregels opgenomen categorie indeling als uitgangspunt niet onredelijk is, maar dat in ieder individueel geval steeds aan de hand van de omstandigheden moet worden nagewogen of het resultaat van de toepassing van het beleid in overeenstemming is met de evenredigheid. Elementen van de evenredigheid zijn de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid van het gedrag en de omstandigheden waarin de overtreder verkeert. De rechtbank ziet geen omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de opgelegde boete in casu onevenredig is. Beboetbare overtredingen uit de Wav zijn niet te vergelijken met beboetbare overtredingen uit de Arbowet, zodat de hoogte van de bij de overtredingen ingevolge laatstgenoemde wet behorende boetes niet maatgevend kunnen zijn. Dat eiseres niet in staat zou zijn de boete, middels een afbetalingsregeling, te betalen is onvoldoende onderbouwd. De enkele verklaring van de accountant is hiervoor onvoldoende, terwijl geen nadere financiële gegevens zijn verstrekt, noch aan de rechtbank, noch aan verweerder in het kader van een te treffen afbetalingsregeling.

2.10. De enkele omstandigheid dat verweerder enkel aan eiseres een boete heeft opgelegd en niet ook aan Safir en/of Simart, (hetgeen eiseres eerst in beroep aanvoert) doet niet af aan de bevoegdheid van verweerder een overtreder -zoals eiseres naar het oordeel van de rechtbank- een boete op te leggen.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis, in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2008

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 31 oktober 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.