Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG2658

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
21-11-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 820
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pseudoweduwe. Maximering nabestaandenuitkering op de hoogte van de ontvangen alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 820

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. P.J.P.M. Rouschop

tegen

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 11 april 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een besluit van 22 februari 2008 inzake de toepassing van de Algemene nabestaandenwet (Anw), ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 24 september 2008, waar eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

2. Overwegingen

2.1. Op 25 januari 2008 is de gewezen echtgenoot van eiseres overleden. Op 2 februari 2008 heeft eiseres een nabestaandenuitkering op grond van de Anw aangevraagd. Bij besluit van 22 februari 2008 is eiseres een nabestaandenuitkering toegekend en wel ter hoogte van EUR 310,67 bruto per maand en met ingang van 1 januari 2008.

2.2. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt op 23 februari 2008. Het bezwaar van eiseres richt zich tegen de hoogte van de door verweerder toegekende nabestaandenuitkering. Volgens eiseres is de wijze waarop verweerder de door eiseres genoten uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), op de nabestaandenuitkering heeft gekort, in strijd met de geest van de Anw.

2.3. Bij besluit van 11 april 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat de bruto nabestaandenuitkering van een gewezen echtgenoot, niet hoger kan zijn dan de eerder van de overledene ontvangen alimentatie. Omdat de alimentatie laatstelijk EUR 612,79 heeft bedragen, is de bruto nabestaandenuitkering maximaal dat bedrag. Inkomen in verband met arbeid moet vervolgens volledig op de nabestaandenuitkering worden gekort. Omdat de WAO-uitkering ter hoogte van EUR 302,14 bruto is op te vatten als inkomen in verband met arbeid, bedraagt de nabestaandenuitkering EUR 310,67 bruto.

2.4. In beroep heeft eiseres, onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting (MvT), gesteld dat het bestreden besluit indruist tegen hetgeen regering en parlement bij de inwerkingtreding van de Anw hebben beoogd, te weten voorkomen dat nabestaanden in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. Eiseres is in behoeftige omstandigheden komen te verkeren nu zij een beroep heeft moeten doen op de Wet werk en bijstand (WWB). Volgens eiseres had verweerder haar een zodanige nabestaandenuitkering moeten toekennen dat zij geen aanspraak op de WWB had hoeven maken.

2.5. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. In casu is de vraag aan de orde of verweerder de hoogte van de nabestaandenuitkering van eiseres correct heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.6. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in bezwaar en beroep geen opmerkingen heeft gemaakt over de door verweerder gehanteerde bedragen aan alimentatie en WAO-uitkering, zodat de rechtbank van de juistheid van de gehanteerde bedragen uitgaat.

2.7. In artikel 4, eerste lid, onder a en b van de Anw, is –voor zover hier van belang-, bepaald dat onder nabestaande tevens wordt verstaan de gewezen echtgenoot van een verzekerde indien:

a. het huwelijk anders dan door de door is ontbonden;

b. de overleden verzekerde onmiddellijk voorafgaand aan het overlijden verplicht is levensonderhoud te verschaffen aan de gewezen echtgenoot op grond van Boek I van het Burgerlijk Wetboek krachtens een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst.

2.8. Ingevolge artikel 14, eerste lid, onder a, b en c van de Anw, heeft recht op een nabestaandenuitkering de nabestaande die:

a. een ongehuwd kind heeft, dat jonger is dan 18 jaar en niet tot het huishouden van een ander behoort;

b. arbeidsongeschikt is;

c. geboren is voor 1950.

2.9. In artikel 17, derde lid, van de Anw, is bepaald dat de bruto nabestaandenuitkering van de nabestaande, bedoeld in artikel 4, niet hoger is dan de door de overleden verzekerde aan de nabestaande verschuldigde uitkering tot levensonderhoud van de nabestaande.

2.10. In artikel 18, eerste lid, Anw, is bepaald dat op de nabestaandenuitkering het inkomen in mindering wordt gebracht.

2.11. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de aan eiseres toekomende Anw-uitkering correct is vastgesteld. Blijkens de MvT werd het ontbreken van een regeling voor pseudoweduwen, -te weten nabestaanden die gescheiden zijn van de echtgenoot-, geacht onrechtvaardig uit te werken voor een bepaalde groep gescheiden nabestaanden, namelijk voor hen die alimentatie ontvingen van de ex-echtgenoot. Tussen hen is immers daardoor nog sprake van een financiële band en om die reden worden deze pseudoweduwen in de wet gelijkgesteld met gehuwden. In het geval de alimentatie lager is dan het sociaal minimum van de nabestaande, wordt de nabestaandenuitkering voor hen gemaximeerd op de hoogte van de ontvangen alimentatie. Een en ander is neergelegd in artikel 17, derde lid, van de Anw. De voornoemde maximering is dan ook een bewuste keuze van de wetgever geweest.

2.12. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Anw wordt op de nabestaandenuitkering het inkomen in mindering wordt gebracht. Enkel voor inkomen uit arbeid geldt een vrijlating ter hoogte van 50% van het bruto minimumloon en een derde van het meerdere op grond van het tweede lid van artikel 18 van de Anw. Ook dit is blijkens de MvT een bewuste keuze van de wetgever geweest. De vrijlating is immers bedoeld om de arbeidsparticipatie niet te ontmoedigen. Om die reden wordt alleen het inkomen uit arbeid bij de vrijlating betrokken. Voor inkomen in verband met arbeid, zoals de WAO-uitkering van eiseres, geldt geen enkele vrijlating. Deze wordt volledig gekort. Daarbij geldt voorts dat de Anw het karakter heeft van een basisvoorziening.

2.13. In bezwaar heeft eiseres aangegeven dat artikel 18, eerste lid, van de Anw, aldus dient te worden verstaan dat op de maximale nabestaandenuitkering, vastgesteld conform artikel 17, eerste lid, Anw -ter hoogte van 70% van het netto minimumloon-, het inkomen in verband met arbeid in mindering dient te worden gebracht en niet op de nabestaandenuitkering die is gemaximeerd op de eerder ontvangen alimentatie. Een korting van het inkomen in verband met arbeid op de nabestaandenuitkering zou naar de mening van eiseres volgens de wetgever niet ertoe mogen leiden dat het inkomen onder het niveau van het sociale minimum terecht komt.

2.14. De rechtbank ziet voor voormelde uitleg van eiseres -nog daargelaten dat deze uitleg strijdt met de duidelijke wettekst van artikel 18, eerste lid, van de Anw- geen aanknopingspunten in de wetssystematiek of de totstandkoming van de betreffende bepaling. De wettelijke regeling biedt dan ook geen grondslag voor de opvatting van eiseres. Uit de wetsgeschiedenis is veeleer af te leiden dat de wetgever doelbewust een uitzondering heeft gemaakt voor de zogenaamde pseudoweduwen door de nabestaandenuitkering voor hen expliciet en met zoveel woorden te maximeren op de hoogte van de ontvangen alimentatie.

2.15. Het beroep van eiseres moet derhalve voor ongegrond worden gehouden. Mitsdien wordt beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. Mertens als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 29 oktober 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.