Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BG2393

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-10-2008
Datum publicatie
03-11-2008
Zaaknummer
04/860438-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eenvoudige mishandeling, geen voorwaardelijk opzet poging doodslag, poging zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860438-08

Uitspraak d.d. : 27 oktober 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [[naam gemeente]

adres : [adres]

plaats : [plaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 20 april 2008 in de gemeente [naam gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet genoemde [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd heeft getrapt, terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans indien ter zake het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 20 april 2008 in de gemeente [naam gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft getrapt, terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Althans indien ter zake al het vorenstaande onder 1 geen veroordeling zou volgen:

hij op of omstreeks 20 april 2008 in de gemeente [naam gemeente] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (meermalen) tegen het hoofd en/of tegen het lichaam heeft getrapt, terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 14 oktober 2008 gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs, nu er sprake is van onbetrouwbare verklaringen. Uit het dossier blijkt immers dat de getuigen op het moment dat verbalisanten hun verklaring opnamen, flink onder invloed van alcohol verkeerden. De raadsman acht bovendien de getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris ook onbetrouwbaar, nu het de vraag is wat de getuigen zich werkelijk van de ruzie herinneren, gelet op hun alcoholconsumptie die avond.

7.2. Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

Uit het strafdossier en onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte op 20 april 2008 samen met zijn vriendin [naam vriendin] en haar zus vanaf [naam straat] te [naam gemeente] op weg was naar huis. Wanneer verdachte aan zijn vriendin merkt dat er iets aan de hand is, vertelt zij hem dat [slachtoffer] haar al de hele avond volgt en dat deze op dat moment nog steeds achter hen aan loopt. Verdachte draait zich om en spreekt [slachtoffer] aan op zijn gedrag. Daarop ontstaat een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer], waarbij [slachtoffer] wordt geslagen en, eenmaal op de grond terecht gekomen, ook wordt geschopt.

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte hetgeen hierna wordt bewezen verklaard heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft tijdens zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris verklaard dat hij op 20 april 2008 [slachtoffer] heeft aangesproken op zijn gedrag ten opzichte van de vriendin van verdachte. [slachtoffer] zou verdachte bij zijn kraag hebben gegrepen en verdachte heeft [slachtoffer] daarop één keer geslagen. Daardoor viel [slachtoffer] op de grond en op het moment dat [slachtoffer] op wilde staan, heeft verdachte hem tegen zijn lichaam geschopt. Uit de verklaring van verdachte afgelegd bij de politie blijkt dat deze ruzie heeft plaatsgevonden in de omgeving van [naam straat] te [naam gemeente].

[naam getuige] heeft tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris verklaard dat op 20 april 2008 op [naam straat] in [naam gemeente] twee meisjes hem om hulp vroegen. Hij liep met hen mee en zag een man, waarvan hij nu weet dat deze [verdachte] heet, trappen. Hij heeft niet gezien of er tegen het hoofd, tegen de borst of tegen het lijf van [slachtoffer] is getrapt.

7.2.1 Vrijspraakoverwegingen ten aanzien van primair en subsidiair

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling zal moeten worden vastgesteld of er ten minste sprake is geweest van handelingen waarmee verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van deze handelingen zou kunnen overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen. De rechtbank is van oordeel dat van dergelijke handelingen van verdachte geen sprake is, nu uit het strafdossier niet is vast te stellen en ook anderszins niet is gebleken op welke manier of met welke kracht verdachte heeft geschopt en bovendien niet blijkt waar op het lichaam hij het slachtoffer heeft geraakt. Gelet op de getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris, acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig voor het schoppen tegen het hoofd van [slachtoffer].

De verdachte dient derhalve van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

7.2.2 Bewijsoverweging ten aanzien van meer subsidiair

Wel acht de rechtbank op grond van de genoemde bewijsmiddelen onder 7.2 bewezen dat er sprake is geweest van eenvoudige mishandeling.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat zijn verklaringen in het strafdossier onjuist zijn, omdat hem woorden in mond zijn gelegd. De rechtbank ziet echter geen reden om de betrouwbaarheid van de verklaring die verdachte, in aanwezigheid van zijn advocaat, bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, in twijfel te trekken.

Door de raadsman is aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het strafdossier -ook diegene die zijn afgelegd bij de rechter-commissaris- onbetrouwbaar zijn. De rechtbank verwerpt dit verweer met betrekking tot de gebezigde getuigenverklaring van [getuige], nu deze getuige in zijn onder ede afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris duidelijk aangeeft dat hij zich nog kan herinneren wat er zich op 20 april 2008 heeft afgespeeld. Bovendien geeft hij daarbij genuanceerd aan wat hij zelf daadwerkelijk heeft waargenomen en over welke waarnemingen hij twijfelt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat betreffende getuigenverklaring van [getuige] als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

Er is geen letsel geconstateerd op het lichaam van [slachtoffer], terwijl hij in zijn aangifte noch van pijn noch van letsel spreekt. De rechtbank is echter van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat het met geschoeide voet schoppen tegen het lichaam van een persoon die in een weerloze positie op de grond ligt, in ieder geval pijn veroorzaakt en acht zulks derhalve ook bewezen.

7.3 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 20 april 2008 in de gemeente [naam gemeente] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het lichaam heeft getrapt, terwijl genoemde [slachtoffer] op de grond lag, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

mishandeling.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

Door de GZ-psycholoog drs. B.Y. van Toorn is omtrent de geestvermogens van verdachte op 10 juli 2008 een rapportage uitgebracht. De deskundige komt tot de conclusie dat betrokkene als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar voor het bewezenverklaarde.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 14 oktober 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 109 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank houdt bij de strafoplegging enerzijds rekening met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

Verdachte heeft zich na het nuttigen van alcohol schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer]. Verdachte heeft op de openbare weg in het uitgaansgebied van [naam gemeente] geweld toegepast, terwijl [slachtoffer] op de grond lag en in het bijzijn van publiek hetgeen maatschappelijke verontrusting met zich meebrengt en de gevoelens van onveiligheid bij het publiek versterkt. De rechtbank acht dit een ernstig strafbaar feit.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte volgens het uittreksel uit het Justitieel Documentatie-register d.d. 18 september 2008 in het verleden eerder ter zake van mishandeling is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennis genomen van eerdergenoemde psychologische rapportage. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in die zin dat er borderline en antisociale persoonlijkheidstrekken zijn geconstateerd. Verdachte heeft door zijn tekort schietende controlemechanismen impulsief gehandeld, mede door vermindering van de remmingen onder invloed van alcohol.

De deskundige concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar was. De rechtbank neemt dit oordeel van de deskundige over en maakt dit tot het hare.

De officier van justitie is bij de bepaling van de strafeis uitgegaan van bewezenverklaring van poging zware mishandeling. De rechtbank acht in tegenstelling tot de officier van justitie eenvoudige mishandeling bewezen. Derhalve zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht artikelen 10, 27 en 300.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 2 weken;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Vonnis gewezen door mrs. L.J.A. Crompvoets, mr. M.B.T.G. Steeghs, en

mr. W.A.H.J. Poppeliers, rechters, van wie mr. M.B.T.G. Steeghs voorzitter, in

tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer als griffier en uitgesproken ter

openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 2008.

Mr. W.A.H.J. Poppeliers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.