Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BF0741

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
15-09-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1965 WET K1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door eiser is gesteld dat de deskundigen in strijd met artikel 7:464 van het Burgerlijk Wetboek (maakt deel uit van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, verder: WGBO) hebben gehandeld, doordat zij eiser niet in de gelegenheid hebben gesteld mee te delen of hij als eerste kennis van de uitslag en de gevolgtrekking wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de WGBO (artikel 7:464 van het Burgerlijk Wetboek) een blokkeringsrecht toekent aan een betrokkene die in opdracht van een ander aan een medisch onderzoek wordt onderworpen in verband met aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.

Daargelaten of verweerder aan een eventuele schending van de WGBO door de geneeskundige behandelaars consequenties zou moeten verbinden, is de rechtbank van oordeel dat de aard van de rechtsbetrekking zich verzet tegen toepassing van het blokkeringsrecht. Immers, toepassing van het blokkeringsrecht in een geval als het onderhavige, waar het geen beoogde, maar een bestaande relatie betreft en waar de wettelijke regeling impliceert dat verweerder kennis moet kunnen nemen van een medisch onderzoek, zou er toe kunnen leiden dat eiser ondanks ongeschiktheid onverminderd motorvoertuigen zou kunnen blijven besturen, terwijl de WVW er juist toe strekt de verkeersveiligheid te beschermen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 464
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2008/155

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenr. : 07 / 1965 WET K1

Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser.

tegen : Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, namens de ze De Algemeen Directeur, namens deze het Hoofd van de Divisie Vorderingen van het CBR, gevestigd te Rijswijk, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brief d.d. 13 november 2007,

kenmerk: 2006 011 755 / JSL.

Datum van behandeling ter zitting: 20 maart 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit, waartegen mr. P. Ograjensek namens eiser beroep heeft ingesteld, heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen een eerder besluit van 20 juni 2007, waarbij verweerder het rijbewijs van eiser krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) ongeldig heeft verklaard.

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ingezonden, zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De gedingstukken uit de procedure bekend onder het procedurenummer 07/1025 zijn ad informandum aan de stukken van de onderhavige procedure gevoegd.

Bij de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank is eiser in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Van de zijde van verweerder is, met bericht van verhindering, niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Op 22 juli 2006 heeft de politie Limburg Noord, basiseenheid Echt ten aanzien van eiser een mededeling ex artikel 130 van de WVW gedaan. Daarbij werd het vermoeden uitgesproken dat verzoeker, als houder van een rijbewijs, niet (langer) beschikt over de rijvaardigheid dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs werd afgegeven (categorie B). Dit vermoeden werd gebaseerd op de, niet aan alcohol gerelateerde feiten en omstandigheden, dat bij eiser op 22 juli 2006 een gebruikershoeveelheid drugs voor eigen gebruik is aangetroffen. Deze laatste constatering is neergelegd in een politiemutatie van dezelfde datum.

Bij besluit van 23 augustus 2006 heeft verweerder op grond van voornoemde mededeling verzoeker een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW. Eiser heeft tegen deze beslissing geen bezwaar ingediend.

Bij schrijven van 26 januari 2007 is eiser opgeroepen om op 17 februari 2007 een onderzoek te ondergaan bij Wettstein Peterse Expertise, psychiater.

Naar aanleiding van dit onderzoek is op basis van alle relevante gegevens door R.E. Dekens, psychiater in opleiding, en K.R.M. Wettstein, psychiater, de psychiatrische diagnose drugmisbruik in ruime zin gesteld.

Bij brief van 9 mei 2007 heeft verweerder de uitkomst van het gevoerde onderzoek meegedeeld en tevens zijn voornemen kenbaar gemaakt het rijbewijs van eiser ongeldig te verklaren voor alle categorieën. Van de mogelijkheid een tweede onderzoek te vragen heeft eiser geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 20 juni 2007 heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard voor alle categorieën, omdat eiser op grond van de uitslag van het onderzoek niet voldoet aan de eisen van geschiktheid, waaraan hij gezien het aan hem afgegeven rijbewijs moet voldoen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, waarbij is aangevoerd dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd nu niet is gebleken dat er sprake was van een op feiten en omstandigheden gebaseerd vermoeden dat eiser ongeschikt was. Evenmin is gebleken wie tot de conclusie is gekomen dat eiser ongeschikt is en dat een mededeling van het vermoeden is gedaan. Niet duidelijk is op basis waarvan eiser is gevorderd mee te werken aan het onderzoek naar zijn geschiktheid. De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid is dan ook niet juist nageleefd, althans daar is niet van gebleken.

Eiser heeft geen kopie van het onderzoeksverslag ontvangen, waardoor het onmogelijk is na te gaan of inderdaad de conclusie van het onderzoek is dat eiser niet langer voldoet aan de eisen van geschiktheid. Uit het bestreden besluit blijkt niet wat “alle relevante gegevens” inhoudt op basis waarvan de keurend arts tot zijn conclusie is gekomen. Evenmin blijkt wie de keurend arts is geweest en heeft de keurend arts in strijd met artikel 7:464, tweede lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek gehandeld.

Tot slot is namens eiser aangevoerd dat er geen sprake is van drugmisbruik. De keuringsarts heeft hem na de keuring mondeling meegedeeld dat er naar aanleiding van de resultaten verder geen gevolgen voor eiser zouden zijn. Eiser draag lenzen en heeft last van hooikoorts, waardoor hij zeer regelmatig last heeft van zijn ogen. Eiser heeft nimmer onder invloed van cannabis deelgenomen aan het verkeer.

In een aanvullend bezwaarschrift heeft eiser opgemerkt dat Wettstein, de keurend arts, heeft aangegeven dat er geen sprake is van drugsafhankelijkheid of drugsmisbruik door eiser. Wettstein noemt vervolgens een aantal afwijkende bevindingen, maar dit betreft enkel de subjectieve mening van Wettstein. Hij heeft niet onderbouwd wat wordt bedoeld met de kwalificatie drugsmisbruik in ruime zin en het begrip drugsmisbruik in ruime zin vindt geen enkele steun in de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Voorts heeft eiser gesteld dat hij zich het belang van een herkeuring niet realiseerde en dat een herkeuring bovendien bijna € 500,- kost, welke kosten tevens binnen twee weken dienden te worden voldaan. Gezien de financiële situatie van eiser kon niet van hem worden gevergd worden dergelijke kosten te dragen. Er is dan ook geen sprake van equality of arms, aldus eiser.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser -op gelijkluidende gronden als in bezwaar- beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiser heeft ten aanzien van het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid opgemerkt dat hij advies heeft ingewonnen bij een advocaat, die eiser heeft meegedeeld dat tegen deze mededeling geen juridische stappen hoefden te worden ondernomen. Eiser heeft op dit advies vertrouwd. Eiser heeft voorts gesteld dat de aan het besluit ten grondslag liggende rapportage van Wettstein niet was aangehecht aan dat besluit, zodat deze geen deel uitmaakt van de bestreden beslissing en in strijd is gehandeld met artikel 3:49 van de Awb. Eiser heeft pas in de bezwaarfase een kopie van de betreffende rapportage ontvangen.

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Zij overweegt daartoe als volgt.

Ingevolge artikel 131 van de WVW besluit verweerder, indien de schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 daartoe naar zijn oordeel aanleiding geeft, dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Verweerder bepaalt de aard van het onderzoek en door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

Ingevolge artikel 131 van de WVW en artikel 6, tweede lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid in combinatie met de daarbij behorende bijlage I legt verweerder (onder andere) een onderzoek naar de geschiktheid op wanneer de betrokkene in het bezit is van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door de betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik is.

Blijkens het bepaalde in artikel 142 van het Reglement rijbewijzen vindt het onderzoek naar de geschiktheid plaats aan de hand van de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Dit is de Regeling eisen geschiktheid van 18 mei 2000, Stcrt. 23 mei 2000, nr. 99, (hierna te noemen de Regeling). In artikel 2 van de Regeling is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze Regeling behorende bijlage. In de bijlage zijn richtlijnen geformuleerd voor het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. In hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" van de bijlage is opgenomen paragraaf 8.8: Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs) welke luidt als volgt:.

'Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van herkeuring op basis van een specialistisch rapport geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.' ".

Artikel 134, eerste lid, van de WVW 1994 bepaalt dat het CBR, na ontvangst van de bevindingen van de keurend artsen, de uitslag van het onderzoek vaststelt en van de uitslag mededeling doet aan de betrokkene.

Ingevolge artikel 12 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in artikel 134, derde lid van de WVW 1994, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken inhoudt dat betrokkene niet voldoet aan de in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorrijtuig.

Het besluit van 23 augustus 2006 -waarbij eiser de verplichting is opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid- is genomen naar aanleiding van een van de regiopolitie Limburg Noord ontvangen schriftelijke mededeling, zoals bedoeld in artikel 130 WVW, van 22 juli 2006, waaruit het vermoeden blijkt dat eiser niet langer voldoet aan de eisen van geschiktheid. Uit dit besluit blijken tevens de feiten en omstandigheden waarop dit vermoeden is gebaseerd. Eiser is met bloeddoorlopen, waterige ogen aangetroffen in zijn auto terwijl hij een joint draaide. Eiser was voorts in het bezit van twee gripzakjes weed en heeft tegenover de verbalisant verklaard dat hij één à twee jointjes per week rookt.

De door eiser achteraf gegeven verklaring voor zijn rode en waterige ogen, maakt niet dat het vermoeden zoals dat is ontstaan ten tijde van het aantreffen van eiser in zijn auto, niet aan de mededeling ex artikel 130 van de WVW ten grondslag mocht liggen. Immers, eiser was in het bezit van een gebruikershoeveelheid drugs en hij heeft ten overstaan van de politie verklaard dat deze voor eigen gebruik is.

Tegen het besluit van 23 augustus 2006 heeft eiser geen bezwaar gemaakt, waardoor het besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Dat eiser de consequenties van het niet maken van bezwaar niet heeft overzien, maakt dit niet anders.

In het verslag van bevindingen hebben Wettstein en Dekens gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te kunnen concluderen dat er ten tijde van de aanhouding van 22 juli 2006 sprake was van drugmisbruik volgens de DSM-IV-TR. Bij het onderzoek hebben Wettstein en Dekens wel vastgesteld dat eiser iedere dag cannabis gebruikt, dat eiser zijn drugsgebruik als dat van een gewoontegebruiker beschouwt, dat hij meestal thuis gebruikt en dat hij dat in het jaar voorafgaande aan zijn aanhouding stiekem heeft gebruikt. Bij laboratoriumonderzoek (urine-onderzoek) is eiser positief getest voor cannabis. Op basis van deze gegevens concluderen Wettstein en Dekens dat de psychiatrische diagnose drugmisbruik in ruime zin kan worden gesteld.

Bij schrijven van 9 mei 2007 heeft verweerder, na ontvangst van de bevindingen van de keurend arts, de uitslag van het onderzoek vastgesteld. Verweerder heeft aangegeven dat hoofdstuk 8, paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid van toepassing is en dat hij voornemens is het rijbewijs van eiser ongeldig te verklaren. Aan eiser is de uitslag van het onderzoek meegedeeld en hij is gewezen op de mogelijkheid een tweede onderzoek aan te vragen. Indien bij eiser enige twijfel omtrent de juistheid van de bevindingen van de keurend arts hadden bestaan, had hij van deze mogelijkheid gebruik kunnen maken, hetgeen hij niet heeft gedaan.

Mocht er sprake zijn van handelen in strijd met artikel 3:49 van de Awb doordat aan eiser geen kopie van het verslag van de bevindingen van het onderzoek door Wettstein en Dekens is verstrekt, zoals door eiser is aangevoerd, dan is de rechtbank van oordeel dat dit verzuim in de bezwaarprocedure is hersteld. Na ontvangst van het bezwaarschrift heeft verweerder de stukken, waaronder het betreffende verslag, aan eiser verstrekt en heeft eiser nog een aanvullend bezwaarschrift ingediend (ABRS 3 maart 2005, AB2005,136).

Door eiser is gesteld dat de deskundigen in strijd met artikel 7:464 van het Burgerlijk Wetboek (maakt deel uit van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, verder: WGBO) hebben gehandeld, doordat zij eiser niet in de gelegenheid hebben gesteld mee te delen of hij als eerste kennis van de uitslag en de gevolgtrekking wenst te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat de WGBO (artikel 7:464 van het Burgerlijk Wetboek) een blokkeringsrecht toekent aan een betrokkene die in opdracht van een ander aan een medisch onderzoek wordt onderworpen in verband met aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.

Daargelaten of verweerder aan een eventuele schending van de WGBO door de geneeskundige behandelaars consequenties zou moeten verbinden, is de rechtbank van oordeel dat de aard van de rechtsbetrekking zich verzet tegen toepassing van het blokkeringsrecht. Immers, toepassing van het blokkeringsrecht in een geval als het onderhavige, waar het geen beoogde, maar een bestaande relatie betreft en waar de wettelijke regeling impliceert dat verweerder kennis moet kunnen nemen van een medisch onderzoek, zou er toe kunnen leiden dat eiser ondanks ongeschiktheid onverminderd motorvoertuigen zou kunnen blijven besturen, terwijl de WVW er juist toe strekt de verkeersveiligheid te beschermen.

In de beslissing op bezwaar heeft verweerder verzuimd om op deze door eiser aangevoerde bezwaargrond in te gaan. Reden waarom de rechtbank aanleiding ziet om het bestreden besluit te vernietigen vanwege een motiveringsgebrek. In het verweerschrift is verweerder hier echter wel op ingegaan. Zoals blijkt uit het voorgaande, deelt de rechtbank de conclusie van verweerder zoals weergegeven in het verweerschrift. Gelet hierop en op hetgeen hierna nog wordt overwogen, ziet zij aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De rechtbank is van oordeel dat onder omstandigheden, ondanks het ontbreken van een DSM-IV diagnose, misbruik van drugs als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling kan worden aangenomen (ABRS 26 maart 2006, AB 1999,240). In hetgeen door eiser is aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel dat bij eiser sprake is van misbruik van drugs als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling, zodat eiser ongeschikt is tot het besturen van een motorrijtuig. Eisers stelling dat hij niet aan het verkeer deelneemt als hij onder invloed is van drugs, maakt dit niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet voldoet aan de in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid vastgestelde eisen met betrekking tot de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Ingevolge artikel 12 van deze Regeling diende verweerder dan ook over te gaan tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. De wet- en regelgever heeft reeds een volledige belangenafweging gemaakt, zodat verweerder niet tot en nadere belangenafweging hoefde over te gaan.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan de griffier der gerechten in het arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2008

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 9 april 2008

JS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.