Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9930

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
05-09-2008
Zaaknummer
222050 \ CV EXPL 08-3229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vordering tot vermindering van de arbeidstijd in het kader van de Wet Aanpassing Arbeidsduur is in kort geding toegewezen, ondanks een door de Ondernemingsraad goedgekeurde deeltijdregeling. Argumenten die door de werkgever zijn aangevoerd, zijn onvoldoende onderbouwd en zijn geen zwaarwegende bedrijfsbelangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2009, 12
AR-Updates.nl 2008-0571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector kanton

Zaaknummer: 222050 \ CV EXPL 08-3229

Vonnis in kort geding van de kantonrechter te Venlo d.d. 3 september 2008

in de zaak van:

[eiseres], wonende te [adres],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.M.A. van Geel,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tempo-Team Group B.V., gevestigd te 1100 AS Amsterdam Zuidoost,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.M. Caro.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Eiseres heeft gedaagde in kort geding doen dagvaarden en heeft op de gronden als in die dagvaarding omschreven gevorderd:

- gedaagde te veroordelen het verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur te aanvaarden en eiseres met ingang van 8 september 2008 voor 20 uur per week te werk te stellen;

- aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van EUR 400,00 aan tarief te liquideren kosten van twee punten volgens het liquidatietarief rechtbanken, sector kanton, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, ter zake van vergoeding van de door eiseres gemaakte buitengerechtelijke kosten, zulks binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;

- dit alles op straffe van een dwangsom van EUR 500,00 per dag voor elke dag dat gedaagde na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan een zodanige veroordeling te voldoen, en met veroordeling gedaagde in de kosten van deze procedure.

1.2. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft gedaagde een aantal producties overgelegd.

1.3. Op 26 augustus 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun stellingen daarbij mondeling toegelicht en pleitnota’s overgelegd.

1.4. De zaak is daarna op vonnis gesteld en de uitspraak daarvan is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1. Eiseres is op 1 februari 2002 bij gedaagde als (full time) Sales Representative in dienst getreden, zulks op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het salaris bedroeg in 2002 EUR 2.200,83 bruto per maand. Begin 2003 heeft eiseres om aanpassing van de arbeidsduur gevraagd en is per 1 september 36 uur per week gaan werken.

2.2. Per 1 september 2004 is eiseres tot manager i.o. benoemd en per 1 november 2005 tot Senior Accountspecialist (AS) in Venray. Vanaf 1 maart 2006 werkt eiseres, na haar ouderschapsverlof, 28 uur per week als AS. In de periode van medio september 2005 tot aan medio maart 2006 en vanaf maart 2008 tot heden werkt eiseres 24 uur. Zij heeft eerst 24 uur ouderschapsverlof opgenomen en daarna 4 uur verlof. Vanaf maart 2005 werkt eiseres in de functie van AS in de vestiging van gedaagde in Venlo.

2.3. Op 29 april 2008 heeft eiseres om aanpassing van de arbeidsduur gevraagd. Zij wil met ingang van 8 september 2008 20 uur per week gaan werken. Daarbij heeft zij een spreiding van haar uren voorgesteld. Dit verzoek is geweigerd.

2.4. Gedaagde is een uitzendorganisatie met diverse werkmaatschappijen en vestigingen. 85% van het personeel is vrouw. Circa 50% van het volledige personeelsbestand werkt in deeltijd. Gedaagde voert al lange tijd een deeltijdbeleid. Deeltijdarbeid is in beginsel binnen alle functies mogelijk, maar gedaagde heeft dit gereguleerd. Hoe hoger het functieniveau is, des te beperkter kan in deeltijd gewerkt worden.

2.5. In 2006 is de Regeling Deeltijdarbeid bij gedaagde aangepast. De regeling is met instemming van de OR tot stand gekomen. In de functie van AS is de ondergrens bepaald op 0,8 FTE (32 uren per week). Voor ervaren medewerkers hanteert gedaagde een ondergrens van 0,7 FTE (28 uren na drie jaar ervaring in de functie).

3. De vordering en stellingen van eiseres

3.1. Eiseres vordert hetgeen hiervoor onder het verloop van de procedure is omschreven.

3.2. Zij heeft allereerst aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij heeft voldaan aan de vereisten die de Wet Aanpassing Arbeidsduur stelt. De reden dat eiseres deze aanvraag heeft gedaan is gelegen in het feit dat zij haar werk met vermindering van uren beter met haar gezin kan combineren.

Verder is zij van mening dat haar functie goed uit te voeren is in 20 uren per week. Eventueel is zij bereid 24 uur per week te werken. Ook staat zij positief tegenover een duobaan en is zij bereid overleg te voeren met een andere parttimer hierover.

3.3. Volgens actuele jurisprudentie staat algemeen beleid een individuele aanvraag tot aanpassing van de arbeidsduur niet in de weg. Per individueel geval moet beoordeeld worden of er zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aanwezig zijn.

De argumenten die gedaagde aanvoert zijn niet zwaarwegend.

3.4. Voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing verwijst de kantonrechter naar de inhoud van de dagvaarding, de daarbij overgelegde producties en het besprokene ter

mondelinge behandeling. De inhoud van het voornoemde moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Het verweer van gedaagde

4.1. Gedaagde heeft de vordering en stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken en heeft het volgende – kort samengevat – naar voren gebracht:

Allereerst is gedaagde van oordeel dat voor een beslissing in kort geding geen plaats is, gelet op het structurele karakter van de vordering.

4.2. Als er wel in kort geding geoordeeld mag worden, dan is gedaagde van mening dat de vorderingen van eiseres afgewezen dienen te worden op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen die zwaarder wegen dan de belangen van eiseres.

Het zwaarwegend bedrijfsbelang van gedaagde bestaat uit een eenduidig deeltijdbeleid binnen haar organisatie. Dit beleid is in nauw overleg en met volledige instemming van de OR tot stand gekomen. Zij heeft daarbij een afweging moeten maken tussen de belangen van de werknemers en haar belangen als ondernemer in een uitzendbranche waar de commerciële resultaten door de marktpositie altijd onder druk staan.

4.3. Eiseres vormt in haar functie het aanspreekpunt voor de klanten en opdrachtgevers en dient als een spin in het web diverse activiteiten te verrichten en te coördineren. Het is dan ook van groot belang dat zij, binnen redelijke grenzen, optimaal bereikbaar en beschikbaar is. Het inrichten van een duobaan is daarom niet mogelijk.

4.4. Gelet op de omvang van de vestiging waarin eiseres werkt, dient artikel 2, lid 12, WAA naar analogie toegepast te worden.

4.5. Ook hier verwijst de kantonrechter voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van het verweer naar de overgelegde stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling. De inhoud van het voornoemde moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

5. De beoordeling

5.1. De kantonrechter is allereerst van oordeel dat er voldoende sprake is van een spoedeisend belang. Dit is door gedaagde ook niet betwist. Eiseres kan daarom worden ontvangen in haar vordering.

5.2. Eiseres heeft verzocht om haar werktijd per 8 september 2008 terug te brengen tot 20 uur per week. Eventueel is zij bereid om 24 uur per week te gaan werken. Gedaagde heeft, met uitdrukkelijk verwijzing naar het landelijk beleid, haar instemming aan het verzoek onthouden. Op grond van partijen over en weer naar voren hebben gebracht, stelt de kantonrechter vast dat het verzoek tot aanpassing van de arbeidsduur dat eiseres aan gedaagde heeft gedaan, voldoet aan de formele vereisten van artikel 2 WAA.

5.3. Gedaagde heeft allereerst tegen de vordering aangevoerd dat een beoordeling van een dergelijk verzoek zich niet leent voor een kort gedingprocedure, gelet op het structurele karakter daarvan. Dit verweer zal worden verworpen. Mocht de bodemrechter immers anders beslissen dan de voorzieningenrechter, dan kan de situatie immers vrij eenvoudig aangepast worden aan de uiteindelijke beslissing. Of eiseres gaat dan minder werken of zij gaat juist meer werken.

5.4. Ten aanzien van de vordering op zich heeft gedaagde aangevoerd dat zwaarwegende bedrijfsbelangen zich tegen toewijzing van de vordering verzetten. Zij heeft aangevoerd dat deeltijdwerken gereguleerd is via een goed doordachte regeling die met instemming van de Ondernemingsraad tot stand is gekomen. Bij de totstandkoming daarvan heeft gedaagde groot belang gehecht aan commerciële slagkracht, continuïteit naar bedrijven en flexwerkers, slagvaardigheid en reactiesnelheid van de units, adequate aanwezigheid en bereikbaarheid van leidinggevenden of medewerkers met een grote verantwoordelijkheid c.q. senioriteit en het niet adequaat kunnen herbezetten van vrijgekomen uren. Eiseres heeft gesteld dat de hiervoor geformuleerde punten geen zwaarwegend bedrijfsbelang als bedoeld in de Wet Aanpassing Arbeidsduur opleveren.

5.5. Bij de totstandkoming van de WAA is het de bedoeling van de wetgever geweest dat een verzoek om vermindering van de arbeidsduur in beginsel gehonoreerd wordt. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de bepalingen van deze wet bestaat er slechts een kleine ruimte waarbinnen afwijzend beslist kan worden. Dit is slechts het geval als er sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang, in ieder geval indien de vermindering leidt tot ernstige problemen voor de bedrijfsvoering of de herbezetting van de vrijgekomen uren, op het gebied van veiligheid of van roostertechnische aard.

In de afwijzing op het verzoek van eiseres geeft gedaagde, in de persoon van [X], aan dat eiseres een leidinggevende functie heeft met een commerciële verantwoordelijkheid die met zich brengt dat de functie in niet minder dan 32 uren per week kan worden uitgeoefend. Gedaagde heeft haar verweer op dit punt vooralsnog niet onderbouwd of nader aangetoond. Het enkele feit dat dit in een door de Ondernemingsraad goedgekeurde regeling is vastgelegd, is onvoldoende. Bij een dergelijk verzoek zal per individueel geval bekeken moeten worden of er in dat specifieke geval sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Niet gesteld noch gebleken is dat door gedaagde bij de afwijzing van het verzoek een individuele afweging is gemaakt. Ook een eventuele precedentwerking vormt in het toetsingskader van de WAA geen zwaarwegend bedrijfsbelang op grond waarvan het verzoek moet worden afgewezen. Ieder verzoek vergt immers een individuele beoordeling.

Van belang is verder dat eiseres de functie reeds geruime tijd in minder dan de gestelde 32 uren per week verricht en dat niet gesteld noch gebleken is dat dit tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. Gedaagde heeft niet - althans in volstrekt onvoldoende mate - aangetoond dat het werk niet in 20 of 24 uur per week kan worden uitgevoerd. Gedaagde heeft hieromtrent wel een aantal niet onaannemelijke stellingen naar voren gebracht, doch een harde feitelijke onderbouwing van de mogelijke nadelige gevolgen ontbreekt vooralsnog. Van gedaagde mag bovendien verlangd worden dat zij de mogelijkheden van een duobaan onderzoekt, zoals door eiseres voorgesteld, ook indien dit de nodige omschakeling, ongemakken en zelfs financiële offers vergt.

Het ter zake gevoerde verweer is vooralsnog onvoldoende onderbouwd en van relevante stukken voorzien, zodat dit zal worden gepasseerd.

5.6. Het verweer dat artikel 2, lid 8, WAA naar analogie moet worden toegepast, zal eveneens gepasseerd worden. Gedaagde heeft landelijk een groot aantal vestigingen met een groot aantal personeelsleden en de vestiging in Venlo waar eiseres werkzaam is, is geen aparte rechtspersoon.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat de vordering in kort geding zal worden toegewezen. Voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten is geen plaats. Eiseres heeft immers niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van de procedure en instructie van de zaak. Tot slot zal gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de kant van eiseres gevallen.

6. Beslissing in kort geding

6.1. Veroordeelt gedaagde het verzoek van eiseres tot aanpassing van de arbeidsduur te aanvaarden en haar met ingang van 8 september 2008 voor 20 uur per week te werk te stellen, op verbeurte van een dwangsom van EUR 500,00 per dag voor elke dag dat gedaagde na betekening van dit vonnis in gebreke blijft hieraan te voldoen.

6.2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de kant van eiseres gevallen en aan die kant tot heden begroot op EUR 592,44 waarvan EUR 400,00 als salaris voor de gemachtigde.

6.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

6.4. Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 3 september 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.