Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9480

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
29-08-2008
Zaaknummer
88043 / FA RK 08-1012
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderontvoeringszaak. Verzet door en horen van jong kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer: 88043 / FA RK 08-1012

Beschikking van 27 augustus 2008 op het verzoek van:

De centrale autoriteit,

gevestigd te 2511 EX 's-Gravenhage, Schedeldoekshaven 100,

hierna te noemen de centrale autoriteit,

gemachtigde: M.P. Verveer,

mede namens [de moeder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de moeder.

Als belanghebbenden merkt de rechtbank naast de minderjarige [de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], aan:

[de vader],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vader,

advocaat: mr. C.J.P. Liefting;

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te 6041 CB Roermond, Slachthuisstraat 33,

De raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te 6041CB Roermond, Slachthuisstraat 57.

1. Het verloop van de procedure

Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen als faxbericht bij de rechtbank op 24 juli 2008;

- de mondelinge behandeling welke heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008 en waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.

Bij deze behandeling zijn verschenen:

- mr. A.M.E. Giuliano, als gemachtigde van de centrale autoriteit;

- de advocaat van vader, mr. C.J.P. Liefting;

- mevrouw A.S. van der Ven, vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming;

- de heer W.G.B. Janssen, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg.

Daarnaar gevraagd heeft de advocaat van vader verklaard, dat zijn cliënt niet ter zitting zal verschijnen, omdat hij bang is te zullen worden aangehouden.

De rechtbank heeft met instemming van partijen kennis genomen van het procesdossier met zaaknummer 87370 / JE RK 08-754 betreffende de op 9 juli 2008 uitgesproken ondertoezichtstelling van [de minderjarige]. Omdat de gemachtigde van de centrale autoriteit buiten de beschikking niet over de inhoud van bedoeld dossier beschikt, wordt afgesproken, dat de rechtbank de uit dat dossier afkomstige stukken, waarvan in deze zaak eventueel kennis wordt genomen – na overleg met partijen - uitgebreid zal voordragen dan wel op eerste verzoek in kopie zal verstrekken.

2. Vaststaande feiten

2.1. Deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2002 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk is de hiervoor genoemde [de minderjarige] geboren.

2.2. Bij beschikking van 21 mei 2003 heeft deze rechtbank de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar vader bepaald.

2.3. Tot augustus 2006 verblijft [de minderjarige] bij vader. Op verzoek van vader en met instemming van moeder gaat [de minderjarige] daarna bij haar moeder in België wonen. De ouders maken daarbij onder meer afspraken over de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en haar vader (productie 1 van productie 6 bij het verzoekschrift). Tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij haar moeder heeft deze omgangsregeling goed gefunctioneerd.

2.4. Op 21 juni 2007 heeft moeder een verzoekschrift bij de jeugdrechtbank te Antwerpen ingediend en daarbij onder meer verzocht:

- om beide ouders met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten;

- om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen;

- om vader te veroordelen tot betaling van een onderhoudsbijdrage van EUR 150,-- per maand.

Vader heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht om moeder te veroordelen tot betaling van een onderhoudsbijdrage van EUR 200,-- per maand.

2.5. In augustus 2007 heeft vader [de minderjarige] na de omgangsregeling niet meer teruggebracht. Moeder heeft vanaf die tijd – met uitzondering van enkele MSN-contacten – geen contact meer met [de minderjarige] kunnen hebben.

2.6. Bij (tussen)vonnis van 27 september 2007 heeft de jeugdrechtbank te Antwerpen voor recht gezegd dat dringende voorlopige maatregelen gelden, in die zin:

- dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] door vader en moeder gezamenlijk wordt uitgeoefend;

- dat de minderjarige wordt ingeschreven op het adres van moeder en aldaar haar hoofdverblijf behoudt;

- dat vader een omgangsregeling in onderling overleg met moeder heeft af te spreken, bij gebreke van akkoord hij omgangsrecht heeft telkens het weekend van ‘de pare weken’ van zaterdag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur waarbij vader de minderjarige haalt en terugbrengt;

- dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet op 21 februari 2008 te 10.30 uur;

- dat de beslissing inzake de kosten wordt aangehouden.

Het (tussen)vonnis vermeldt, dat op het moment dat moeder haar verzoekschrift indiende – 21 juni 2007 – [de minderjarige] ingevolge een door beide ouders ondertekend akkoord sedert 18 september 2006 in België verbleef.

2.7. Op 16 november 2007 heeft vader een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend en daarbij verzocht:

- om beide ouders met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] te belasten;

- om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen;

- om een omgangsregeling vast te stellen;

- om [de minderjarige] onder toezicht te stellen.

2.8. Bij beschikking van 19 december 2007 heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de jeugdrechtbank te Antwerpen.

2.9. Bij (tussen)vonnis van 3 april 2008 heeft de jeugdrechtbank te Antwerpen voor recht gezegd dat voorlopige maatregelen gelden, in die zin:

- dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] door vader en moeder gezamenlijk wordt uitgeoefend;

- dat de minderjarige wordt ingeschreven op het adres van moeder en aldaar haar hoofdverblijf houdt;

- dat in het kader van een omgangsregeling de contacten tussen vader en [de minderjarige] -onder begeleiding worden opgebouwd, onderhouden dan wel uitgebreid, met verzoek aan de begeleidende instelling om vanaf heden elke drie maanden daarvan verslag te doen tot de zaak is gesloten;

- dat vader wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van EUR 100,-- voor iedere dag dat vader vanaf 6 april 2008 [de minderjarige] niet naar haar moeder terugbrengt;

- dat moeder wordt gemachtigd om [de minderjarige] te gaan halen waar zij zich ook bevindt, zo nodig met bijstand van de openbare macht en/of een gerechtsdeurwaarder naar keuze;

- dat [de minderjarige] op 11 juni 2008 om 14.00 uur zal worden gehoord;

- dat de zaak tot 12 juni 2008 te 12.30 uur wordt aangehouden, teneinde dan te worden geëvalueerd;

- dat de beslissing inzake de kosten wordt aangehouden.

2.10. Vader heeft hoger beroep aangetekend tegen het (tussen)vonnis van 3 april 2008, welk hoger beroep door het Hof van Beroep te Antwerpen bij arrest van 10 juli 2008 ongegrond is verklaard, met dien verstande dat het maximum van de eventueel te verbeuren dwangsommen op EUR 10.000,-- is bepaald. Het Hof van Beroep heeft de zaak terugverwezen naar de jeugdrechtbank te Antwerpen.

2.11. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2008 is [de minderjarige] naar aanleiding van een op 20 juni 2008 door vader daartoe ingediend verzoekschrift onder toezicht gesteld.

3. Het verzoek

De centrale autoriteit verzoekt de rechtbank om met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet behorende bij het (Haags) Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: de Uitvoeringswet) de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] naar België te bevelen, althans om de terugkeer van [de minderjarige] binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn te bevelen, met dien verstande dat [de minderjarige] aan moeder wordt afgegeven teneinde haar naar haar gewone verblijfplaats in België te kunnen overbrengen.

Voor de aan het verzoek van de centrale autoriteit ten grondslag liggende stellingen verwijst de rechtbank naar de inhoud van het verzoekschrift, welke inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

4. Het verweer

De advocaat van vader heeft mondeling verweer gevoerd ertoe strekkende dat het door de centrale autoriteit verzochte wordt afgewezen.

Het verweer luidt – kort samengevat – :

In verband met problemen tussen vader en zijn toenmalige partner en problemen tussen deze partner en [de minderjarige] heeft vader in het najaar van 2006 moeder benaderd met de vraag of

[de minderjarige] gedurende de periode die vader dacht nodig te hebben om de problemen met zijn

partner te regelen – ongeveer vier maanden – bij haar moeder in België mocht verblijven.

[de minderjarige] heeft steeds aangegeven bij vader en haar vriendjes te willen blijven wonen. [de minderjarige] verklaart alleen goed bekend te zijn met haar vader. [de minderjarige] is door het dreigende vertrek naar België ernstig getraumatiseerd geraakt en mede op grond daarvan heeft de kinderrechter haar onder toezicht gesteld. [de minderjarige] is daaraan voorafgaand gehoord door de kinderrechter. Vader beroept zich op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en sub b van het (Haags) Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna: het Verdrag). Vader verzoekt de rechtbank het verzoek van de centrale autoriteit af te wijzen dan wel [de minderjarige] te horen dan wel [de minderjarige] door een deskundige te laten onderzoeken. Dat laatste met name om inzicht te krijgen in de gevolgen voor [de minderjarige] van een terugkeer naar haar moeder in België.

5. Het oordeel van de rechtbank

5.1. Het verzoek van de centrale autoriteit is gebaseerd op het Verdrag alsmede op de Verordening van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000, ook wel Verordening Brussel II-bis genoemd (hierna: de Verordening).

5.2. De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel Nederland als België partij zijn bij het Verdrag en dat de Verordening directe toepassing heeft.

5.3. Op grond van artikel 11 van de Uitvoeringswet bij het Verdrag alsmede op grond van artikel 12 lid 2 van de Uitvoeringswet bij de Verordening is deze rechtbank bevoegd om van het verzoek kennis te nemen, daar [de minderjarige] haar feitelijke verblijfplaats binnen het rechtsgebied van deze rechtbank heeft.

5.4. Het doel van het Verdrag is onder meer de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van minderjarigen die ongeoorloofd zijn overgebracht van de ene naar de andere verdragsstaat.

5.5. De rechtbank dient in het kader van deze procedure de volgende vragen te beantwoorden:

1. Is er sprake van het ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van [de minderjarige] als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag?;

2. Zo ja, is er sprake van een van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 13 van het Verdrag?

5.5.1. Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren als bedoeld in artikel 3 van het

Verdrag?

Van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van een kind is sprake, als dit geschiedt in strijd met het gezagsrecht dat aan een ouder of aan beiden is toegekend ingevolge het recht van de Staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van overbrenging of vasthouding dan wel zou zijn uitgeoefend als zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden.

Bij beschikking van deze rechtbank van 21 mei 2003 is bepaald, dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar vader zal zijn. Volgens moeder heeft vader in augustus 2006 aan haar gevraagd of [de minderjarige] voortaan bij haar mocht wonen. Volgens de advocaat van vader heeft vader echter in het najaar van 2006 moeder gevraagd of [de minderjarige] in verband met problemen in zijn privé-sfeer tijdelijk bij haar mocht verblijven, teneinde daardoor in de gelegenheid te zijn deze problemen op te lossen. Het was de bedoeling van vader dat [de minderjarige] ongeveer vier maanden bij haar moeder in België zou verblijven.

De rechtbank acht het standpunt van vader niet aannemelijk. Allereerst verzuimt vader zijn standpunt met deugdelijke bescheiden te onderbouwen, terwijl moeder onweersproken heeft verklaard, dat in verband met het verzoek van vader beide ouders de als productie 6 bij het verzoekschrift overgelegde overeenkomst hebben opgemaakt en ondertekend. De rechtbank constateert dat in deze overeenkomst geen sprake is van een tijdelijk verblijf bij moeder. Daarnaast staat vast dat vader op 16 augustus 2006 (zie eveneens productie 6 bij het verzoekschrift) een “aangifte van vertrek uit de gemeente wegens emigratie” betreffende [de minderjarige] mede heeft ondertekend en dat [de minderjarige] sedert 18 september 2006 staat ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Boechout. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verblijf van [de minderjarige] bij haar moeder, zoals in september 2007 tussen de ouders is afgesproken niet als tijdelijk dient te worden gekwalificeerd.

Op 21 juni 2007 heeft moeder het hiervoor onder 2.3. genoemde verzoekschrift ingediend, waarna de jeugdrechtbank te Antwerpen op 27 september 2007 het onder 2.4. genoemde (tussen)vonnis heeft gewezen. Onbetwist is dat vader in augustus 2007 [de minderjarige] niet bij moeder heeft teruggebracht toen [de minderjarige] bij hem verbleef in het kader van de omgangsregeling. Moeder heeft steeds aangegeven dat [de minderjarige] op zo kort mogelijke termijn diende terug te keren naar België en moeder heeft nooit met het verblijf van [de minderjarige] bij vader ingestemd of daarin berust. De jeugdrechtbank te Antwerpen heeft in eerste instantie bij (tussen)vonnis van 27 september 2007 en vervolgens bij (tussen)vonnis van 3 april 2008 bepaald dat het ouderlijk gezag over [de minderjarige] door vader en moeder gezamenlijk wordt uitgeoefend en dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf op het adres van moeder behoudt. Deze laatstgenoemde beslissing is bij arrest van 10 juli 2008 bekrachtigd. Gelet op al het bovenstaande en gelet op het feit dat vader sinds augustus 2007 weigert om [de minderjarige] naar haar moeder te laten terugkeren, is de rechtbank van oordeel dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij haar moeder in België heeft en dat er sprake is van ongeoorloofd niet doen terugkeren van [de minderjarige] als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

5.5.2. Is er sprake van een van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 13 van het Verdrag?

a. Artikel 13, eerste lid, aanhef en sub a van het Verdrag: toestemmen in overbrenging of berusting daarin

Naar het oordeel van de rechtbank is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, sub a, geen sprake. Vaststaat dat [de minderjarige] van 18 september 2006 tot augustus 2007 bij haar moeder in België verbleef. Verder heeft moeder onweersproken ter zitting verklaard, dat zij in juni 2007 een procedure in België is gestart om zekerheid te verkrijgen over de definitieve verblijfplaats van [de minderjarige] en een onderhoudsbijdrage van vader, waarop de jeugdrechtbank te Antwerpen in eerste instantie bij (tussen)vonnis van 27 september 2007 beide ouders met het gezag over [de minderjarige] heeft belast en heeft bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf op het adres van haar moeder behoudt. Nu dit (tussen)vonnis nog is gevolgd door een (tussen)vonnis van 3 april 2008, welk vonnis bij arrest van 10 juli 2008 is bekrachtigd, is de rechtbank van oordeel dat vaststaat dat de moeder niet heeft toegestemd in de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland of heeft berust in het niet doen terugkeren.

b. Artikel 13, eerste lid, aanhef en sub b van het Verdrag: geestelijk gevaar of ondragelijke toestand

Van de uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, sub b, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De door de advocaat van de man ter terechtzitting aangevoerde argumenten zijn naar het oordeel van de rechtbank niet te kwalificeren als omstandigheden waarop de hiervoor genoemde Verdragsbepaling doelt. Naar het oordeel van de rechtbank is namens vader niet aannemelijk gemaakt, dat er een ernstig risico bestaat dat [de minderjarige] door haar terugkeer naar België wordt blootgesteld aan een lichamelijk en/of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Met name is niet gebleken hetgeen namens vader is opgemerkt over de labiele toestand van de moeder in verband met haar huidige zwangerschap. Met betrekking tot de zorgen over [de minderjarige] en de noodzaak van hulpverlening (de OTS in Nederland) heeft moeder onweersproken verklaard, dat zij in België al contact heeft gehad met een jeugdzorginstelling en dat de door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling door de Belgische autoriteiten kan worden overgenomen.

Voor zover er voor [de minderjarige] bij een terugkeer naar België sprake is van een geestelijk gevaar of een ondragelijke toestand is dat naar het oordeel van de rechtbank geen gevolg van die terugkeer maar van de voortdurende strijd tussen haar ouders. [de minderjarige] is als gevolg van al hetgeen zich tussen haar ouders omtrent haar persoon heeft afgespeeld en nog steeds afspeelt getraumatiseerd geraakt en niet door een eventueel vertrek naar België. Indien en voor zover dit vertrek hierbij wel een rol speelt is ook dat het gevolg van de strijd die de ouders daarover voeren en het feit dat [de minderjarige] daarvan bewust of onbewust teveel weet heeft.

De rechtbank merkt overigens op dat uit de overgelegde stukken (waaronder de in de OTS procedure door moeder overgelegde Belgische schoolrapporten van [de minderjarige]) en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen op geen enkele wijze is gebleken dat [de minderjarige] tijdens haar verblijf in België problemen heeft gehad.

c. Artikel 13, tweede lid, van het Verdrag: verzet van het kind tegen haar terugkeer

Volgens de advocaat van vader verzet [de minderjarige] zich nadrukkelijk tegen een terugkeer naar haar moeder in België. Indien en voor zover de rechtbank van oordeel is, dat [de minderjarige] toch naar België dient terug te keren, verzoekt vader de rechtbank om [de minderjarige] te horen dan wel om een onderzoek door een deskundige te gelasten naar de gevolgen voor [de minderjarige] van een terugkeer naar België.

Moeder heeft ter terechtzitting verklaard, dat haar tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij haar nooit van enig verzet van de zijde van [de minderjarige] is gebleken. [de minderjarige] gaf aan bij moeder te willen blijven wonen, indien zij ook contact met haar vader mocht blijven houden. Voor moeder heeft dit laatste nooit ter discussie gestaan. Moeder heeft [de minderjarige] nooit van vader weggehouden. Toen [de minderjarige] bij moeder verbleef, hadden [de minderjarige] en haar vader iedere veertien dagen omgang met elkaar, waarbij rekening werd gehouden met de verschillende periodes waarin in Nederland of België de vakanties gepland waren. Wanneer vader in het kader van de omgangsregeling [de minderjarige] kwam halen, werd gezamenlijk koffie gedronken en wanneer moeder [de minderjarige] na afloop van de omgang bij vader ophaalde, gebeurde dit eveneens. Nadat moeder in juni 2007 een procedure in België was gestart om zekerheid te verkrijgen over de definitieve verblijfplaats van [de minderjarige] en een onderhoudsbijdrage van vader, heeft vader [de minderjarige] niet meer bij moeder teruggebracht. Moeder heeft [de minderjarige] inmiddels al een jaar niet meer gezien. Vader houdt alles af en verzet zich overal tegen. Moeder betreurt het dat [de minderjarige] veel van de problemen tussen de ouders meekrijgt. Moeder wil stabiliteit en rust voor [de minderjarige]. Wanneer [de minderjarige] weer bij moeder terugkeert, moet er ook omgang tussen vader en [de minderjarige] plaatsvinden. Deze omgangsregeling moet starten onder begeleiding (zie ook (tussen)vonnis van 3 april 2008 van de jeugdrechtbank) en daarna, afhankelijk van hoe het gaat, worden uitgebreid.

Volgens de vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg zijn er sinds 9 juli 2008 meerdere pogingen ondernomen om met de ouders gezamenlijk in overleg te gaan. Vader en [de minderjarige] zijn voor Bureau Jeugdzorg onbereikbaar. Er is nog geen contact geweest met [de minderjarige].

Desondanks adviseert de gezinsvoogd om niet tegemoet te komen aan het verzoek van vader om [de minderjarige] zelf te horen. [de minderjarige] is pas 8 jaar. Kinderen van die leeftijd moeten niet in de situatie gebracht worden dat ze het gevoel hebben te moeten kiezen tussen beide ouders. Ook al zeg je een kind dat het niet gaat om kiezen tussen de ouders, een kind voelt feilloos aan wat er speelt en zal zich – wat ook de uitkomst van de procedure zal zijn – hiervoor verantwoordelijk voelen. Dat moet je een kind in de leeftijd van [de minderjarige] en in deze situatie niet aandoen. Dat zij het bij vader naar haar zin heeft en daar zou willen blijven hoeft op zich niets te zeggen over haar contacten met moeder en de gevolgen van een verblijf bij moeder. Het verhaal van een kind, en [de minderjarige] zal daarop geen uitzondering zijn, wordt sterk bepaald door de situatie waarin zij zit. Voor [de minderjarige] dus het verblijf bij haar vader. Beide ouders hebben een aandeel in de problemen en hebben dus ook een verantwoordelijkheid voor de oplossing. De taak van de gezinsvoogd is erop gericht om ouders te helpen met elkaar samen te werken en om niet met elkaar te vechten.

De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming heeft ter terechtzitting verklaard dat, nu er tot op heden in het kader van de onderhavige procedure geen contact met [de minderjarige] is geweest, namens de raad een algemeen standpunt zal worden ingenomen. Ook de raad acht het niet in het belang van een kind van deze leeftijd om te worden gehoord. De verbale vermogens van een kind hoeven niet overeen te komen met de mate van rijpheid. De wereld van [de minderjarige] is momenteel haar vader.

Omdat de beleving van een kind van deze leeftijd wordt bepaald door het korte termijn geheugen zal een kind in het algemeen kiezen voor de actuele situatie. Het is volgens de raad voor een kind niet mogelijk om los van loyaliteit en afhankelijkheid een standpunt in te nemen omtrent de vraag bij welke ouder hij of zij wil verblijven. Of er een onderzoek naar de psychische gesteldheid van [de minderjarige] noodzakelijk is, is een vraag die in eerste instantie door de gezinsvoogd bekeken zou moeten worden. De raad acht een dergelijk onderzoek waarbij wordt nagegaan wat [de minderjarige] zelf wil, mede gelet op de tijdsdruk die voor de onderhavige procedure geldt, haast onmogelijk.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag onder c. kijkt de rechtbank mede naar de door [de minderjarige] aan de kinderrechter geschreven brief die zich bevindt in het dossier betreffende de ondertoezichtstelling. Deze brief is ter zitting door de voorzitter integraal voorgelezen.

De rechtbank houdt ook rekening met hetgeen hiervoor door de gezinsvoogd en de vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming is opgemerkt over de loyaliteit van kinderen.

De rechtbank merkt allereerst op dat zij de visie van deze deskundigen over het horen van zeer jonge kinderen deelt en zij zal dan ook niet overgaan tot het horen van [de minderjarige] in deze zaak. De rechtbank is van oordeel dat een kind van de leeftijd van [de minderjarige] en in deze situatie door een gesprek bij de rechtbank mogelijk in een nog groter loyaliteitsconflict kan komen en zich – geheel ten onrechte – later verantwoordelijk kan voelen voor de genomen beslissing. Dat is geenszins in het belang van de minderjarige.

Voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank daarbij op dat hetgeen de raadsman heeft gesteld over het feit dat [de minderjarige] door de kinderrechter zou zijn gehoord in het kader van de ondertoezichtstelling onjuist is. [de minderjarige] heeft een brief geschreven aan de kinderrechter, waarop er een gesprek is geweest met een van de kinderrechters in deze rechtbank. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden in het kader van de door vader verzochte ondertoezichtstelling van [de minderjarige]. Overigens is door een andere kinderrechter op dit verzoek beslist.

Met betrekking tot het gestelde verzet is de rechtbank van oordeel dat – wat er overigens zij van de vraag of [de minderjarige] een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt die rechtvaardigt dat met haar mening rekening wordt gehouden – hiervan onvoldoende sprake is.

Hetgeen in de brief van [de minderjarige] staat is daarvoor onvoldoende, zeker gezien in het licht van het feit dat [de minderjarige] – door tegenwerking van haar vader – al ruim een jaar geen fysiek contact met haar moeder heeft gehad. Bovendien heeft moeder onweersproken gesteld dat [de minderjarige] in de ( zeer beperkte ) contacten die zij per MSN hebben gehad, belangstellend heeft gevraagd of haar kamer er nog was. De bevestigende beantwoording van moeder stelde haar gerust, aldus moeder.

Voorts betrekt de rechtbank in haar overweging dat nergens is gebleken dat [de minderjarige] in de periode dat zij bij moeder in België verbleef ( ruim 10 maanden) problemen heeft gehad. In die periode had zij kennelijk een goed contact met beide ouders.

Tenslotte acht de rechtbank het van belang dat er in België thans nog een procedure aanhangig is inzake – onder meer – de hoofdverblijfplaats van en de omgangsregeling met [de minderjarige]. De jeugdrechtbank in Antwerpen heeft in haar tussenvonnis d.d. 3 april 2008 dringende voorlopige maatregelen genomen en bepaald dat de procedure wordt voortgezet.

In die procedure, waarin ook vader zijn standpunt naar voren kan brengen, zal de rechter in België bepalen wat, mede gelet op het belang van [de minderjarige], haar definitieve verblijfplaats zal worden.

Gelet op al het vorenstaande zal de rechtbank ook geen gevolg geven aan het verzoek van vader om een rapport op te laten maken door een deskundige over de gevolgen van de overgang van [de minderjarige] naar moeder.

Slotsom

Nu er sprake is van een ongeoorloofd niet doen terugkeren van [de minderjarige] en geen van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 13 van het Verdrag zich voordoet, terwijl er minder dan één jaar is verstreken tussen het niet doen terugkeren en het tijdstip van indiening van het verzoek tot teruggeleiding, zal de rechtbank de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] gelasten.

6. De beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarige:

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

naar de plaats van haar gewone verblijf in België, zijnde [woonplaats], [adres];

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, mr. E.J.M. Boogaard-Derix en mr. Y.J.C.A. Roeffen, allen kinderrechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 27 augustus 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

JvdK