Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9440

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 127
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft bij het bestreden besluit geoordeeld, dat gezien de leeftijd en de gezinssituatie van eiseres (gescheiden, kinderen de deur uit) een verhuizing van een eengezinswoning naar een gelijkvloerse seniorenwoning een verhuizing is waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn. Nu niet gebleken is van een onverwacht optredende noodzaak voor verhuizing, dient volgens verweerder de aanvraag van eiseres om een woonvoorziening als bedoel in de WMO op grond van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening te worden afgewezen.

Artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt dat de aanvraag om een woonvoorziening wordt afgewezen, indien de woonvoorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak. Volgens de toelichting zijn veel verhuizingen als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft, zoals de verhuizing van senioren naar een kleinere woning omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en de kinderen reeds zelfstandig wonen.

Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of hetgeen in het eerste deel van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening (voorzienbaarheid noodzakelijkheid voorziening) is bepaald, zich verdraagt met artikel 4, tweede lid, van de Wmo. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend nu dat artikel(onderdeel) voldoende ruimte laat voor een op het individu toegespitste toets.

Overigens heeft verweerder zich onvoldoende rekenschap gegeven van persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteiten van eiseres en is ten onrechte gesteld dat is voldaan aan de voorwaarden voor een beroep op artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening nu dat niet met statisch dan wel ander materiaal is gestaafd en de voorzienbaarheid voor eiseres niet als feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 127

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. P.A. van Enckevort

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 6 december 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 7 september 2007, waarbij verweerder het verzoek van eiseres om een woonvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft afgewezen, na wijziging van de weigeringsgrond, ongegrond verklaard.

1.2. Tegen dat besluit heeft mr. P.A. van Enckevort, advocaat te Venlo, namens eiseres beroep ingesteld.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 juli 2008, waar verschenen zijn eiseres in persoon, bijgestaan door mr. Van Enckevort en namens verweerder A. Wekx-Coenders.

2. Overwegingen

De feiten

2.1. Eiseres, geboren op [1938], heeft op 16 maart 2007 bij verweerder een woonvoorziening aangevraagd. Aan haar aanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd, dat zij moeite heeft met traplopen en met het bijhouden van het huis en de tuin sinds haar hartinfarct in februari 2005.

2.2. Verweerder, die de aanvraag van eiseres heeft aangemerkt als een verzoek om een verhuiskostenvergoeding, heeft in de persoon van J. Classens op 11 april 2007 een huisbezoek gebracht aan eiseres, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het Indicatierapport Wmo. Verweerder heeft vervolgens medisch advies ingewonnen bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Volgens het CIZ is sprake van een cardiale aandoening, maar leidt deze niet tot energetische beperkingen, zodat geen indicatie voor de gevraagde voorziening bestaat.

2.3. Bij besluit van 7 september 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

2.4. Het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder, na het houden van een hoorzitting en na wijziging van de weigeringsgrond, ongegrond verklaard. Verweerder heeft bij het bestreden besluit geoordeeld, dat gezien de leeftijd en de gezinssituatie van eiseres (gescheiden, kinderen de deur uit) een verhuizing van een eengezinswoning naar een gelijkvloerse seniorenwoning een verhuizing is waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn. Nu niet gebleken is van een onverwacht optredende noodzaak voor verhuizing, dient volgens verweerder de aanvraag van eiseres op grond van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening te worden afgewezen.

Standpunten van partijen

2.5. Eiseres voert in haar beroep tegen het bestreden besluit de volgende gronden aan.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de besluitvorming niet zorgvuldig is geweest, omdat niet is gebleken welke informatie door de cardioloog is aangeleverd en omdat is nagelaten informatie bij de huisarts op te vragen. Verder vindt eiseres het niet juist dat op basis van die ene keer dat zij tijdens het huisbezoek de trap is opgelopen, geoordeeld is dat eiseres in staat moet worden geacht om op adequate wijze meermalen per dag trap te lopen.

In de tweede plaats betwist eiseres dat sprake is van een voorzienbare situatie. De verwachting was juist dat eiseres verder zou herstellen van haar hartklachten. Er is echter sprake van een ernstig verslechterende gezondheidssituatie.

2.6. Verweerder heeft zijn standpunt gehandhaafd. Hij heeft in zijn verweerschrift toegelicht, dat met een voorzienbare verhuizing onder andere wordt gedoeld op verhuizingen die op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen, ook los van de beperkingen die men heeft.

2.7. De rechtbank dient op basis van de beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De vraag die daartoe beantwoord dient te worden, is of verweerder terecht de aanvraag van eiseres op grond van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening heeft afgewezen.

Wettelijk kader

2.8. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wmo dient ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 6º ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie het college van burgemeester en wethouders voorzieningen te treffen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, die hem in staat stellen om een huishouden te voeren en zich te verplaatsen in en om de woning.

Het tweede lid verplicht het college van burgemeester en wethouders ertoe rekening te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

2.9. Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel g, onder 6º, van de Wmo wordt onder maatschappelijke ondersteuning verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer.

2.10. Artikel 5 van de Wmo verplicht de gemeenteraad, met inachtneming van het bij of krachtens de Wmo bepaalde, bij verordening regels vast te stellen over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

2.11. Blijkens artikel 1, onder b, van de Verordening wordt onder compensatieplicht verstaan: de opdracht aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen een zodanige uitgangspositie te verschaffen dat zij in aanvaardbare mate zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie.

2.12. Artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening bepaalt dat de aanvraag om een woonvoorziening wordt afgewezen, indien de woonvoorziening wordt aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak. Volgens de toelichting zijn veel verhuizingen als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men heeft, zoals de verhuizing van senioren naar een kleinere woning omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en de kinderen reeds zelfstandig wonen.

2.13. Blijkens artikel 1, onder n, van de Verordening wordt onder algemeen gebruikelijk verstaan: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend.

Beoordeling

2.14. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of hetgeen in het eerste deel van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening (voorzienbaarheid noodzakelijkheid voorziening) is bepaald, zich verdraagt met artikel 4, tweede lid, van de Wmo. De rechtbank ziet zich gehouden die vraag eerst te beantwoorden.

2.15. Verweerder dient op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteit van de aanvrager in kaart te brengen en mee te wegen. Teneinde verbindend te zijn, dient artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening derhalve voldoende ruimte te laten voor een op het individu toegespitste toets. De vraag of dat het geval is, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Dat oordeel grondt de rechtbank niet alleen op de tekst van de bepaling, maar ook op de toelichting van verweerders gemachtigde ter zitting, inhoudende dat geen gebruik wordt gemaakt van ‘harde’ criteria, maar dat de combinatie van de leeftijd, gezinssituatie en woonomgeving bekeken dient te worden. Beoordeling van een dergelijk samenstel van factoren zonder naar de individuele kenmerken te kijken, laat zich niet goed voorstellen. De door verweerder in artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening gebezigde criteria zijn alleen bruikbaar na invulling daarvan met de individuele kenmerken. Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening zich daarom met artikel 4, tweede lid, van de Wmo.

De rechtbank merkt naar aanleiding van het betoog van de gemachtigde van eiseres ter zitting nog op dat, gezien de toelichting op artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening, de toets of sprake is van een voorziening waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn, neerkomt op beantwoording van de vraag of gezien de leeftijd, gezinssituatie en woonomgeving sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing en niet -zoals eiseres voor ogen lijkt te staan- op beantwoording van de vraag of gezien de medische toestand van een persoon in dat geval een verhuizing voorzienbaar was. De medische toestand van een persoon is enkel relevant voor het tweede deel van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening (onverwacht optredende noodzaak).

2.16. De volgende vraag die beantwoord dient te worden, is of verweerder zich in dit geval voldoende (gemotiveerd) rekenschap heeft gegeven van de persoonskenmerken, behoeften en financiële capaciteiten van eiseres. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Hoewel verweerder heeft gekeken naar de leeftijd van eiseres (thans 69 jaar) en de gezinssamenstelling (alleenwonend), is niet gebleken dat verweerder de woonomgeving van eiseres voldoende in kaart heeft gebracht en meegewogen, alsook haar financiële capaciteiten. Over de woonomgeving heeft verweerders gemachtigde ter zitting weliswaar verklaard dat eiseres niet dicht bij voorzieningen woont, maar ter zake de woonomgeving acht de rechtbank ook van belang de soort woning waarin eiseres woont. Naar het oordeel van de rechtbank zijn naast en in samenhang met de leeftijd aspecten zoals de soort woning, de aanwezigheid van voorzieningen in de directe omgeving, alsook het bestaan van een sociaal netwerk van wezenlijke invloed op de vraag of het gaat om een verhuizing die te voorzien is, te verwachten valt. In dat verband kan de rechtbank zich voorstellen dat onder omstandigheden van een oudere persoon die in een grote, bewerkelijke en/of afgelegen woning woont eerder te verwachten valt dat deze zal verhuizen naar een minder grote of minder bewerkelijke woning dan een oudere persoon die in een doorsnee rijtjeshuis woont. Ook over de financiële capaciteiten, die verweerder op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo dient mee te wegen, is in het bestreden besluit niets terug te vinden. In zoverre dient het beroep van eiseres gegrond te worden verklaard.

2.17. Het beroep dient ook anderszins gegrond te worden verklaard. Naar het oordeel

van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in dit geval voldaan is aan de voorwaarden voor een beroep op artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening. Verweerders veronderstelling dat in dit geval sprake is van een verhuizing waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn, wordt door hem niet met statistisch dan wel ander materiaal gestaafd en kan naar het oordeel van de rechtbank, gezien de leeftijd van eiseres (thans 69 jaar) en de soort woning waarin zij woont (doorsnee rijtjes(hoek)woning), niet als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van een verhuizing waarvan te voorzien was dat deze noodzakelijk zou zijn. Verweerder had de aanvraag daarom niet mogen afwijzen op grond van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening.

2.18. Ter zitting is nog aan de orde geweest of sprake is van een onverwacht optredende noodzaak voor een voorziening, het tweede deel van artikel 20, aanhef en onder d, van de Verordening. Deze vraag behoeft, gezien de gegrondverklaring van het beroep, in wezen geen bespreking meer. Desalniettemin merkt de rechtbank hier nog over op, dat haar niet is gebleken van enige onverwacht optredende noodzaak. Het hartinfarct van eiseres is inmiddels meer dan twee jaar geleden en ter zitting heeft eiseres meermalen aangegeven dat de reden van haar aanvraag is gelegen in de omstandigheden dat zij moeite heeft gekregen met traplopen en dat het hele huis haar te veel geworden is. Dergelijke omstandigheden kunnen niet gekwalificeerd worden als een onverwacht optredende noodzaak.

2.19. Het door eiseres aangevoerde ter zake van de zorgvuldigheid van de besluitvorming wordt verworpen, omdat deze gronden feitelijk niet zien op het bestreden besluit, maar op het primaire besluit, dat op een andere weigeringsgrond was gebaseerd. Dat laatste besluit ligt niet ter beoordeling voor.

2.20. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd en aan verweerder zal worden opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

2.21. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht, nu zij zich heeft doen bijstaan door een beroepsmatig optredende gemachtigde. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

2.22. Het verzoek van eiseres om vergoeding van de proceskosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar, wijst de rechtbank af. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, van de Awb dient een dergelijk verzoek gedaan te worden voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Eiseres heeft haar verzoek voor het eerst in beroep gedaan, zodat niet voldaan is aan de voor toekenning vereiste voorwaarde als neergelegd in artikel 7:15, derde lid, van de Awb.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt voorts dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze betaalde griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Utteren-Hoving als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 22 augustus 2008

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.