Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9434

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
01-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1440, 07 / 1432, 08 / 492, 08 / 131
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BH3232
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers waren gerechtigd bezwaar te maken tegen het uitblijven van een beslissing op hun verzoeken. Dat de gemachtigde van eisers in plaats van een bezwaarschrift in te dienen bij verweerder tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de verzoeken van eisers op grond van de Wob, ook eenvoudigweg een telefoontje had kunnen plegen naar de behandelend ambtenaar van de Wob-procedure, doet hier in dit geval niet aan af. Ook al was de gemachtigde van eisers op de hoogte van het feit dat er een speciale contactpersoon was aangewezen voor de Wob-procedure, afspraken omtrent het eerst benaderen van deze persoon alvorens een bezwaarprocedure te starten zijn nooit vastgelegd in een algemene gedragsregel. Er kan derhalve niet worden vastgesteld of het algemeen bekend was dat het benaderen van deze contactpersoon ook zou volstaan. Bovendien is noch in de Awb noch in enige andere wet een algemene rechtsplicht opgenomen om het bestuursorgaan telefonisch te benaderen alvorens tot indienen van een bezwaarschrift over te gaan. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het in deze gevallen niet onredelijk was om bezwaarschriften in te dienen tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op de Wob-verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1440 + 07 / 1432 + 08 / 492 + 08 / 131

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

I. [eiser I] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts

en

II. [eiser II] te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts

en

III. [eiser III] te [woonplaats], eiser

gemachtigde mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts

en

IV. [eiser IV] te [woonplaats], eiser

gemachtigde mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts

tegen

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens deze, de (plaatsvervangende) Korpschef van het Korps Landelijke Politiediensten, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluiten van 11 september 2007 heeft verweerder de bezwaren van eiser I en II tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), niet-ontvankelijk verklaard en is geweigerd de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden.

1.1.1. Bij besluit van 19 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser III tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek om toekenning van proceskostenvergoeding afgewezen.

1.2. Tegen deze besluiten heeft mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts namens eisers I, II, en III bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2.1 Bij schrijven van 16 januari 2008 heeft mr.drs C.M.J.E.P. Meerts namens eiser IV beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 6 juli 2007.

1.3. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in afschrift aan [de gemachtigde van] de gemachtigde van eisers gezonden.

1.4. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 juli 2008, waar eisers en hun gemachtigde niet zijn verschenen, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr.drs. J.C.M. Robbers en mr. A.IJ. Ruiter.

2. Overwegingen

07 / 1440 en 07 / 1432

2.1. Bij schrijven van 25 april 2007 heeft de gemachtigde van eisers I en II onder verwijzing naar de Wob verzocht om toezending van een aantal bescheiden met betrekking tot zogenaamde Mulderfeiten.

2.1.1. Op 10 mei 2007 heeft verweerder aan de gemachtigde van eisers I en II laten weten dat het vanwege de omvang van de verzoeken niet mogelijk is gebleken om binnen een termijn van twee weken na de ontvangst van de brief op de verzoeken te kunnen reageren.

2.1.2. Op 21 juni 2007 heeft de gemachtigde van eisers I en II bezwaren gemaakt tegen het uitblijven van de beslissingen op zijn verzoeken van 25 april 2007, waarbij wordt verzocht aan eisers I en II een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.1.3. In reactie op de ingediende bezwaarschriften, heeft verweerder bij brieven van 30 juli 2007 gesteld dat reeds bij brieven van 29 mei 2007 op de verzoeken van eisers I en II is gereageerd en de gevraagde documenten zijn verstrekt. Aan eisers I en II is verzocht om aan te geven wat hun belang (nog) is bij de ingediende bezwaren, nu de gevraagde documenten reeds zijn toegezonden.

2.1.4. Bij schrijven van 14 augustus 2007 deelt de gemachtigde van eisers I en II mee dat de brieven van 29 mei 2007 en de bijgevoegde stukken niet door hem (of door eisers) zijn ontvangen en verzoekt hij verweerder de stukken nogmaals te verzenden. Indien de stukken wel op 29 mei 2007 zouden zijn verstuurd, dan zou dit nog te laat zijn geweest. Voor een motivering van het verzoek om proceskostenvergoeding verwijst de gemachtigde naar het forfaitaire bedrag conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

08 / 492

2.2. Bij fax van 24 december 2007 heeft de gemachtigde van eiser III onder verwijzing naar de Wob verzocht om toezending van een aantal bescheiden met betrekking tot een zogenaamd Mulderfeit. Nadat verweerder kenbaar had gemaakt dat verzoeken per fax ingediend, niet in behandeling worden genomen, heeft de gemachtigde van eiser III op 7 januari 2008 het verzoek van 24 december 2007 alsnog per post ingediend.

2.2.1. Op 22 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser III bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van de beslissing op zijn verzoek van 24 december 2007, waarbij wordt verzocht aan eiser III een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

08 / 131

2.3. Bij schrijven van 20 juni 2007 heeft de gemachtigde van eiser IV onder verwijzing naar de Wob verzocht om toezending van een aantal bescheiden met betrekking tot een zogenaamd Mulderfeit.

2.3.1. Op 6 juli 2007 heeft de gemachtigde van eiser IV bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van de beslissing op zijn verzoek van 20 juni 2007, waarbij wordt verzocht aan eiser IV een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.3.2. Op het verzoek van eiser IV van 20 juni 2007 is op 13 juli 2007 beslist, waarbij de gevraagde bescheiden, met uitzondering van het gevraagde mini-pv /aankondiging van de beschikking, aan (de gemachtigde) van eiser IV zijn verstuurd.

2.3.3. Bij schrijven van 16 juli 2007 brengt de gemachtigde van eiser IV het bezwaarschrift bij verweerder in herinnering en voegt daar tevens een bezwaargrond aan toe, gericht tegen de weigering het mini-pv te verstrekken.

2.3.4. Op 16 januari 2008 heeft verweerder alsnog het gevraagde mini-pv aan (de gemachtigde van) eiser IV verzonden.

De thans bestreden besluiten

2.4. Bij de thans bestreden besluiten van 11 september 2007 heeft verweerder de bezwaren van eisers I en II tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de verzoeken van 25 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eisers I en II geen belang meer hebben nu de gevraagde documenten reeds zijn toegestuurd. Verweerder is van mening dat nu de bezwaren niet-ontvankelijk zijn, hij niet meer toekomt aan een beoordeling van de verzoeken om proceskostenvergoeding.

2.4.1. Bij het thans bestreden besluit van 19 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser III tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek van 24 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser III geen belang meer heeft nu de gevraagde documenten op 26 februari 2008 reeds zijn toegestuurd. Het verzoek tot toekenning van de proceskosten wordt afgewezen, omdat het niet om daadwerkelijk gemaakte proceskosten gaat.

2.5. Tegen deze besluiten van 11 september 2007 en 19 maart 2008 heeft de gemachtigde namens eisers I, II en III beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep richt zich enkel tegen de conclusie van verweerder dat de niet-ontvankelijkheid leidt tot het niet toekomen aan een beoordeling van de verzoeken om vergoeding van de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand ter zake de bezwaren, dan wel dat geen proceskosten zijn gemaakt. Tevens wordt verzocht aan eisers I, II en III een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten behoeve van de beroepsprocedure.

2.5.1. Bij schrijven van 16 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser IV beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 6 juli 2007. Aan de rechtbank wordt verzocht om het bezwaar gegrond te verklaren en verweerder te veroordelen in de proceskosten gemaakt ten behoeve van het bezwaar. Tevens wordt verzocht aan eiser IV een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten behoeve van de beroepsprocedure.

2.5.2. Op 31 januari 2008 heeft verweerder alsnog een beslissing op het bezwaar van eiser IV, waarbij eiser IV niet-ontvankelijk is verklaard en waarbij het verzoek tot toekenning van proceskosten niet wordt toegewezen.

Het rechterlijk oordeel

2.6. Allereerst overweegt de rechtbank met betrekking tot verweerders standpunt dat de door eisers aan Meerts verstrekte machtiging niet ook uitstrekt over de thans voorliggende geschillen, dat naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat deze machtiging niet zou voldoen.

2.7. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of de bestreden besluiten in strijd zijn met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.8. Ten aanzien van het beroep van eiser IV tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 6 juli 2007, overweegt de rechtbank dat dit beroep zich mede richt tegen het besluit van 31 januari 2008, voorzover daarbij is geweigerd proceskosten te vergoeden.

2.8.1 Het beroep van eiser IV voorzover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, wegens het ontbreken van het belang bij een beoordeling daarvan. Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar verwijst de rechtbank naar de hierna volgende overwegingen.

2.9. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wob, beslist het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie, doch uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste twee weken verdagen. Van de verdaging wordt voor afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

2.9.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de in artikel 6, eerste lid, van de Wob bedoelde termijn heeft beslist op de verzoeken van eisers I, II, III en IV om informatie.

2.[9].1.1. Immers, de verzoeken van eisers I en II van 25 april 2007 zijn op 26 april 2007 door verweerder ontvangen. Verweerder was derhalve gehouden om uiterlijk 11 mei 2007 te reageren, dan wel de termijn te verlengen. Bij brieven van 10 mei 2007 heeft verweerder de beslissingen verdaagd, waardoor hij uiterlijk 25 mei 2007 diende te beslissen op de verzoeken, hetgeen niet het geval is geweest. Verweerder heeft gesteld dat de door eisers I en II gevraagde documenten op 29 mei 2007 aan hen (dan wel de gemachtigde) zijn verstuurd, terwijl de bezwaarschriften dateren van 21 juni 2007. Bij de stukken in het dossier bevinden zich de documenten en de begeleidende brieven. Deze brieven zijn echter ongedateerd en niet blijkt dat deze brieven (aangetekend) zijn verzonden. Nu niet blijkt dat de brieven met de bijgevoegde documenten daadwerkelijk op 29 mei 2007 zijn verzonden, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eisers de gevraagde stukken op 21 juni 2007 nog niet hadden ontvangen, zodat zij een reden hadden om er van uit te gaan dat de beslissingen op hun verzoeken nog was uitgebleven.

2.[9].1.2. Op het verzoek van eiser III van 24 december 2007 is op 26 februari 2008 beslist, waarbij de gevraagde bescheiden aan (de gemachtigde) van eiser III zijn verstuurd. Het bezwaarschrift dateert van 22 januari 2008, (één dag) na afloop van de wettelijke termijn voor de beslissing op het verzoek.

2.[9].1.3. Zoals reeds onder overweging 2.3.2 is aangegeven is op het verzoek van eiser IV van 20 juni 2007 op 13 juli 2007 beslist. Het bezwaarschrift dateert van 6 juli 2007, de dag van afloop van de wettelijke termijn voor de beslissing op het verzoek.

2.9.2. Eisers waren derhalve gerechtigd bezwaar te maken tegen het uitblijven van een beslissing op hun verzoeken. Dat de gemachtigde van eisers in plaats van een bezwaarschrift in te dienen bij verweerder tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de verzoeken van eisers op grond van de Wob, ook eenvoudigweg een telefoontje had kunnen plegen naar de behandelend ambtenaar van de Wob-procedure, doet hier in dit geval niet aan af. Ook al was de gemachtigde van eisers op de hoogte van het feit dat er een speciale contactpersoon was aangewezen voor de Wob-procedure, afspraken omtrent het eerst benaderen van deze persoon alvorens een bezwaarprocedure te starten zijn nooit vastgelegd in een algemene gedragsregel. Er kan derhalve niet worden vastgesteld of het algemeen bekend was dat het benaderen van deze contactpersoon ook zou volstaan. Bovendien is noch in de Awb noch in enige andere wet een algemene rechtsplicht opgenomen om het bestuursorgaan telefonisch te benaderen alvorens tot indienen van een bezwaarschrift over te gaan. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het in deze gevallen niet onredelijk was om bezwaarschriften in te dienen tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op de Wob-verzoeken.

2.10. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 april 2006 (200601504/1) en van 1 november 2007 (LJN: AZ1264) overweegt de rechtbank voorts als volgt.

2.10.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.10.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (TK, 1999-2000, 27 024, nr. 3, blz. 6, TK, 1999-2000, 27 024, nr. 5, blz. 7 en TK, 2000-2001, 27 024, nr. 14, blz. 1-2) is niet af te leiden dat daarmee is beoogd uit te sluiten dat kosten in verband met het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag voor vergoeding in aanmerking komen. Uit die geschiedenis kan worden afgeleid dat het gebruik van de term 'herroepen' niet in de weg staat aan de mogelijkheid van veroordeling tot vergoeding van de kosten opgekomen bij het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag.

2.10.3. De kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag redelijkerwijs heeft moeten maken, moeten door het betrokken bestuursorgaan worden vergoed, tenzij het uitblijven van dat besluit het bestuursorgaan niet kan worden verweten.

2.10.4. Nu eisers I, II, III en IV in hun bezwaarschriften hebben verzocht om vergoeding van de bij hen in verband met het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag opgekomen kosten, deze kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig daarbij verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en gesteld noch gebleken is dat de termijnoverschrijding verweerder niet kan worden verweten, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Verweerders standpunt dat bij een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar deze kosten niet kunnen worden vergoed, vindt geen grondslag in wet- of regelgeving, strookt niet met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie en moet daarom worden verworpen.

2.10.5. Anders dan verweerder heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat eisers genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt dat zij kosten verschuldigd zijn voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat sprake is van een ‘no cure no pay overeenkomst’, doet daaraan niet af. (CRvB 10 mei 2000, LJN: AA7419, CRvB 25 april 2000, LJN: ZB8757 en CRvB 21 januari 1998, LJN: AL0843, rechtbank Groningen 4 juni 2008, AWB 07/1171)

2.10.6. De rechtbank overweegt voorts dat toekenning van een kostenvergoeding voor professionele rechtsbijstand afhankelijk is van de daadwerkelijk verrichte proceshandelingen en niet van de daadwerkelijke kosten. Het indienen van een bezwaarschrift is een proceshandeling waarvoor op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht een forfaitair bedrag is toegekend. (rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 10 januari 2008, ABW 06/4948 en 4 maart 2008, AWB 07/3266 en rechtbank Maastricht

8 februari 2008, ABW 07/1643 en 21 november 2007, AWB 07/1295)

2.10.7. In een zeer recente uitspraak (23 juli 2008, 200708379/1) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State voorgaande overwegingen bevestigd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de Afdeling voorbij is gegaan aan de inhoud van de Memorie van Toelichting bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en daarmee voorbij is gegaan aan de strekking van het Besluit. Verweerder is -kort gezegd- van mening dat het niet de bedoeling kan zijn dat iemand zijn brood verdient met procederen.

De rechtbank ziet hierin -mede gelet op voorgaande overwegingen van de rechtbank- echter geen aanleiding om af te wijken van de uitspraak van de Afdeling.

2.11. Gelet op voorgaande overwegingen, zal de rechtbank de bestreden besluiten van 11 september 2007, 19 maart 2008 en 31 januari 2008 vernietigen, voor zover daarbij is geweigerd de door eisers redelijkerwijs gemaakte kosten van het bezwaar te vergoeden. De rechtbank zal met gebruikmaking van haar bevoegdheid ex artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van die besluiten.

2.11.1. De rechtbank zal bepalen dat verweerder een bedrag van 80,50 EUR aan eisers I, II, III en IV dient te vergoeden, zijnde de door eisers redelijkerwijs gemaakte kosten van het bezwaar. De rechtbank is daarbij uitgegaan van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift een en ander overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank is er daarbij van uitgegaan dat het gewicht van de zaak op zeer licht (wegingsfactor 0,25) dient te worden vastgesteld, nu een materiële beoordeling van het geschil niet hoefde plaats te vinden.

2.12. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers I, II, III en IV redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen wordt 1 punt toegekend per eiser voor het indienen van het beroepschrift. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op [licht/gemiddeld/zwaar] gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep van eiser IV voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk en voor het overige gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 31 januari 2008, voor zover daarbij is geweigerd de door eiser IV redelijkerwijs gemaakte kosten van het bezwaar te vergoeden;

verklaart de beroepen van eisers I, II en III gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 11 september 2007 en 19 maart 2008, voor zover daarbij is geweigerd de door eisers redelijkerwijs gemaakte kosten van het bezwaar te vergoeden;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten van 31 januari 2008, 11 september 2007 en 19 maart 2008;

Proceskosten in bezwaar

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure aan de zijde van eiser I begroot op 80,50 EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure aan de zijde van eiser II begroot op 80,50 EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure aan de zijde van eiser III begroot op 80,50 EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure aan de zijde van eiser IV begroot op 80,50 EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

Proceskosten in beroep

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser I begroot op 322,- EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) [Andere kosten?]te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser II begroot op 322,- EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) [Andere kosten?]te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser III begroot op 322,- EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) [Andere kosten?]te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser IV begroot op 322,- EUR (zijnde de kosten van rechtsbijstand) [Andere kosten?]te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

Griffierecht

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser I het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van 143,- EUR volledig vergoedt.

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser II het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van 143,- EUR volledig vergoedt.

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser III het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van 143,- EUR volledig vergoedt.

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser IV het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van 143,- EUR volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A.W.P. Letschert in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 1 augustus 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.