Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9390

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
18-08-2008
Datum publicatie
11-09-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 30, 08 / 55, 08 / 56, 08 / 79, 08 / 138
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2009:BI8462
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het betreft een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van de vestiging van twee horeca-gelegenheden aan de ...weg ... te Venlo. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, nu de beoogde verkoop van softdrugs niet valt te reguleren in planologisch opzicht, omdat deze activiteit ingevolge de Opiumwet is verboden, daarmee bij de overwegingen omtrent het al dan niet verlenen van de litigieuze vrijstelling geen rekening kan worden gehouden. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2004, LJN: AO7946, BR 2004, 754.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08 / 30, 08 / 55, 08 / 56, 08 / 79, 08 / 138

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser 1] en [eiser 2] te Venlo, eisers,

gemachtigde mr. J.F.C.M. Mulders;

[eiser 3] en anderen te Venlo, eisers;

[eiser 4] en [eiser 5] te Venlo, eisers,

gemachtigde mr. G.L.M. Teeuwen;

[eiser 6] en [eiser 7] te Venlo, eisers,

Gemachtigde mr. J.F.C.M. Mulders;

[eiser 8] en [eiser 9] te Venlo, eisers,

gemachtigde mr. M. Peters.

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Venlo, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Op 31 augustus 2007 heeft [betrokkene] te Venlo zich tot verweerder gewend met het verzoek tot het verlenen van een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van de vestiging van twee horeca-gelegenheden aan de [adres] te Venlo. Bij besluit van 20 november 2007 (verzonden 12 december 2007) heeft verweerder deze vrijstelling verleend. Tegen dat laatste besluit zijn door bovengenoemde partijen bij deze rechtbank beroepen ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gezonden.

1.3. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 juli 2008, waar eiser [eiser 3] in persoon is verschenen en waarbij de overige aanwezige eisers zijn bijgestaan door respectievelijk mr. J.F.C.M. Mulders, mede als waarnemer van mr. Peters, alsmede mr. Teeuwen. Tevens heeft namens [eiser 8 en eiser 9] [...] het woord gevoerd, alsmede [...] namens [eiser 1]. Verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door de heren J.M.G. Vincken en mr. P.M.A. Jacobs.

2. Overwegingen

2.1. Bij aanvraag van 31 augustus 2007 heeft [betrokkene] aan verweerder verzocht om vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen van het geldende bestemmingsplan voor de vestiging van twee horecagelegenheden aan de [adres] te Venlo.

2.2. In verband met het voornemen om medewerking aan dit project te verlenen, heeft verweerder het ontwerp vrijstellingsbesluit met de daarop betrekking hebbende stukken vanaf 13 september 2007 gedurende 6 weken voor een ieder ter inzage gelegd. Eisers hebben gedurende deze termijn gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zienswijzen over het ontwerp naar voren te brengen.

2.3. Bij besluit van 20 november 2007 (verzonden 11 december 2007) heeft verweerder aan [betrokkene] voornoemde vrijstelling verleend voor de exploitatie van twee horecagelegenheden onder het stellen van een aantal voorschriften, onder andere betrekking hebbend op de verstrekking van (alcoholvrije) dranken en eetwaren en de (grootte van de) lokaliteiten waarin dit mag geschieden.

2.4. Vervolgens zijn beroepen ingesteld door de partijen voornoemd.

2.5. In beroep voeren eisers (samengevat) het volgende aan:

- Verweerder heeft alleen de realisatie van het coffeeshopbeleid/bestuursopdracht Hektor voor ogen gehad en drukt de vestiging van de coffeeshops (er) gewoon door, alle eerdere (rechterlijke procedures) ten spijt. Daarbij wordt echter (tevens) miskend dat de vrijstelling een planologische afweging vereist, waarbij voorts aangegeven wordt dat de overlast thans nog veel groter is dan ten tijde van het chauffeurscafé met een grote(re) negatieve uitstraling naar de directe woonomgeving. Er is sprake van diverse vormen van overlast (hinder, stank, geluid, verkeer(saantrekkende werking), onveiligheid). Van een evenwichtige belangenafweging is geen sprake;

- De drugsproblemen van de binnenstad van Venlo worden nu verplaatst naar de rand van de stad waar bovendien veel (meer) drugstoerisme vanuit Duitsland is te verwachten. Het beleid van verweerder riekt naar willekeur;

- Van de indertijd met de exploitanten gemaakte afspraak dat omwonenden te allen tijde een beroep op hun konden doen bij overlast komt erg weinig terecht. Ook hebben ze het gevoel bij de burgemeester “tegen een muur aan te lopen”, hoewel het een aangelegenheid betreft die de openbare orde aangaat;

- De omgeving verloedert en hun woningen zijn totaal onverkoopbaar geworden, waardoor zij genoodzaakt zijn tot het indienen van forse planschadevergoedingen zodra dit procedureel mogelijk is;

- De luchtkwaliteit verslechtert, omdat sprake is van een zogenaamde “drive through” coffeeshop waarbij auto’s met draaiende motor wachten op het verkrijgen van drugs via een loket.

2.6. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.7. Allereerst zij in navolging van vaste jurisprudentie benadrukt dat, voor zover eisers van mening zijn dat voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO geen plaats is nu de bestemmingsplanprocedure reeds in gang is gezet, dit betoog dient te falen. Voornoemd artikel voorziet namelijk in een zelfstandige procedure waaraan ook ingeval de herziening van het geldende bestemmingsplan reeds in procedure is, toepassing kan worden gegeven.

2.8. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan, indien dit project past in de door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.9. Niet wordt betwist, en ook voor de rechtbank staat vast, dat vrijstelling is verleend voor een geval behorende tot de door het college van gedeputeerde staten aangewezen categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Voorts staat vast dat het project is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing, welke als zodanig zijn weerslag heeft gevonden in het besluit van 20 november 2007.

2.10. De rechtbank ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of deze ruimtelijke onderbouwing als een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangemerkt als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Deze vraag raakt de bevoegdheid van het college, in die zin dat ingeval moet worden vastgesteld dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, het college niet bevoegd is tot het verlenen van de vrijstelling. In dit verband overweegt het rechtbank het navolgende.

2.11. Vooropgesteld moet worden dat een ontwerp-bestemmingsplan (in casu “[ontwerp-bestemmingsplan]”) kan dienen als goede ruimtelijke onderbouwing voor een project (verwezen zij naar ABRS 29 oktober 2003, LJN: AN7247, i.h.b. r.o. 2.3.1. en ABRS 5 maart 2008, LJN: BC5794, i.h.b. r.o. 2.5.).

2.12. De vraag is vervolgens of de gegeven ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de eisen die daaraan in dit geval moeten worden gesteld.

2.13. In dit kader acht de rechtbank het vooreerst nog van belang op te merken dat zowel in de stukken als tijdens de zitting door de eisende partijen is benadrukt dat de onderhavige horeca-inrichting een coffeeshop betreft, waarbij is gesteld dat met name specifiek daaraan gerelateerde overlast wordt ondervonden, hetgeen door verweerder onvoldoende zou zijn meegewogen in de besluitvorming.

2.14. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, nu de beoogde verkoop van softdrugs niet valt te reguleren in planologisch opzicht, omdat deze activiteit ingevolge de Opiumwet is verboden, daarmee bij de overwegingen omtrent het al dan niet verlenen van de litigieuze vrijstelling geen rekening kan worden gehouden. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 april 2004, LJN: AO7946, BR 2004, 754.

2.15. Daarnaast hecht de rechtbank er aan te benadrukken dat voor zover de gronden van beroep van eisers betrekking hebben op kwesties van handhaving van regelgeving voor de openbare orde, inclusief (niet-appellabele) beleidsregels op dat gebied, dan wel eerder verleende exploitatievergunningen ingevolge de Algemene plaatselijke verordening, deze in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen (zie ABRS 18 december 2002, LJN: AF2078, i.h.b. r.o. 2.7.5.).

2.16. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de rechtbank derhalve bij de toetsing van het bestreden besluit in zijn algemeenheid en de daarvan deel uitmakende belangenafweging in het bijzonder, uitsluitend acht zal slaan op de in planologisch opzicht relevante belangen.

2.17. Gegeven voormeld toetsingskader, merkt de rechtbank op dat in de ruimtelijke onderbouwing, waarvan eerder is overwogen dat een ontwerp-bestemmingsplan hiertoe kan dienen nu, gelet op het bepaalde in artikel 19, eerste en tweede lid van de WRO, in elk geval zal moeten worden ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan dan wel moeten worden gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.18. De ruimtelijke onderbouwing nader beschouwend, constateert de rechtbank dat in het eerste hoofdstuk de relatie wordt gelegd met het geldende bestemmingsplan, waarbij voorts aan de hand van een aantal relevante, chronologisch opgesomde momenten wordt ingegaan op de regeling van de horecabestemming in het voorliggend, toekomstig

(ontwerp-)bestemmingsplan. Voorts wordt ingegaan op het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid en vindt een beschrijving plaats van het project en het gebied waarbinnen dit is gelegen, waarbij wordt geconcludeerd dat het gebruik van de bestaande bebouwing als twee horecagelegenheden geen negatieve ruimtelijke of stedenbouwkundige effecten heeft op de omgeving. Tevens wordt uitdrukkelijk ingegaan op de afweging van belangen, waarbij mede een vergelijking plaatsvindt tussen het voormalige chauffeurscafé en de nieuwe horecafunctie. Voorts is een vergelijking gemaakt tussen de akoestische situatie in 2002 en 2007 en heeft een luchtkwaliteitsonderzoek plaatsgevonden, waarvan de resultaten overigens niet met een deskundig tegenadvies zijn bestreden. Uit dit onderzoek, waarin tevens verkeersgegevens zijn betrokken en een vergelijking is gemaakt tussen de (oude) situatie ten tijde van het truckerscafé en de (nieuwe) situatie, is naar voren gekomen dat voor geen van de in het Besluit luchtkwaliteit 2005 genoemde stoffen in geen van de beschouwde jaren sprake is van overschrijding van de grenswaarden uit het genoemde besluit.

2.19. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.20. Voorts is de rechtbank van oordeel dat door verweerder in het bestreden besluit uitgebreid en gemotiveerd wordt ingegaan op de door eisers ingediende zienswijzen.

2.21. Memorerend aan hetgeen eerder is overwogen omtrent het gegeven dat de verkoop van softdrugs niet valt te reguleren in planologisch opzicht omdat deze activiteit ingevolge de Opiumwet is verboden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het maken van de belangenafweging diende te abstraheren van het oogmerk om ter plaatse softdrugs te verhandelen en derhalve de effecten daarvan op het leefklimaat in de omgeving buiten beschouwing mocht laten en zodoende een zuivere afweging heeft gemaakt tussen de horecafunctie, zoals die in het verleden gold ten tijde van het chauffeurscafé en de twee horecagelegenheden, waarvoor thans vrijstelling is verleend. In het licht hiervan heeft verweerder aan het belang van de aanvrager om deze ter plaatse te exploiteren doorslaggevende betekenis mogen toekennen en kan de belangenafweging derhalve de rechterlijke toets doorstaan. De rechtbank merkt hierbij op dat de effecten van de verkoop van softdrugs dienden te worden beoordeeld in het kader van de aanvragen om exploitatievergunning waarin -zoals de rechtbank in haar uitspraak van heden in de zaak 08/413 heeft overwogen- tevens een gedoogbeschikking ten aanzien van de verkoop is begrepen.

2.22. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid de gevraagde vrijstelling heeft kunnen verlenen. Daaraan voegt de rechtbank toe dat, voor zover partijen van mening zijn dat sprake is van waardevermindering van hun woningen, de Wro voorziet in een afzonderlijke procedure voor de vaststelling van eventuele planschade.

2.23. Nu de beroepsgronden falen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

2.24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. Th.M. Schelfhout, B.W.P.M. Corbey Smits en E.J. Govaers (voorzitter) in tegenwoordigheid van mr. I. Boekhorst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2008

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 26 augustus 2008

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.