Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE9351

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-09-2008
Datum publicatie
03-09-2008
Zaaknummer
81149 / HA ZA 07 - 606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaringsperikelen: de korte en de lange verjaringstermijn van artikel 3:310 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 453
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 81149 / HA ZA 07-606

Vonnis van 3 september 2008

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GOEDHART COOLING EQUIPMENT B.V.,

gevestigd te Sint Maartensdijk,

eiseres,

advocaat mr. O.J.H.M. van Eijndhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDCOAT MOOK B.V. H.O.D.N. MOOK COATINGS,

gevestigd te Mook,

gedaagde,

advocaat mr. H.J.J.M. van der Bruggen.

Partijen zullen hierna Goedhart en Nedcoat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek, tevens akte vermeerdering van eis

- de antwoordakte inzake vermeerdering van eis

- de rolbeslissing van 21 mei 2008 waarbij de eiswijziging is toegelaten

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Goedhart produceert warmtewisselaars, zoals luchtkoelers en luchtgekoelde condensors. Deze luchtkoelers bestaan uit aan elkaar verbonden buizen waardoor een koelvloeistof (in het onderhavige geval: op ammoniakbasis) stroomt. De stalen buizen bevinden zich in een geheel van stalen lamellen waardoor het warmtewisselend oppervlakte wordt vergroot en de koeling wordt geoptimaliseerd. Na productie worden de stalen koelers in verband met de roestbestendigheid verzinkt (gegalvaniseerd).

2.2. Nedcoat is een totaalaanbieder in oppervlaktebehandeling van metaal, waaronder het thermisch verzinken van staal.

2.3. In 1986 heeft Goedhart opdracht gekregen van York France (York), een installatiebedrijf gespecialiseerd in koeltechniek, voor de levering van luchtkoelers c.q. verdampers. York heeft deze verdampers doorgeleverd en geplaatst in het abattoir van Sabama te Le Mans, Frankrijk. De exploitatie van het abattoir werd vervolgens overgedragen aan de Communauté Urbaine du Mans (C.U.M.).

2.4. Enkele jaren later begonnen de verdampers in een tweetal koelruimten storingen te vertonen met als gevolg daarvan ammoniakdampen door het lekken van ammoniak. In verband daarmee is uiteindelijk in Le Mans, Frankrijk, een procedure geëntameerd door C.U.M. en Sabama jegens (onder meer) York. In het kader van die procedure is door de rechtbank te Le Mans bij beschikking van 29 november 1995 een gerechtelijk expert, de heer C. Delsol, benoemd die onderzoek diende te verrichten met betrekking tot de schade aan de betreffende koelsystemen. Bij deurwaardersexploot van 26 december 1995 werd Goedhart door York gedagvaard teneinde ook Goedhart te betrekken in het expertiseonderzoek van Delsol, welke vordering bij beschikking van 6 maart 1996 werd toegewezen.

2.5. Goedhart is vervolgens bij deurwaardersexploot van 7 januari 1999 door York in de bodemprocedure betrokken. Daarop heeft Goedhart Nedcoat in vrijwaring opgeroepen. Delsol heeft zijn rapport, gedateerd 14 mei 1999, in juni 1999 ingediend. Bij vonnis van 19 december 2000 heeft de rechtbank te Le Mans (onder meer) York veroordeeld tot betaling van de vordering van Sabama, York haar vordering jegens Goedhart ontzegd en Goedhart in haar oproeping in vrijwaring van Nedcoat niet ontvankelijk verklaard. Tegen dat vonnis is door York hoger beroep aangetekend. Verder is York in een procedure, aanhangig gemaakt door C.U.M., door de administratieve rechtbank van Nantes op 8 januari 2002 veroordeeld tot schadevergoeding aan C.U.M..

2.6. Bij arrest van 1 oktober 2002 heeft het Gerechtshof te Angers het vonnis van 19 december 2000 van de rechtbank te Le Mans grotendeels vernietigd en is Goedhart veroordeeld tot vrijwaring van York voor alle in het vonnis van 8 januari 2002 ten gunste van C.U.M. uitgesproken veroordelingen.

2.7. Bij beschikking van 12 december 2003 heeft de rechtbank te Le Mans, Frankrijk, in kort geding bepaald dat de expertise heropend diende te worden teneinde ook Nedcoat te betrekken in het onderzoek naar de vraag wie werkelijk aansprakelijk is voor de aangevoerde storingen in de koelers. Daarbij is Delsol wederom tot deskundige benoemd. Nadat de eerste bijeenkomst met Delsol had plaatsgevonden heeft Nedcoat een kort geding procedure aanhangig gemaakt en gevorderd de opdracht aan Delsol uit te breiden met een aantal harerzijds geformuleerde vraagpunten. Deze vordering is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep afgewezen.

2.8. Delsol heeft op 25 november 2004 nader gerapporteerd.

3. Het geschil

3.1. Goedhart vordert na eisvermeerdering samengevat - :

I. te bepalen dat Nedcoat aansprakelijk is voor de door Goedhart geleden schade als gevolg van de ondeugdelijke galvanisering van de koelers als gevolg waarvan Goedhart is veroordeeld tot het vergoeden van de schade van haar cliënte York,

II. Nedcoat bij wijze van voorschot op de totale schade te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 225.664,41 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2003 tot op het moment van de algehele voldoening,

III. Nedcoat te veroordelen tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

IV. Nedcoat te veroordelen in de kosten.

3.2. Nedcoat voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld dient te worden dat op de rechtverhouding tussen partijen het Nederlandse recht van toepassing is.

4.2. Het primaire verweer van Nedcoat dat de vordering van Goedhart zou zijn verjaard treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. In artikel 3:306 BW is bepaald dat, indien de wet niet anders bepaalt, een rechtsvordering verjaart door verloop van twintig jaren. In het op het onderhavige geval van toepassing zijnde artikel 3:310 BW is een afwijkende verjaringstermijn opgenomen: in dit artikel is bepaald dat een rechtsvordering tot (onder meer) vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Aldus is er sprake van een tweetal verjaringstermijnen: de korte (subjectieve, relatieve) termijn van 5 jaar en de lange (objectieve, absolute) termijn van 20 jaar. De aanvangstermijn van de korte termijn is onzeker: de benadeelde (rechts)persoon dient voor het ingaan van de termijn immers bekend te zijn met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Het kan dan ook zo zijn dat de korte verjaringstermijn niet of eerst na tientallen jaren aanvangt. Daarom heeft de wetgever met het oog op de rechtszekerheid (waaronder bijvoorbeeld iemands bewijspositie) bepaald dat een rechtsvordering in ieder geval verjaard na 20 jaar (het vangnet), welke verjaringstermijn begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Uit het vorenstaande volgt dat de lange verjaringstermijn eerst relevant is wanneer een benadeelde zijn vordering niet geldend heeft kunnen maken doordat de korte termijn van 5 jaar nooit (of korter dan 5 jaar voordat de lange termijn afloopt) is gaan lopen. In gevallen van verjaring krachtens de absolute termijn is een benadeelde dan ook ófwel onbekend met zijn schade, ófwel onbekend met de aansprakelijke persoon, ófwel onbekend met beide: wanneer dat anders is gaat immers (uitsluitend) de korte, subjectieve verjaringstermijn (de hoofdregel) lopen. In het onderhavige geval is Goedhart enig moment bekend geworden met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon en vanaf dat moment is de korte verjaringstermijn gaan lopen. De lange verjaringstermijn is gelet daarop niet meer aan de orde.

4.3. In het onderhavige geval staat vast dat Goedhart op 26 december 1995 in een procedure is betrokken inzake de door haar geleverde koelers/verdampers. Nu is gesteld noch gebleken dat Goedhart reeds eerder op de hoogte moet zijn geweest van de mogelijke/waarschijnlijke oorzaak van de problemen met de koelers en daarmee met een mogelijke aansprakelijkheid van Nedcoat, geldt naar het oordeel van de rechtbank voormelde datum als de datum waarop Goedhart op zijn vroegst bekend was met de (eventueel) aansprakelijke persoon en de schade. Daarmee is de korte subjectieve verjaringstermijn op 27 december 1995 gaan lopen (en blijft de lange, objectieve verjaringstermijn dus verder buiten beschouwing).

4.4. Een lopende verjaringstermijn kan op grond van het bepaalde in de artikelen 3:316 en 3:317 BW (telkens) worden gestuit. In die artikelen is bepaald dat de verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging (3:316 BW) dan wel door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 BW). In artikel 3:319 BW is bepaald dat door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering (…..) een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de volgende dag, welke nieuwe verjaringstermijn gelijk is aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan vijf jaren. Goedhart heeft Nedcoat bij schrijven van 18 november 1998 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de gebreken aan de koelers. Naar het oordeel van de rechtbank is de verjaringstermijn door deze aansprakelijkheidstelling gestuit en is op 19 november 1998 een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen van 5 jaar.

4.5. Vast staat (immers enerzijds gesteld en anderzijds erkend) dat Nedcoat vervolgens door Goedhart in vrijwaring is opgeroepen in de Franse procedure, waarin Goedhart bij exploot van 7 januari 1999 door York was betrokken. Dit is een daad van rechtsvervolging als bedoeld in artikel 3:316 BW en daardoor wordt een lopende verjaringstermijn in beginsel gestuit. In artikel 3:316 lid 2 BW is echter bepaald dat, wanneer een ingestelde eis niet tot toewijzing leidt, een verjaring slechts is gestuit indien binnen zes maanden, nadat het geding door een in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Vast staat (zijnde eveneens enerzijds gesteld en anderzijds erkend) dat Goedhart bij vonnis van de rechtbank van Le Mans van 19 december 2000 niet ontvankelijk is verklaard in haar vordering jegens Nedcoat. Er is derhalve geen sprake geweest van een toewijzing van de ingestelde eis als hiervoor bedoeld. Nu Goedhart binnen de hiervoor bedoelde termijn geen nieuwe eis heeft ingesteld, komt aan de hiervoor bedoelde daad van rechtsvervolging geen stuitende werking toe.

4.6. Goedhart heeft echter de aansprakelijkheid van Nedcoat bij aangetekende brieven van 12 mei 2000 (derhalve binnen de - niet door de daad van rechtsvervolging gestuite - termijn van 5 jaar die op 19 november 1998 is gaan lopen) en van 19 november 2002 herhaald en in die brieven haar recht op nakoming ondubbelzinnig voorbehouden. Met deze mededelingen heeft Goedhart de lopende (subjectieve) verjaringstermijn naar het oordeel van de rechtbank telkens tijdig gestuit en gold op grond van de toepasselijke bepalingen laatstelijk een verjaringstermijn van 5 jaar, die is ingegaan op 20 november 2002 (zijnde de dag volgend op de dag van de laatste stuiting). De onderhavige procedure is door Goedhart op 29 juni 2007 aanhangig gemaakt en derhalve tijdig voor het verstrijken van de verjaringstermijn van 5 jaar. Goedhart is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

4.7. Nedcoat heeft subsidiair - onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:89 BW - aangevoerd dat Goedhart niet binnen bekwame tijd nadat zij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank treft ook deze stelling van Nedcoat geen doel. Uit de stellingen over en weer volgt dat in de Franse procedure in 1995 een deskundige is benoemd teneinde de oorzaken van de gebreken aan de koelers te onderzoeken. Daaruit volgt dat op dat moment nog geen duidelijkheid bestond over de oorzaak. Van een klachtplicht van Goedhart kan op dat moment dan ook nog geen sprake zijn geweest. Vast staat dat Nedcoat vervolgens aanwezig is geweest bij een bespreking van Goedhart met de deskundige op 29 oktober 1997. Ook nadien is door Goedhart ten behoeve van het deskundigenonderzoek verscheidene malen de hulp van Nedcoat ingeroepen. Vervolgens is op 14 mei 1999 door de deskundige geconcludeerd dat het gebrek aan de door Goedhart geleverde koelers is ontstaan door een gebrekkige verzinking van die koelers. Door Goedhart is gesteld dat bij haar gaandeweg het onderzoek twijfels zijn gerezen omtrent het standpunt van Nedcoat dat er deugdelijk zou zijn verzinkt, hetgeen ertoe heeft geleid dat Nedcoat door Goedhart op 18 november 1998 aansprakelijk is gesteld voor de eventuele schade. Gelet op al vorenbedoelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat van een schending van Goedhart van de klachtplicht als bedoeld in artikel 6:89 BW geen sprake kan zijn.

4.9. Door Nedcoat is verder aangevoerd dat niet vast staat dat de door Goedhart geleverde gebrekkige verdampers door haar - Nedcoat - zijn verzinkt. Ook dit verweer treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. Daarbij neemt de rechtbank vooreerst in overweging dat dit verweer door Nedcoat - ondanks haar materiële betrokkenheid bij het deskundigenonderzoek in Frankrijk en de aansprakelijkheidstellingen door Goedhart van Nedcoat voor de schade als gevolg van de gebrekkige koelers - niet eerder dan in de onderhavige procedure wordt gevoerd. Daar komt bij dat door Goedhart bij haar conclusie van repliek stukken in het geding zijn gebracht waaruit naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam volgt dat de door Goedhart aan York, althans ten behoeve van het abattoir te Le Mans geleverde (gebrekkige) koelers door Nedcoat zijn verzinkt. Gelet op de volharding in de betwisting van Nedcoat dat de gebrekkige koelers door haar zijn verzinkt zal de

4.10. Ten aanzien van de status van het expertiserapport van 25 november 2004 overweegt de rechtbank het navolgende. Vast staat - immers enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist - dat Nedcoat geen partij is geweest in de procedures die hebben geleid tot het uitbrengen van het eerste deskundigenbericht en in het onderzoek dat aan het deskundigenbericht is voorafgegaan. Hoewel Nedcoat - zoals door haar niet dan wel niet genoegzaam gemotiveerd is weersproken - wel materieel bemoeienis heeft gehad met het deskundigenrapport heeft zij noch in het onderzoek, noch in de op basis daarvan gevoerde procedures formeel inspraak kunnen hebben. Gelet daarop kunnen de feiten, zoals die in het eerste deskundigenbericht (na onderzoek) als vaststaand zijn aangemerkt, niet als vaststaande feiten jegens Nedcoat tegengeworpen worden. Een andersluidend standpunt zou in strijd zijn met het - in de onderhavige zaak van toepassing zijnde - Nederlandse recht en dan met name ten aanzien de bepaling van hoor en wederhoor. Dit geldt in zekere mate ook ten aanzien van het tweede deskundigenonderzoek van Delsol van 25 november 2004. Hoewel Nedcoat ten aanzien van dit onderzoek wél kan worden aangemerkt als formele partij, is haar als gevolg van de uitspraken in kort geding door de Franse rechters de mogelijkheid ontzegd om nadere vragen aan de deskundige voor te leggen: daartoe is door de kort geding rechters overwogen dat het aan de bodemrechter is om te beoordelen of deze voldoende is voorgelicht en dus - kortom - of de nadere vragen toegelaten dienen te worden. Nu er in Frankrijk geen bodemprocedure jegens Nedcoat aanhangig is gemaakt is er geen sprake geweest van een inhoudelijke beoordeling van de door Nedcoat gewenste nadere vraagstelling. Reeds op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat aan de rapporten van Delsol niet de - formele - status kan worden toegekend zoals Goedhart die daaraan wenst toe te kennen en de conclusies uit die rapporten in de onderhavige zaak niet als vaststaand kunnen worden aangemerkt. Naar Nederlands recht zou zulks overigens ook niet het geval zijn indien Nedcoat wél gelegenheid zou hebben gekregen om al haar vraagpunten in het onderzoek te laten betrekken: een deskundigenrapport geldt immers als een bewijsmiddel waaraan geen dwingende maar vrije bewijskracht toekomt.

4.11. Met het vorenstaande komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil. Door Goedhart is aan haar vorderingen ten grondslag gelegd de stelling dat

een of enkele de door haar aan York geleverde koelers gebrekkig waren en dat het gebrek een gevolg was van een ondeugdelijke verzinking van die koelers door Nedcoat. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Goedhart verwezen naar de inhoud van de twee door Delsol opgestelde rapporten.

4.12. Dat de koelers gebrekkig waren is door Nedcoat niet (genoegzaam gemotiveerd) betwist, zodat daarvan als vaststaand kan worden uitgegaan. Nedcoat heeft echter uitdrukkelijk betwist dat het gebrek aan de koelers een gevolg zou zijn van een ondeugdelijke verzinking. Zij heeft aangevoerd dat het geconstateerde gebrek het gevolg kan zijn van de navolgende mogelijkheden:

a) het achterblijven van “flux(as)resten”;

b) het achterblijven van vastzittende verontreiniging (in een naad of spleet) afkomstig van het productieproces (dat bij de chemische voorbehandeling niet wordt opgelost);

c) in het traject vanaf het transport na de verzinking - onder verantwoordelijkheid van Goedhart - zijn een paar kleine vaste (stof)deeltjes op de bewuste plekken gekomen;

d) de zinklaag kan plaatselijk beschadigd zijn tijdens de be- en verwerking van de koelers voor en tijdens de montage in het abattoir;

e) het gebrek kan in de verdampers zelf gelegen zijn dan wel in de omstandigheden waarin de verdampers hebben gefunctioneerd;

f) er was sprake van een - voor rekening en risico van Goedhart komende - ontwerp- en uitvoeringsfout in de koelers.

4.13. Laatstgenoemde stelling van Nedcoat, die er op neer komt dat het gebrek een gevolg is van de plaatselijke scheefstand van een tussenwand dan wel de aanwezigheid van een zogenaamde rib, welke ontwerp- en uitvoeringsfouten Nedcoat zouden ontslaan van een eventuele aansprakelijkheid voor de schade, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel nu is gesteld noch gebleken dat die fouten in causaal verband staan met de ontstane schade. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Nedcoat verwezen naar het rapport van Delsol. Uit dat rapport volgt echter niet dat de scheefstand dan wel de aanwezigheid van de rib hebben geleid tot de schade, maar dat deze aspecten er de oorzaak van kunnen zijn geweest dat de koelers gebrekkig zijn gedroogd. Dit laatste aspect is volgens Delsol de oorzaak van de plaatselijke afwezigheid van de zinklaag. Vorenbedoelde ontwerp- en uitvoeringsfouten kunnen Nedcoat echter niet ontslaan van haar verplichting (resultaats-verbintenis) zorg te dragen voor een deugdelijke droging na de ontvetting ten behoeve van de beoogde verzinking: die verplichting staat immers los van eventuele ontwerp- of uitvoeringsfouten van de ter verzinking aangeboden koelers.

4.14. Goedhart heeft haar stelling, dat de schade een gevolg is van een gebrekkige galvanisering van de koelers op bepaalde plaatsen, gedocumenteerd en onderbouwd met het rapport van Delsol. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen is de waardering van het rapport als bewijs aan het oordeel van de rechtbank overgelaten; de zogenaamde vrije bewijsleer. Tegenover het rapport, dat is gestaafd met laboratoriumonderzoek, volstaat Nedcoat met het opwerpen van hypothetische mogelijkheden, die slechts summier zijn toegelicht en die bovendien grotendeels ook reeds - nadat Nedcoat bij het deskundigenonderzoek was betrokken - door Delsol in ogenschouw zijn genomen en door hem als mogelijkheid zijn verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Nedcoat haar verweer dan ook onvoldoende onderbouwd en dient het verweer van Nedcoat derhalve als zodanig te worden gepasseerd.

4.15. Ten aanzien van de twee eerstgenoemde mogelijkheden overweegt de rechtbank daarenboven het navolgende. De verbintenis die Nedcoat op zich genomen heeft, de verplichting om de stalen koelers te verzinken, kan slechts beschouwd worden als een resultaatsverbintenis. Indien het resultaat - een deugdelijke verzinking van het aangeboden materiaal - niet bereikt wordt als gevolg van het verzinkingsprocedé dan is dat een omstandigheid die in beginsel niet aan de opdrachtgever kan worden tegengeworpen. Nu uit de door Nedcoat in het geding gebrachte verklaringen van de heer Kraak van 23 oktober 2007 en 14 november 2007 volgt dat de mogelijkheden a) en b) kunnen leiden tot pu(n)tvormige corrosie van het verzinkte materiaal, terwijl beide mogelijkheden een direct gevolg zijn van het verzinkingsprocedé, dienen de gevolgen daarvan in beginsel voor risico van Nedcoat te komen, hetgeen door Nedcoat ook is erkend (punten 45 en 46 van de conclusie van antwoord). Er zijn door Nedcoat geen feiten of omstandigheden naar voren gemaakt die er naar het oordeel van de rechtbank toe zouden moeten leiden dat van dit beginsel in de onderhavige zaak afgeweken zou moeten worden.

4.16. Op grond van al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat Nedcoat aansprakelijk is voor de schade die Goedhart heeft geleden als gevolg van de gebrekkige koelers en is zij in beginsel gehouden die schade te vergoeden.

4.17. Ten aanzien van de schade is door Goedhart gesteld dat deze begroot dient te worden in een schadestaatprocedure. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 612 Rv is een schadestaatprocedure echter eerst aan de orde indien begroting van die schade in de procedure, waarin de veroordeling tot schadevergoeding wordt uitgesproken, niet mogelijk is. Nu - gezien het tijdsverloop - naar het oordeel van de rechtbank inmiddels omtrent zowel aard als omvang van de door Goedhart geleden schade duidelijkheid zou moeten bestaan is de rechtbank voorshands van oordeel dat verwijzing naar een schadestaatprocedure niet nodig is en zal zij de zaak verwijzen naar de rol teneinde beide partijen in de gelegenheid te stellen zich omtrent de schade uit te laten. Met inachtneming van het vorenstaande en nu de details van de gevorderde schadevergoeding nog ontbreken acht de rechtbank bovendien voorshands geen grond aanwezig om aan Goedhart een voorschot op de door haar gestelde schade toe te kennen.

4.18. In afwachting van de uitlating van partijen zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verwijst de zaak naar de rol van 8 oktober 2008 voor akte uitlating zijdens Goedhart en vervolgens naar de rol van 6 weken nadien voor antwoordakte uitlating zijdens Nedcoat,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2008.?