Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BE1074

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 08 / 471
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers, samenwonend, hebben op 9 mei 2007 gezamenlijk een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 8 augustus 2007 afgewezen omdat eisers aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 08 / 471

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser] en [eiseres] te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. A.C.S. Grégoire

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 8 augustus 2007, inzake de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB), ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is namens eisers bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 6 augustus 2008, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire, en waar van de zijde van verweerder niemand is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eisers, samenwonend, hebben op 9 mei 2007 gezamenlijk een bijstandsuitkering aangevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 8 augustus 2007 afgewezen omdat eisers aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het namens eisers ingediende bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

2.3. Eisers voeren in beroep allereerst aan dat in de beslissing op bezwaar een nadere motivering ontbreekt en dat zij niet beschikken over het advies van de commissie zodat het bestreden besluit reeds vernietigd moet worden omdat dit onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd. Eisers hebben ter zitting verklaard (de motivering van) het advies te hebben aangetroffen in de door verweerder aan de rechtbank en eisers toegezonden stukken en handhaven deze beroepsgrond.

2.4. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank het volgende. In het bestreden besluit heeft verweerder uitdrukkelijk verwezen naar het advies van de bezwarencommissie. Ook heeft verweerder uitdrukkelijk overwogen dat de bezwarencommissie verweerder volgt in zijn overwegingen en het in bezwaar bestreden besluit terecht en op goede gronden genomen acht. Verweerder heeft aangegeven dat advies te volgen en het primaire besluit van 8 augustus 2007 niet te herzien. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat twee bijlagen zouden zijn meegezonden, waaronder bedoeld advies.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee een voor eisers voldoende kenbare motivering van het bestreden besluit gegeven. Voor zover eisers de bijlagen van het bestreden besluit inderdaad niet zouden hebben ontvangen en de strekking van dat advies uit de verdere motivering van het bestreden besluit niet zouden hebben begrepen, had het op hun weg gelegen verweerder alsnog om een afschrift van de bijlage te vragen.

2.5. Met betrekking tot de inhoudelijke onderbouwing van het bestreden besluit en de daartegen gerichte beroepsgrond overweegt de rechtbank het volgende.

2.6. Eisers beschikken over het inkomen dat eiser geniet uit zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een aanvraag om toeslag op grond van de Toeslagenwet heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) bij besluit van 8 juni 2007 afgewezen, omdat het totale inkomen van eisers hoger is dan het minimumloon. Verweerder heeft bij de behandeling van de aanvraag om bijstand vastgesteld, dat eiseres bij de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2007 heeft afgezien van de maximale algemene heffingskorting van € 2043,00. Als ook zij deze maximale heffingskorting zou hebben gevraagd en gekregen, zou het inkomen van eisers liggen boven de bijstandsnorm. Verweerder heeft het kunnen beschikken over de volledige algemene heffingskorting beschouwd als een voorliggende voorziening als omschreven in artikel 5, aanhef en onder f van de WWB en met toepassing van artikel 15, eerste lid van die wet bepaald dat eisers geen recht hebben op bijstand, omdat zij een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor hen toereikend en passend te zijn.

2.7. De rechtbank begrijpt de gronden van eisers aldus, dat volgens hen bij de bepaling van het recht op bijstand en de daarvoor noodzakelijke bepaling van de middelen moet worden uitgegaan van hun feitelijk inkomen, d.w.z. met inachtneming van de feitelijk genoten en niet van de maximaal mogelijke heffingskorting. Zij hebben voor de voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting 2007 geen gebruik gemaakt van de volledige heffingskorting, omdat zij bij de aangifte inkomstenbelasting een beroep wilden doen (en feitelijk ook hebben gedaan) op buitengewone uitgavenaftrek, waardoor hun inkomen (ook in de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2007) uiteindelijk lager uitvalt en zij dus ook slechts recht hebben op een lagere algemene heffingskorting. Zij voeren aan dat zij als gevolg van dat alles een inkomen hebben dat lager is dan het voor hen geldende sociaal minimum zodat zij aanspraak hebben op een aanvullende bijstandsuitkering.

2.8. Ingevolge artikel 11 van de WWB bestaat recht op bijstand als men in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat men niet over middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Tot de middelen worden ingevolge artikel 31 gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover men beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in artikel 8 van de wet Inkomstenbelasting 2001. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f rekent niet tot de middelen onder meer vermindering of teruggave loonbelasting en inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten horen, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend. Het derde lid tenslotte bepaalt dat de middelen in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van onder meer verschuldigde loonbelasting, inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.

2.9. Naar het oordeel van de rechtbank brengt aldus het systeem van de WWB met zich mee, dat de fiscale mogelijkheden, waaronder de heffingskortingen, niet gelden als een voorliggende voorziening in de zin van artikel 5 en artikel 15, maar dat met de fiscale mogelijkheden en gevolgen rekening moet worden gehouden voor het bepalen van de middelen en aanspraak op bijstand volgens de bepalingen, hierboven genoemd onder 2.8.

Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 15 van de WWB, en ten onrechte op grond daarvan bijstand geweigerd aan eisers. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.10. De vraag doet zich dan vervolgens wel voor welke uitleg dient te worden gegeven aan het bepaalde in artikel 31, eerste lid, derde volzin, in het bijzonder aan de bewoordingen “de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting”. In (het verlengde van) verweerders uitleg zou de voor beide eisers maximaal mogelijke algemene heffingskorting moeten worden gerekend tot de middelen. Dan zou ook langs die redenering bij een beoordeling van het eventuele recht op bijstand aan de hand van een middelenberekening geen aanspraak bestaan op bijstand, omdat eisers over middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

De uitleg van eisers daarentegen komt, zoals hierboven al weergegeven, erop neer dat bij de daarvoor noodzakelijke bepaling van de middelen moet worden uitgegaan van hun feitelijk inkomen, d.w.z. met inachtneming van de feitelijk genoten en niet van de maximaal mogelijke heffingskorting.

2.11. Temeer waar artikel 31, eerste lid spreekt van middelen, waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede niet zonder meer de heffingskorting mee te tellen, die maximaal mogelijk is, maar de heffingskorting waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken, d.w.z. als rekening wordt gehouden met het gehele inkomen én buitengewone uitgavenaftrek, zoals ziektekostenpremies, arbeidsongeschiktheidsaftrek en hypotheekaftrek. Deze uitleg sluit ook aan bij het bepaalde in artikel 31, derde lid, volgens welke bepaling de middelen in aanmerking worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van onder meer verschuldigde inkomstenbelasting.

Dit betekent dat verweerder zich voor de bepaling van het recht op bijstand ervan moet kunnen vergewissen of eisers inderdaad die heffingskorting hebben gevraagd (en ontvangen) waarover zij gezien inkomens- en uitgavensituatie in fiscale zin redelijkerwijs konden beschikken. Daarmee is dus tegelijk gezegd dat verweerder ook niet zonder meer de feitelijke keus van eisers zou hoeven te volgen.

2.12. De rechtbank ziet geen grond om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, slot van de Awb en, ter finale geschillenbeslechting, zelf te voorzien in de zaak. Het dossier bevat geen (voldoende) informatie over de buitengewone uitgavenposten die voor eisers hebben geleid tot de beslissing om niet de voor beiden maximale heffingskorting te vragen. Het is aan verweerder om bij een nieuw te nemen besluit op bezwaar te beslissen of in dat verband nadere informatie van eisers noodzakelijk is en op grond daarvan de aanspraak van eisers op bijstand vast te stellen. Als wordt beslist tot toekenning zal verweerder ook moeten bezien of er aanleiding bestaat tot schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente, zoals door eisers in beroep is gevorderd.

2.13. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van bezwaar en beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden vier punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op EUR 1288,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maasgouw;

bepaalt dat deze gemeente aan eisers het door dezen gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van C.M.E. Geraedts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 13 augustus 2008.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.