Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD8515

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1300
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Usp over resterende verdiencapaciteit, inkomenseis en procesbelang in het kader van de WIA. De rb is van oordeel dat de vaststelling hiervan, naast de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering, ook in het geval waarin vrweerder enkel impliciet hierover heeft beslist, moet worden aangemerkt als een zelfstandig op recchtsgevolg gericht besluit(onderdeel) en een betrokkene tegen de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis moet kunnen opkomen, omdat dit dwingend rechtelijk volgt uit artkel 60, tweede lid, van de Wet WIA en omdat dit volgt uit de MvT. Anders dan LJN BC4166.

Het vorenstaande oordeel over het procesbelang, betekent naar het oordeel van de rechtbank overigens niet dat in de gevallen dat een betrokkene niet is opgekomen tegen (het uitblijven van) de (impliciete) vaststelling van de inkomenseis en de bepaling van de restverdiencapaciteit en de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van een WGA-gerelateerde uitkering, zijn recht om op te komen tegen de inkomenseis/ restverdiencapaciteit is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1300

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. F.A.C. Klaassen

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Venlo), verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2007, waartegen door mr. F.A.C. Klaassen, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, namens eiseres beroep is ingesteld, heeft verweerder beslist op een bezwaar van eiseres tegen een eerder besluit d.d. 13 november 2006 inzake de toepassing van de Wet Inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

De stukken en het verweerschrift, die verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb heeft ingezonden, zijn aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden.

Vervolgens hebben zowel (de gemachtigde van) eiseres als verweerder nog nadere stukken aan de rechtbank toegezonden.

Bij de behandeling van het beroep ter zitting van de rechtbank op 9 januari 2008 is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en heeft verweerder zich doen vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres heeft verweerder verzocht haar een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen. Verweerder heeft op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 13 november 2006 de mate van arbeidsongeschiktheid ingaande 10 september 2006 vastgesteld op minder dan 35% zodat eiseres per die datum niet arbeidsongeschikt in de zin van de Wet WIA wordt geacht.

2.2. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar daartegen gegrond verklaard. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, rekening houdende met de juiste omvang van de maatman en met het juiste maatmanloon, het verlies aan verdienvermogen vastgesteld op 38,11%, op grond waarvan verweerder bij het bestreden besluit de mate van arbeids¬ongeschiktheid op 35 tot 80% heeft gesteld.

2.3. In beroep hiertegen is namens eiseres aangevoerd dat zij zich niet kan vinden in het toegekende arbeidsongeschiktheidspercentage, nu zij van mening is dat er een beperking in de arbeidsduur had moeten worden gesteld in verband met haar beperkingen. Eiseres realiseert zich dat het verhogen van het vastgestelde arbeidsongeschiktheids¬percentage niet leidt tot een hogere uitkering. Eiseres stelt echter dat het arbeidsongeschiktheidspercentage invloed kan hebben op een in de toekomst te ontvangen loonaanvullingsuitkering. Omdat het voor eiseres niet duidelijk is of op dat moment alsnog bezwaar en beroep tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage kan worden aangetekend, heeft eiseres thans belang bij het instellen van het beroep.

In een aanvullend beroep van 12 december 2007 voert eiseres in dit verband aan dat een urenbeperking aangewezen is in verband met verminderde beschikbaarheid voor arbeid, waarvoor zij verwijst naar de Standaard Verminderde Arbeidsduur. Eiseres geeft nader aan welke behandelingen zij ondergaat en welke tijd daar mee gemoeid is.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank gevraagd een standpunt in te nemen over wat de gevolgen zijn voor een toekomstige loonaanvullings- of vervolguitkering als bij toekenning van een WIA-uitkering, geen bezwaar wordt ingesteld tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage. Voor de meeste uitkeringsgerechtigden is het gevolg in de toekomst van de vaststelling van het percentage arbeidsongeschiktheid onduidelijk. Het percentage arbeidsongeschiktheid wordt immers al vastgesteld in het besluit waarin een WIA-uitkering wordt toegekend, zij het min of meer verstopt in een bijlage bij het besluit. Verweerder zou zich dan ook op het standpunt kunnen stellen, dat als op het moment van toekenning van een loonaanvullingsuitkering alsnog bezwaar wordt aangetekend, het bezwaar niet ontvankelijk is omdat dit percentage in rechte al vaststaat. Veel uitkeringsgerechtigden realiseren zich dit niet, te meer nu het voor de hoogte van de loongerelateerde WIA-uitkering niets uitmaakt welk percentage hieraan is verbonden.

2.4. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting aangegeven dat zijn standpunt is dat eiseres een procesbelang heeft bij het nu opkomen tegen de mate van arbeidsongeschiktheid omdat het maar de vraag is of de mate van arbeidsongeschiktheid in de toekomst nog een keer zal worden beoordeeld.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van WGA-uitkering

2.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de beoordeling van de mate van arbeidsgeschiktheid geen gevolgen heeft voor de te ontvangen loongerelateerde WGA-uitkering, als de vastgestelde resterende verdiencapaciteit niet relevant is voor de hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering, zolang deze meer bedraagt dan 20% en minder dan 65% van het maatmaninkomen per uur of niet duurzaam 80-100% bedraagt.

2.6. De rechtbank overweegt dat eiseres in beroep heeft aangegeven zich te realiseren dat het verhogen van het vastgestelde arbeidsongeschiktheids¬percentage in het geval van eiseres niet zal leiden tot een hogere uitkering. Dat betekent dat de hoogte van de WGA-uitkering als zodanig tussen partijen niet in geschil is, zodat het beroep naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de WGA-uitkering niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Resterende verdiencapaciteit, inkomenseis en procesbelang

2.7. Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat het arbeidsongeschiktheidspercentage (dat eiseres betwist) invloed kan hebben op een later mogelijk te ontvangen loonaanvullingsuitkering en het voor haar niet duidelijk is of op dat moment nog bezwaar en beroep tegen het arbeidsongeschiktheidspercentage kan worden aangetekend, weshalve eiseres stelt thans een procesbelang te hebben bij het instellen van het beroep tegen de mate van arbeidsongeschiktheid, overweegt de rechtbank als volgt.

2.8. Artikel 60 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

1.Indien de duur van de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken of

als gevolg van artikel 54, vierde lid, geen aanspraak heeft bestaan op deze uitkering,

bestaat de WGA-uitkering uit:

a. een loonaanvullingsuitkering voor de verzekerde die per kalendermaand een inkomen

uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven verdient dat ten minste gelijk is aan de

inkomenseis, bedoeld in het tweede lid of voor wie op grond van het derde lid geen

inkomenseis geldt; of

b. een vervolguitkering.

2. De inkomenseis wordt vastgesteld op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering en

is voor de verzekerde die in staat is met arbeid meer dan 20% te verdienen van het

maatmaninkomen per uur, gelijk aan 50% van de resterende verdiencapaciteit. De

inkomenseis wordt herzien nadat een wijziging in de resterende verdiencapaciteit twee

kalendermaanden heeft voortgeduurd. De inkomenseis geldt niet meer nadat de

verzekerde ten minste twee kalendermaanden slechts in staat is geweest om met arbeid

ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

3. Voor de verzekerde die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen

van het maatmaninkomen per uur geldt geen inkomenseis tot de dag dat zijn resterende

verdiencapaciteit 24 kalendermaanden lang hoger is geweest dan 20% van zijn

maatmaninkomen per uur.

2.9. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de onderhavige zaak noch in het bestreden besluit – noch in een afzonderlijk besluit - de inkomenseis als voorgeschreven in artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA ten aanzien van eiseres heeft vastgesteld, zodat evenmin de resterende verdiencapaciteit van eiseres expliciet is bepaald. Een en ander valt wel tot op zekere hoogte (impliciet) af te leiden uit verweerders besluitvorming in het kader van de WGA-uitkering, waar de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid deel uit maakt van verweerders besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee niet op een juiste wijze voldaan aan het bepaalde in artikel 60, tweede (en derde) lid van de Wet WIA.

2.10. De rechtbank is van oordeel dat de vaststelling van de voor een betrokkene geldende resterende verdiencapaciteit en inkomenseis, (naast de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering), - ook in dit geval waar verweerder enkel impliciet hierover heeft beslist - moet worden aangemerkt als een zelfstandig op rechtsgevolg gericht besluit(onderdeel) en een betrokkene tegen de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis moet kunnen opkomen. Eiseres moet derhalve tegen het impliciet hierover besluiten in het kader van de WGA kunnen opkomen. Dat betekent dat de rechtbank ook van oordeel is dat eiseres thans een procesbelang heeft.

2.11. De rechtbank neemt bij haar standpunt dat eiseres thans een procesbelang heeft, in aanmerking dat de vaststelling van de inkomenseis op de dag dat recht ontstaat op een WGA-uitkering, voor verweerder dwingendrechtelijk volgt uit artikel 60, tweede lid van de Wet WIA.

Dat de vaststelling van de inkomenseis enkel gezien moet worden als een besliscomponent, zoals in de uitspraak van 23 januari 2008 van de rechtbank Alkmaar (LJN: BC4166) is geoordeeld, vermag de rechtbank niet in te zien. Dat de inkomenseis, als bedoeld in artikel 60, tweede (en derde) lid, van de Wet WIA van belang is voor het ontstaan van aanspraak op een loonaanvullingsuitkering, dan wel een vervolguitkering, aansluitend aan de loongerelateerde WGA-uitkering, - en in het kader van die besluitvorming een besliscomponent vormt - maakt niet dat de vaststelling van de inkomenseis als zodanig niet als een besluit (dan wel als een zelfstandig besluitonderdeel) moet worden aangemerkt.

De rechtbank verwijst in dit verband naar het gestelde in de Memorie van Toelichting onder “8.2 De fase na de loongerelateerde periode”, te weten:

“..De hierboven geschetste uitkeringsstructuur heeft tot gevolg dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte er belang bij heeft dat hij in een zo vroeg mogelijk stadium weet wat hij moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen. Daarom zal hij bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering worden geïnformeerd over deze inkomenseis, en zal hem worden meegedeeld wat 50 % van zijn resterende verdiencapaciteit op dat moment inhoudt. Daarbij zal wel de kanttekening worden geplaatst dat de resterende verdiencapaciteit in de loop der tijd nog kan wijzigingen, omdat zijn arbeidsmogelijkheden kunnen toe- of afnemen. Vervolgens zal hem uiterlijk twee maanden voor afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering worden meegedeeld welk bedrag hij ten minste moet verdienen om voor de loonaanvulling in aanmerking te komen. Op deze manier wordt niet langer de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald, maar juist benadrukt welke mogelijkheden de werkgever wél heeft.”

Door het vaststellen van de inkomenseis op het voorgeschreven moment, wordt zoals uit het hiervoor aangehaalde citaat blijkt, in een zo vroeg mogelijk stadium bepaald wat een betrokkenen moet verdienen om voor een loonaanvullingsuitkering in aanmerking te komen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet louter informatief van aard is, nu verondersteld mag worden dat deze “informatie” als zodanig ook “gezag” heeft en niet vrijblijvend is. Een betrokkene moet van deze inkomenseis kunnen uitgaan, zodat hij tijdig “weet waar hij aan toe is” zodat hij in staat is – en ook kan worden geacht – tijdig aan de inkomenseis te voldoen door zich te oriënteren op de arbeidsmarkt en zich in te zetten voor zijn arbeidhervatting en de verdere inrichting van zijn leven. Dat de inkomenseis en resterende verdiencapaciteit eventueel later nog kan wijzigen ten gevolge van veranderingen in eisereses beperkingen, doet aan het voorgaande niet af. Dat de duur van de loongerelateerde uitkering per geval varieert, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank evenmin anders.

Niet valt in te zien dat de vaststelling van de inkomenseis juridisch anders zou moeten worden geduid dan bijvoorbeeld de oplegging van re-integratieverplichtingen.

De rechtbank overweegt verder dat in de Wet WIA werkhervatting een centrale plaats inneemt en de resterende verdiencapaciteit het ijkpunt vormt voor de mate waarin een betrokkene daartoe in staat wordt geacht. De resterende verdiencapaciteit, als uitkomst van de medische en arbeidskundige beoordeling door verweerder, bepaalt verder ook de omvang van de (re-integratie)verplichtingen welke in de Wet WIA bestaan voor degene die aanspraak heeft op een WGA-uitkering.

2.12. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling van de wetgever zijn om eventuele grieven aangaande de inkomenseis en restverdiencapaciteit en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in dit kader “op te sparen” tot het moment dat aanspraak gemaakt kan worden op een loonaanvullings- of vervolguitkering. Afgezien van het feit dat tegen die tijd veelal grieven tegen de medische beperkingen nog moeilijk te betwisten en te beoordelen zullen zijn door het enkele tijdsverloop, wordt hiermee ook de doelstelling van artikel 60 van de Wet WIA teniet gedaan. Immers, een betrokkene blijft in onzekerheid verkeren over waar hij aan toe is en over wat van hem verwacht mag worden en welke concrete voorbereidingen hij moet treffen om daaraan te voldoen.

2.13. Tenslotte overweegt de rechtbank nog dat in geval van vaststelling van de inkomenseis en resterende verdiencapaciteit geen procesbelang zou worden aangenomen, een betrokkene enkel in de gevallen dat hij door verweerder voor minder dan 65% arbeidsongeschikt wordt geacht, en hij zelf een mate van arbeidsongeschiktheid claimt van duurzaam 80-100%, hij bij de vaststelling van de WGA-uitkering (indirect) kan opkomen tegen de mate van arbeidsongeschiktheid en tegen de (impliciete) restverdiencapaciteit en inkomenseis.

2.14. Het vorenstaande oordeel over het procesbelang, betekent naar het oordeel van de rechtbank overigens niet dat in de gevallen dat een betrokkene niet is opgekomen tegen (het uitblijven van) de (impliciete) vaststelling van de inkomenseis en de bepaling van de restverdiencapaciteit en de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van een WGA-gerelateerde uitkering, zijn recht om op te komen tegen de inkomenseis/ restverdiencapaciteit is komen te vervallen.

Resterende verdiencapaciteit en inkomenseis (inhoudelijk)

2.15. Ten aanzien van de grieven van eiseres tegen de (impliciete) besluitvorming door verweerder aangaande de restende verdiencapaciteit en inkomenseis van eiseres, overweegt de rechtbank vervolgens als volgt.

Nu de beroepsgronden van eiseres ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid primair de medische grondslag van het bestreden besluit betreffen en meer in het bijzonder het feit dat door verweerder geen urenbeperking in aanmerking wordt genomen, overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 april 2007 (LJN: BA2955) betreffende de reikwijdte van de toetsing in dit soort zaken, is de rechterlijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsvaststelling in het bijzonder gericht op de volgende vragen:

- of het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoet aan de geldende eisen en of de functionele mogelijkheden en beperkingen van de betrokkene daarbij juist zijn vastgesteld;

- of daaraan terecht de conclusie is verbonden dat de betrokkene in medisch opzicht in staat is om de door verweerder in aanmerking genomen arbeid te verrichten.

De beoordeling van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek

2.16. Het primaire besluit berust op de bevindingen van de verzekeringsarts W. Lemaire. Deze heeft op basis van eigen onderzoek(en) en dossieronderzoek een rapport uitgebracht en de voor eiseres geldende mogelijkheden en beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen dat besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Waasdorp nader onderzoek gedaan bestaande uit het bijwonen van de hoorzitting en het in zijn beoordeling betrekken van de van de behandelend neuropsycholoog drs. A. Zaal ontvangen informatie. Op basis hiervan is in de rapportage van de bezwaar¬verzekeringsarts de FML onderschreven. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsonge¬schiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheids¬vereisten. De rechtbank heeft - gelet op alle voorhanden medische gegevens - geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van voormeld verzekeringsgenees¬kundig onderzoek in twijfel te trekken. De informatie van de behandelende sector is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling meegenomen. Niet is gebleken dat de klachten van eiseres zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd.

2.17. Met betrekking tot de ook in bezwaar al aangevoerde grief van eiseres, dat verweerder ten onrechte geen uren¬beperking heeft aangenomen in verband met haar beperkingen, overweegt de rechtbank dat - eerst na beroep - door de bezwaarverzekeringsarts Waasdorp, in zijn rapportage van 3 oktober 2007 gemotiveerd is waarom een urenbeperking niet aangewezen is. De rechtbank is van oordeel dat daarmee voldoende is onderbouwd waarom een urenbeperking in verband met de beperkingen van eiseres niet aan de orde is.

2.18. Voor zover eiseres – voor het eerst in beroep – heeft gesteld dat een urenbeperking nodig is in verband met verminderde beschikbaarheid voor arbeid, heeft verweerder daarover een standpunt ingenomen bij aanvullend verweerschrift van 20 december 2007. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de omvang en de noodzaak van de behandelingen die eiseres claimt, niet steunen op onderliggende medische informatie. Ook wordt niet aangetoond dat eiseres per 10 september 2006 (de datum in geding) de genoemde behandelingen onderging en verweerder betwijfelt dit ook, gezien de uitgebrachte rapporten. Verder stelt verweerder dat, voor zover er op 10 september 2006 reeds sprake was van noodzakelijke medische behandelingen, enkel de tijd die eiseres daadwerkelijk kwijt is voor de behandeling relevant is voor een urenbeperking, dat wil zeggen de reistijd en de tijd van behandeling. De overige handelingen kunnen ook buiten werktijd plaats¬vinden. Tenslotte stelt verweerder dat bij verzuim voor noodzakelijke medische behandelingen niet per definitie een urenbeperking hoeft te worden gesteld. Zolang geen sprake is van excessief verzuim mag volgens verweerder in redelijkheid van de werkgever worden verwacht, dat hij iemand te werk stelt. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 maart 2006 (LJN: AV7261).

De rechtbank overweegt dat eiseres ter zitting desgevraagd niet aannemelijk heeft kunnen maken dat de door haar geclaimde behandelingen ten tijde van geding aan de orde waren en dat die behandelingen om medische redenen noodzakelijk zijn. Derhalve is deze grief onvoldoende onderbouwd en kan deze niet slagen.

2.19. Dat betekent dat de rechtbank niet is gebleken dat eiseres op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Overigens kan en mag de rechtbank aan de eigen beleving van eiseres over haar beperkingen en het al dan niet kunnen werken geen doorslaggevende betekenis toekennen.

Op grond van het vorenstaande moet dan ook worden gezegd dat de functionele mogelijkheden en beperkingen van eiseres juist zijn vastgesteld.

2.20. Nu verweerder eerst in beroep heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking ondanks de beperkingen van eiseres niet aan de orde is, is het beroep gegrond. Nu het motiveringsgebrek in het bestreden besluit in beroep is hersteld, is dit aanleiding voor de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb, in stand te laten.

De beoordeling van de geschiktheid voor de in aanmerking genomen functies

2.21. De arbeidsdeskundige L. Wolfs heeft op grond van de door de adviserend verzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies geduid, die eiseres, gelet op de voor haar geldende medische beperkingen en haar krachten en bekwaamheden, zou moeten kunnen vervullen. Voor de schatting zijn de, als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte, functies van telefonist, receptionist, typist (SBC-code 315120), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en bode-bezorger (SBC-code 315140) als uitgangspunt genomen. De bezwaararbeidsdes¬kundige P. Leentjens heeft de duiding van functies door de primaire arbeids¬des¬kundige onderschreven. Wel heeft de bezwaararbeids¬des¬kundige de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid herzien in verband met de juiste omvang van de maatman en het juiste maatmaninkomen, zodat de mate van arbeidsonge¬schiktheid is gesteld op 38,11%, hetgeen heeft geleid tot een mate van arbeids¬ongeschiktheid van 35 tot 80% in de zin van de Wet WIA.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat eiseres in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van genoemde functies.

2.22. Daarom beslist de rechtbank als vermeld in rubriek III.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep voor zover betrekking hebbende op de WGA-uitkering niet ontvankelijk;

verklaart het beroep gegrond voor zover betrekking hebbende op de resterende verdiencapaciteit en inkomenseis en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluitonderdeel in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op EUR 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 39,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. C.M.W. Nobis in tegenwoordigheid van J.J.M. Roeters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 24 juli 2008.

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.