Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD6334

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
87410 / JE RK 08-764
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van de stichting tot verlening van een machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder voor verstandelijk gehandicapten jeugdigen.

De kinderrechter is van oordeel dat de minderjarige onder de huidige omstandigheden niet terug kan naar moeder en op dit moment het beste bij vader -de niet met het gezag belaste ouder- kan verblijven.

De kinderrechter acht een plaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder onder de huidige omstandigheden duidelijk niet in het belang van de minderjarige, nu er opvang voorhanden is bij vader.

De gevraagde machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 87410 / JE RK 08-764

Beschikking van 3 juli 2008 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[kind], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

[adres].

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder, [de moeder].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting William Schrikker Groep, mede kantoorhoudende te Amsterdam-Zuidoost. De ondertoezichtstelling loopt tot 6 april 2009.

1.2. De voornoemde stichting heeft op 24 juni 2008 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot spoeduithuisplaatsing van voornoemde minderjarige.

1.3. De machtiging tot spoeduithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.4. Bij beschikking van 24 juni 2008 verleende de kinderrechter reeds machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een accommodatie van een zorgaanbieder voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen, met ingang van 24 juni 2008 voor de duur van twee weken en heeft de kinderrechter de beslissing voor het overige aangehouden.

1.5. Op 30 juni 2008 en op 1 juli 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- de minderjarige,

- [de moeder],

- [belanghebbende],

- [belanghebbende],

- [belanghebbende],

- [vertegenwoordiger] en [vertegenwoordiger], vertegenwoordigers van de stichting.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. Vast staat dat moeder is belast met het gezag over [kind]. Voorts is gebleken dat moeder psychische problemen heeft, in de zin van suïcidale neigingen. Moeder heeft onlangs een zelfmoordpoging ondernomen. [kind] heeft lang geen contact met vader willen hebben, maar is vanwege problemen met moeder vertrokken naar vader, waar zij nu sedert anderhalve week verblijft.

2.2. Namens de stichting is gesteld dat [kind] op een neutrale plek moet worden geplaatst voor de duur van drie maanden om een persoonlijkheidsonderzoek bij [kind] te kunnen verrichten. Voorts kan er dan onderzoek worden verricht naar de gezinssystemen van de ouders en de plek bij vader worden onderzocht. Ter zitting heeft de gezinsvoogdes gezegd dat er thans nog geen plek is gevonden voor [kind] en dat de stichting overweegt om [kind] als noodoplossing voor drie weken te plaatsen in "'t Raayke". De stichting heeft nog geen standpunt over een plaatsing na die drie weken.

2.3. Vader heeft ter zitting verklaard dat hij [kind] in het verleden vaker voor korte en langere periodes, zelfs een keer zes maanden, heeft opgevangen, omdat moeder [kind] het huis uit had gezet. Voorts heeft vader verklaard dat [kind] bij hem een eigen slaapkamer heeft, dat zij vanuit zijn huis gewoon naar school kan blijven gaan en dat zij vrienden en vriendinnen bij hem kan ontvangen. Vader woont in dezelfde wijk als de moeder van [kind]. Vader heeft bovendien toegezegd dat hij [kind] voor de duur van gevraagde periode liefdevol zal opvangen en alle contacten met de hulpverlening en de onderzoeken zal toestaan en bevorderen.

2.4. Moeder betwist dat zij [kind] ooit op straat heeft gezet, wel erkent moeder dat vader in overleg een aantal keren [kind] heeft opgevangen. Moeder erkent tevens dat zij een zelfmoordpoging heeft ondernomen, waarvoor zij zich inmiddels onder behandeling heeft gesteld. Moeder ontkent dat er sprake is geweest van mishandelingen van haar jegens [kind], waardoor [kind] naar vader zou zijn vertrokken.

Door moeder is voorts ter zitting naar voren gebracht dat zij op zichzelf niets heeft tegen de (tijdelijke) plaatsing bij vader, maar dat moeder graag wil dat [kind] in het kader van de onderzoeken naar de gezinssystemen voor één maand bij vader zal verblijven en voor één maand bij moeder.

2.5. Blijkens artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de kinderrechter de stichting, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

2.6. De kinderrechter is van oordeel dat [kind] onder de huidige omstandigheden niet terug kan naar moeder en dat [kind] op dit moment het beste bij vader kan verblijven, die haar in het verleden reeds meerdere malen al dan niet voor langere periodes heeft opgevangen. [kind] heeft ook zelf gezegd het liefst bij vader te blijven tijdens de komende vakantieperiode.

De kinderrechter heeft de stichting ter zitting gesuggereerd het verzoek zodanig aan te passen, dat plaatsing bij de niet met het gezag belaste ouder zou kunnen plaatsvinden, maar de stichting heeft haar verzoek om de minderjarige te kunnen plaatsen in een accommodatie gehandhaafd, omdat de stichting vindt dat de onderzoeken, die zij voornemens zijn te laten uitvoeren, eigenlijk vanuit een neutrale plek moeten worden verricht.

De kinderrechter is van oordeel dat een dergelijke plaatsing in een accommodatie onder de huidige omstandigheden duidelijk niet in het belang van de minderjarige is, nu er voor [kind] tijdelijke opvang voorhanden is bij vader, die haar eerder ook al meerdere malen heeft opgevangen, zelfs voor de duur van zes maanden. [kind] is een meisje dat de laatste jaren veel heeft meegemaakt, het gaat thans goed op school en zij kan vanuit de woning van vader naar haar huidige school blijven gaan en bij vader haar vrienden en vriendinnen ontvangen, zodat de plaatsing in een accommodatie vanuit dat oogpunt, zeker nu de grote vakantie aanbreekt, als extra belastend moet worden beschouwd. Dit geldt temeer nu niet zeker is of, waar, wanneer en voor welke periode [kind] geplaatst kan worden in een accommodatie.

2.7. De kinderrechter zal het verzoek van de stichting, gelet op de vorenstaande overwegingen, afwijzen, nu het verzoek niet in het belang van de minderjarige kan worden geacht.

2.8. Naar het oordeel van de kinderrechter betekent zulks echter niet dat [kind] terug naar moeder kan gaan. De kinderrechter is van oordeel dat de onderzoeken die de stichting van plan is uit te laten voeren naar zich thans laat aanzien zonder bezwaar kunnen plaatsvinden terwijl [kind] bij haar vader verblijft, zeker nu deze en [kind] hun volledige medewerking aan die onderzoeken hebben toegezegd.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. wijst het verzoek van de stichting af.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.A.M. Beaumont, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 3 juli 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.