Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD5970

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
86356 / JE RK 08-504
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De minderjarige is ondertoezicht gesteld. De minderjarige is (vrijwillig) geplaatst in het gezin van de grootouders. De raad voor de kinderbescherming verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de minderjarige in het gezin van de grootouders een risico loopt. Bureau Jeugdzorg weigert een indicatie af te geven.

Grootvader is in 1989 veroordeeld wegens het begaan van een zedendelict in 1987.

De kinderrechter is van oordeel dat een dergelijke veroordeling geen absolute blokkade oplevert voor het verblijf van de minderjarige in het gezin van grootvader. Daarvoor moet gebleken zijn dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De raad voor de kinderbescherming heeft het verzoek onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaak-/rolnummer: 86356 / JE RK 08-504

Beschikking van 25 juni 2008 betreffende een jeugdbeschermingsmaatregel

in de zaak van

[de minderjarige], geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum], hierna te noemen de minderjarige.

De kinderrechter merkt naast de minderjarige en verzoeker als belanghebbenden aan:

- [de moeder],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [de vader],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- [de grootouders moederszijde],

wonende te [woonplaats],

[adres],

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

mede kantoorhoudende te 6041 HM Roermond,

Mariagardestraat 64.

Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de moeder, [de moeder].

1. Het verloop van de procedure

1.1. De minderjarige is ondertoezicht gesteld van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, mede kantoorhoudende te Venray. De ondertoezichtstelling loopt tot 6 juli 2008.

1.2. De raad voor de kinderbescherming te Roermond heeft op 24 april 2008 een verzoekschrift met bijlage(n) ingediend, strekkende tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

1.3. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht in het belang van de verzorging en de opvoeding van de minderjarige.

1.4. Op 10 juni 2008 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.

Bij de behandeling zijn verschenen:

- [de vader] (vader), bijgestaan door mr. A.J.J.D. Burhenne

- [de grootouders moederszijde] (de grootouders moederszijde), bijgestaan door mr. J.A.W.M. Vogels,

- dhr. [gezinsvoogd] (gezinsvoogd), mw. [vertegenwoordigster], dhr. [vertegenwoordiger], dhr. [vertegenwoordiger] en dhr. [vertegenwoordiger], namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

- [vertegenwoordigster] en [vertegenwoordiger], vertegenwoordigers van de raad voor de kinderbescherming.

2. De vaststellingen en overwegingen

2.1. De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige samen met de twee andere minderjarige kinderen uit het gezin ([kind] geb. [geboortedatum] en [kind] geb. [geboortedatum]) sinds januari 2007, bij de grootouders (mz) verblijft. De kinderrechter stelt voorts vast dat op 7 februari 2007 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van 14 dagen bij de grootouders is verleend, welke machtiging is verlengd tot 6 juli 2007. Na 6 juli 2007 zijn de minderjarigen in het gezin van de grootouders blijven wonen.

Naar aanleiding van het verzoek d.d. 13 maart 2007 van Rubicon Pleegzorg tot afgifte van ‘een verklaring van geen bezwaar’ ex artikel 2 Regeling Pleegzorg voor de plaatsing bij de grootouders, heeft de raad voor de kinderbescherming de grootouders justitieel gescreend. Bij besluit van 10 april 2007 heeft de raad voor de kinderbescherming geweigerd deze verklaring af te geven, omdat grootvader in 1989 is veroordeeld wegens het begaan van een zedendelict in 1987. Ongeacht het tijdsverloop wordt in geval van veroordeling wegens een zedendelict van een (pleeg)gezinslid, een dergelijke verklaring altijd geweigerd.

Naar aanleiding van een nieuw verzoek, nu door de grootouders, tot afgifte van ‘een verklaring van geen bezwaar’ op 23 januari 2008, heeft de raad voor de kinderbescherming opnieuw geweigerd zo’n verklaring af te geven. Tegen dit besluit hebben de grootouders een bezwaarschrift ingediend, welke procedure nog niet is afgerond.

Met betrekking tot het onderhavige verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor pleegzorg heeft de stichting geen indicatiebesluit genomen.

De raad voor de kinderbescherming beoogt met een dergelijke machtiging een einde te maken aan het verblijf van de minderjarige in het gezin van de grootouders en de minderjarige door de stichting te doen plaatsen in een pleegzorgvoorziening.

2.2. De raad voor de kinderbescherming heeft ter onderbouwing van het verzoek tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor pleegzorg gesteld dat de raad de plaatsing bij de grootouders niet in het belang van de minderjarige acht, nu de minderjarige in het gezin een risico loopt. Deze risico’s worden in het kader van ambulante zorg niet helemaal weggenomen. De raad voor de kinderbescherming stelt dat de strafbare feiten gepleegd door grootvader door het gehele gezinssysteem worden ontkend en gebagatelliseerd, terwijl de aard van het delict zeer ernstig is en ook na lange tijd (21 jaar) voor het verblijf van de kinderen relevant is. De feiten zijn niet eerder aan de kinderrechter voorgelegd.

2.3. Namens de stichting is naar voren gebracht dat de minderjarige om gegronde redenen is geplaatst bij de grootouders. De weigering van de raad voor de kinderbescherming tot het afgegeven van ‘een verklaring van geen bezwaar’ is uitgebreid intern en in het netwerk van het gezin besproken. Benadrukt wordt dat beantwoording van de vraag tot afgifte van een verklaring tot geen bezwaar een andere toetsing kent dan de vraag of de minderjarige bij de grootouders mag blijven. Voor de plaatsing van de minderjarige bij de grootouders heeft de stichting een zorgvuldige afweging gemaakt. De plaatsing is tevens diverse keren geëvalueerd in het multidisciplinair overleg, waarbij ook het netwerk is betrokken. De stichting handhaaft het standpunt dat de kinderen kunnen verblijven in het gezin van de grootouders en daar het best op hun plaats zijn.

2.4. Mr. Vogels heeft namens de grootouders gesteld dat toewijzing van het verzoek van de raad voor de kinderbescherming leidt tot een schadelijk ingrijpen in een situatie die deugt en goed is voor de ontwikkeling van de minderjarige. Bij een uithuisplaatsing worden de kinderen waarschijnlijk uit elkaar gehaald en bij vreemden geplaatst, als er al een pleeggezin wordt gevonden. Er komt dan een verhevigde hechtingsproblematiek aan de orde, terwijl het over kwetsbare kinderen gaat die al te veel aan onthechting hebben meegemaakt. In het gezin van de grootouders wordt gewerkt aan veiligheid en structuur. De minderjarige heeft een sterke band met de grootouders. De signalen van de stichting, de huisarts, de school en de wijkagent zijn onverdeeld positief. Het is rechtuit onverstandig de kinderen uit deze omgeving weg te halen.

Door mr. Vogels wordt voorts gesteld dat de raad voor de kinderbescherming niet heeft onderbouwd waarin de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd in de huidige situatie. De aangifte die tegen grootvader is gedaan, is later ingetrokken – zonder effect op de strafzaak, nu het een minderjarige betrof. De zoon waar de betreffende zedenveroordeling over ging, woont nog steeds bij de grootouders en wordt, met zijn visuele handicap, door hen verzorgd. Er komen voorts geen signalen naar voren dat er een seksuele lading kan spelen in de verhouding van de volwassenen naar de minderjarige.

2.5. Mr. Burhenne heeft namens vader naar voren gebracht dat vader achter de plaatsing bij de grootouders staat. De minderjarige heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt en vader herkent grootvader niet in de veroordeling. De beslissing van de raad voor de kinderbescherming is enkel genomen op basis van beleidsregels, terwijl alle betrokken instanties positief zijn over de plaatsing bij de grootouders.

2.6. Blijkens artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, kan de kinderrechter de stichting, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of van het openbaar ministerie.

Blijkens het tweede lid van dit artikel dient bij het onderhavige verzoek een indicatiebesluit van de stichting te worden overgelegd.

Blijkens het vierde lid van dit artikel kan de kinderrechter eveneens een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat daarbij een indicatiebesluit wordt overgelegd, indien het verzoek daartoe wordt gedaan door de raad voor de kinderbescherming en de stichting geen indicatiebesluit strekkende tot uithuisplaatsing neemt. In deze gevallen wordt bij het verzoek vermeld voor welke verblijfplaats de machtiging wordt gevraagd. Indien de kinderrechter deze machtiging verleend, is de stichting gehouden deze ten uitvoer te leggen, tenzij de raad voor de kinderbescherming met niet-tenuitvoerlegging instemt.

2.7. De kinderrechter is van oordeel dat terecht door alle betrokkenen stilgestaan wordt bij de vraag of het verantwoord is dat de minderjarige verblijft in het gezin van grootvader die veroordeeld is wegens een zedendelict. Met de raad voor de kinderbescherming is de kinderrechter van oordeel dat een dergelijke veroordeling ook na 21 jaar voor het verblijf van de minderjarige in het gezin relevant is. Echter, een dergelijke veroordeling levert geen absolute blokkade op voor het verblijf van de minderjarige in het gezin van grootvader. Daarvoor moet gebleken zijn dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De kinderrechter overweegt hierbij dat de raad voor de kinderbescherming bij de onderbouwing van het verzoek heeft verwezen naar een veroordeling van grootvader ter zake een zedendelict dat 21 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Alhoewel de raad voor de kinderbescherming stelt dat er sprake is geweest van een ernstig zedendelict heeft de raad desgevraagd de ernst van het delict niet geconcretiseerd. De kinderrechter stelt verder vast dat door de grootouders onweersproken is gesteld, dat het delict destijds weliswaar aanleiding is geweest voor een uithuisplaatsing van de eigen kinderen, echter dat deze na enkele maanden weer in het gezin zijn teruggekeerd. Ook het slachtoffer van het zedendelict is in het gezin van grootouders opgegroeid en daar nog steeds woonachtig. Voorts is door de raad voor de kinderbescherming geen enkel onderzoek verricht naar de huidige situatie, terwijl gebleken is dat de stichting een weloverwogen beslissing heeft genomen om de minderjarige te plaatsen bij de grootouders, dat deze plaatsing meerdere keren is geëvalueerd en dat door de stichting na een zorgvuldig afwegingsproces is geconcludeerd dat het goed gaat met de minderjarige in de huidige gezinssituatie.

De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek van de raad voor de kinderbescherming moet worden afgewezen.

3. De beslissing

De kinderrechter

3.1. wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.J.M. Wassenberg, kinderrechter, en ter openbare terechtzitting van 25 juni 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.