Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD5824

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
01-07-2008
Zaaknummer
82987 / FA RK 07-1513
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de termijn van 12 jaar. Een enkele terugval in inkomen dient in de regel niet tot verlenging van die termijn te leiden. De vrouw heeft niet gesteld noch is gebleken dat zij met het wegvallen van de partnerbijdrage niet meer in staat is in haar kosten van levensonderhoud te voorzien. Ook heeft de vrouw niet gesteld noch is gebleken dat zij er na de echtscheiding alles aan heeft voldaan om een eigen inkomen te verwerven waarmee zij eigen pensioenrechten had kunnen opbouwen. Het verzoek tot verlenging wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2008, 90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

Zaaknummer : 82987 / FA RK 07-1513

Beschikking van 25 juni 2008 betreffende alimentatie

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de vrouw,

procureur: mr. J.B.T. van 't Grunewold;

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen de man,

procureur: mr. M.M. Setiaman.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Dit blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 7 november 2007;

- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 7 maart 2008;

- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008 en waarbij zijn verschenen:

- partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op grond van de overgelegde - niet weersproken - producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

2.2. Deze rechtbank heeft op 27 april 1995 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 11 augustus 1995 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Bij uitspraak van deze rechtbank van 28 maart 1996 heeft de rechtbank met ingang van de datum van de uitspraak een uitkering tot levensonderhoud aan de man opgelegd van DM 4.500,= per maand. Per 1 januari 2007 bedraagt die uitkering EUR 2.951,59 per maand. Partijen zijn onderling overeengekomen dat de man vanaf augustus 2006 EUR 2000,= per maand zal betalen. Met ingang van 12 augustus 2007 betaalt de man geen bijdrage meer.

3. Het verzoek

3.1. De vrouw verzoekt tot vaststelling van een nieuwe onderhoudstermijn voor de man met bepaling dat die termijn voor verlenging vatbaar is.

3.2. De vrouw stelt dat ongewijzigde handhaving van de wettelijke termijn van 12 jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd gelet op de forse achteruitgang in inkomen daardoor.

4. Het verweer

4.1. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in het verzoek, althans tot afwijzing daarvan, kosten rechtens, en voert daartoe aan dat niet voldaan wordt aan het wettelijk criterium op grond waarvan een nieuwe onderhoudstermijn mogelijk is. De man betwist voorts de behoefte van de vrouw. Zij heeft voldoende eigen inkomsten. De draagkracht van de man staat voorts niet langer betaling van de voorheen geldende bijdrage toe.

5. De beoordeling

5.1. Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt, indien de rechter geen termijn heeft vastgesteld, de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.2. Indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van die termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, kan de rechter op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de termijn na ommekomst daarvan mogelijk is (lid 5 van voormeld artikel).

5.3. In dit geval is de echtscheidingsuitspraak op 11 augustus 1995 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De onderhoudsverplichting van de man is dus op 11 augustus 2007 geëindigd.

De vrouw heeft op 7 november 2007, dus tijdig binnen de termijn van drie maanden na de beëindiging, een verzoek ingediend om alsnog een termijn vast te stellen. De vrouw kan dus worden ontvangen in haar verzoek.

5.4. De vrouw heeft gesteld dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Zij stelt daartoe dat zij thans nog slechts beschikt over een AOW-uitkering en een klein ABP-pensioen. Zij ontvangt deze sinds augustus 2004, de maand waarin zij 65 is geworden.

5.5. De rechtbank is van oordeel dat de enkele terugval in inkomen in de regel niet dient te leiden tot een verlenging van de termijn. Doel van de wettelijke regeling is de alimentatieplicht in tijdsduur te beperken. Dit kan volgens de memorie van toelichting ook gelden als er sprake is van een blijvende behoefte. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan van deze regel worden afgeweken. Het is aan de vrouw ter zake voldoende te stellen en zonodig te bewijzen. De bedoeling van de termijn van 12 jaar is dat de onderhoudsgerechtigde probeert zelf in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich geleidelijk voor te bereiden op een leven zonder financiële afhankelijkheid van de man.

5.6. De rechtbank ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding van de hoofdregel af te wijken. Weliswaar is momenteel sprake van een forse inkomensteruggang aan de zijde van de vrouw, maar zij heeft niet gesteld noch is gebleken dat zij, met het wegvallen van de partnerbijdrage, niet meer in staat is in haar kosten van levensonderhoud te voorzien.

5.7. Zij ontvangt immers een AOW-uitkering van EUR 788,81 netto per maand, een ABP pensioen van EUR 154,84 netto per maand en een voorschot op de pensioenverevening van de man van EUR 500,= per maand. Over de pensioenverevening loopt nog een procedure in Duitsland. Mogelijk heeft de vrouw ter zake recht op een uitkering van in totaal ca. EUR 1.500,= per maand. Daarnaast heeft de vrouw een aanzienlijk vermogen waarover zij een rendement kan behalen. Onlangs heeft zij nog een uitkering uit een levensverzekering ontvangen van EUR 146.000,=. Het feit dat de man ter zake ook een bedrag heeft ontvangen doet aan de vraag naar de behoefte van de vrouw niet af.

5.8. Nog afgezien van bovenstaande heeft de vrouw niet gesteld noch is gebleken dat zij na de echtscheiding alles heeft gedaan een eigen inkomen te verwerven waarmee zij eigen pensioenrechten had kunnen opbouwen. Ook om die reden dient haar verzoek te worden afgewezen. De rechtbank beslist dan ook zoals hierna bepaald.

5.9. De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst het verzoek af;

6.2. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.C.G. Brants, mr. J.J.M. Wassenberg en

mr. M.M.T. Coenegracht en ter openbare civiele terechtzitting van 25 juni 2008 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

tn

Tegen deze uitspraak kan beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze uitspraak is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van de uitspraak of nadat de uitspraak hun op andere wijze bekend is geworden.