Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD5482

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
25-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
04/851096-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gijzeling Echt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/851096-07

Uitspraak d.d. : 25 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [plaats]

thans gedetineerd in [detentieadres]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 en 11 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat op grond van een nadere omschrijving tenlastelegging en door de rechtbank taalkundig aangepast, terecht ter zake dat:

zij in of omstreeks de periode van 23 november 2007 tot en met 24 november 2007 in de gemeente(n) Echt-Susteren en/of Roermond, in elk geval in het arrondissement Roermond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, bestaande uit:

- het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, binnendringen in de woning (te Berkelaar, gemeente Echt-Susteren) waar die [slachtoffer 1] zich bevond en/of

- het slaan van althans duwen tegen die [slachtoffer 1] en/of

- het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer 1] en/of

- het tapen althans vastbinden van de handen van die [slachtoffer 1] en/of

- het afplakken van de mond van die [slachtoffer 1] en/of

- het afdekken van het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- het dwingen van die [slachtoffer 1] om in een auto plaats te nemen en/of

- het in die auto slaan en of bedreigen van die [slachtoffer 1] en/of

- het afplakken van de ogen van die [slachtoffer 1] en/of

- het met die auto overbrengen van die [slachtoffer 1] naar een hotel te Roermond en/of

- het overbrengen van die [slachtoffer 1] naar een kamer van dat hotel en/of

- het vastbinden van de benen van die [slachtoffer 1] met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, te weten het betalen van Euro 20.000,--, in elk geval van een hoeveelheid (los)geld, bestaande uit het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, telefonisch contact opnemen met die [slachtoffer 2] en tegen die [slachtoffer 2], zeggen dat hij Euro 20.000,--, in elk geval een hoeveelheid (los)geld, moest betalen als hij zijn vriendin ([slachtoffer 1]) terug wou zien en hij niet de politie en/of vrienden mocht inschakelen en indien hij niet zou betalen zijn vriendin in het kanaal zou worden gegooid en/of zou worden vermoord omdat hij/zij verdachte(n) toch niks te verliezen had(den), in elk geval woorden van soortgelijke aard of strekking. (Artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 11 juni 2008 gevorderd dat het ten laste gelegde feit zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte primair dient te worden vrijgesproken subsidiair dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

7.3 De bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

7.3.1 De Bewijsmiddelen

- De verklaring die verdachte tijdens de terechtzitting van 3 juni 2008 heeft afgelegd, onder meer het volgende inhoudende.

Op de avond van 22 november 2007 was verdachte samen met haar man [medeverdachte 1] in hun woning op het asielzoekerscentrum (AZC) te Echt. [medeverdachte 1] was toen nerveus en hij gebruikte drugs. [medeverdachte 1] vertelt dat hij de hen bekende [slachtoffer 1] zou gaan ontvoeren. In de ochtend van 23 november 2007 zweert [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] gaat ontvoeren. Verdachte zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij [slachtoffer 1] niets moet aandoen. Later op die middag gaat [medeverdachte 1] met verdachtes zoon [medeverdachte 4] en de verdachte bekende [medeverdachte 3] met de auto van [medeverdachte 1] weg. Aan het eind van de middag ziet verdachte de auto van [slachtoffer 1] op het AZC staan en zij vermoedt dat er iets is gebeurd. Kort daarna brengt [medeverdachte 4] verdachte en haar twee kinderen naar een hotel in Roermond. Tijdens de rit naar het hotel vertelt [medeverdachte 4] dat [slachtoffer 1] is ontvoerd. In Roermond betrekt verdachte een kamer in hotel Roermond. Later verneemt verdachte dat [slachtoffer 1] in dat hotel wordt vastgehouden.

- De verklaring die verdachte op 12 december 2007 tegenover de politie heeft afgelegd, onder meer het volgende inhoudende. Verdachte verklaart dat zij op 24 november 2007 tijdens haar verblijf in hotel Roermond diverse malen met haar man [medeverdachte 1] telefonisch contact heeft gehad en dat onder meer het volgende is besproken. Verdachte heeft [medeverdachte 1] gebeld en heeft hem gevraagd of hij een telefooncel aan het zoeken was en of hij hem ging zeggen dat hij haar had ontvoerd. Verder verklaart verdachte dat zij daarna [medeverdachte 1] een keer heeft gebeld en heeft gevraagd wat hij had gedaan en dat [medeverdachte 1] vertelde dat hij met de man, [slachtoffer 2], had gesproken en dat hij de stem van [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 2] had laten horen. Verdachte verklaart ook nog dat zij [medeverdachte 4], die op de kamer van [slachtoffer 1] verblijft, heeft gevraagd of ze [slachtoffer 1] te eten hadden gegeven en zegt dat [slachtoffer 1] iets kan overkomen en dood kan gaan.

- De verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte 1] op 24 en 25 november 2007 tegenover de politie heeft afgelegd, onder meer inhoudende dat hij op vrijdag 23 november 2007 naar het huis van [slachtoffer 1] in Berkelaar gaat. [slachtoffer 1] doet de deur open waarna hij naar binnen gaat, haar vastpakt en tape over haar mond plakt. Hierna doet hij de capuchon van zijn jas over haar hoofd, wordt zij in de laadbak van haar auto gezet waarna hij haar naar een hotel vlakbij het station in Roermond brengt. Medeverdachte [medeverdachte 3], verdachte en haar kinderen zijn ook in het hotel. Op zaterdag 24 november 2007 belt hij, onder meer vanuit een telefooncel, [slachtoffer 2] en zegt dat deze geld moet brengen. [slachtoffer 1] verblijft in één van de twee met een schuifdeur gescheiden ruimten in een appartement. Overdag zit zij met vastgebonden handen en benen en geblinddoekt op een stoel en ’s nachts ligt zij op bed.

- De verklaringen die aangeefster [slachtoffer 1], wonende te Echt, tegenover de politie heeft afgelegd .

Zij verklaart dat zij op vrijdag 23 november 2007 in de woning te Echt is, als er omstreeks 16.15 uur wordt aangebeld. Zij opent de deur, ziet de haar bekende [medeverdachte 1] voor de deur staan die vervolgens naar binnen stormt. Hij pakt haar bij de bovenarmen en duwt haar naar achteren. Op dat moment ziet zij nog twee mannen naar binnen komen. Zij probeert zich te verweren maar zij valt achterover op haar rug terwijl [medeverdachte 1] haar nog vasthoudt. Zij voelt een stoot op de linkerzijde van haar gezicht. Zij voelt dat zij haar benen niet meer kan bewegen en zij ziet en voelt dat haar beide handen met tape bij elkaar worden gebonden. Vervolgens wordt tape op haar mond aangebracht. Dan wordt zij omhooggetrokken en krijgt zij iets over haar hoofd. Vervolgens merkt zij dat zij in een auto ligt met haar hoofd op iemands schoot. Daarna gaat de auto rijden en op een gegeven moment stopt deze. Zij hoort portieren open- en dichtslaan. Zij hoort niets meer en probeert overeind te komen. Zij hoort iemand de auto inkomen en voelt dat zij een klap tegen het hoofd krijgt. Zij hoort [medeverdachte 1] tegen haar zeggen dat zij dat niet meer moet proberen anders schiet hij meteen een gat in haar hoofd. Vervolgens voelt zij dat zij wordt neergeduwd en iets over haar hoofd wordt gelegd. Hierna wordt een stuk tape over haar ogen en een extra stuk tape over haar mond geplakt. Vervolgens wordt er weer met de auto gereden. Nadat er gestopt is, wordt zij de auto uitgeduwd en zij voelt dat er rechts en links naast haar iemand staat en dat zij wordt vastgepakt. Zij wordt vooruit getrokken en zij hoort dat een deur wordt geopend. Omdat daarna de eerder aanwezige straatgeluiden wegvallen, begrijpt zij dat zij in een gebouw is. Op een gegeven moment zegt [medeverdachte 1] dat zij stil moet zijn en ze wordt op een stoel gezet. Hierna merkt ze dat haar enkels bij elkaar worden gebonden. Aan het praten, merkt ze dat er drie personen zijn. Zij mag de nacht op het bed doorbrengen en zij merkt dat er iemand op de kamer is en blijft. De volgende dag zegt [medeverdachte 1] tegen haar dat zij [slachoffer 2], haar partner, moet bellen en dat zij tegen hem moet zeggen dat zij ontvoerd is en dat [slachtoffer 2] vandaag € 20.000,00 moet klaarleggen. Op het moment dat zij [slachtoffer 2] belt, raakt [medeverdachte 1] in paniek, neemt de telefoon af en gaat weg. Korte tijd later komt [medeverdachte 1] terug en zegt dat hij [slachtoffer 2] heeft gesproken. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij de stem van [slachtoffer 1] wilde horen. [medeverdachte 1] belt [slachtoffer 2] en houdt de telefoon bij het oor van [slachtoffer 1]. Aangeefster spreekt even met [slachtoffer 2] en [medeverdachte 1] neemt het gesprek over. [medeverdachte 1] gaat weg en komt even later terug. Kort daarna hoort zij roepen: “Politie, politie” en komt een man naast haar staan die zegt dat hij van de politie is. Ze wordt dan losgemaakt.

- Het proces-verbaal inhoudende dat de politie na de melding van de vermissing van [slachtoffer 1], verder aangeduid als [slachtoffer 1] vanuit het pand Swaantjesweg 19 Berkelaar, gemeente Echt-Susteren, naar dat pand gaat en daar onder meer de vriend van [slachtoffer 1], genaamd [slachtoffer 2] aantreft. Verder bevat dat proces-verbaal het overzicht met zaaksrelevante telefoongesprekken en de inhoud van het telefoongesprek dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 24 november 2007 te 13.37 uur voert met [slachtoffer 2]. In dat gesprek zegt [medeverdachte 1] dat ze de vriendin van [slachtoffer 2] hebben en dat [slachtoffer 2], wil hij zijn vriendin terugzien, € 20.000 moet betalen. [medeverdachte 1] dreigt dat als [slachtoffer 2] niet betaalt of de politie of vrienden belt, hij [slachtoffer 1] in het kanaal gooit omdat hij toch niets te verliezen heeft.

7.3.2 Het verweer van de raadsman

De raadsman heeft naar voren gebracht dat de activiteiten van verdachte in het ten laste gelegde feitencomplex niet kunnen worden aangemerkt als medeplegen. Er is volgens de raadsman geen sprake van een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Bovendien was er geen sprake van een gelijkwaardige verhouding tussen de deelnemers.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

Tijdens de terechtzitting van 3 juni 2007 heeft verdachte verklaard dat zij op de avond van 22 november 2007 al wist dat [medeverdachte 1] voornemens was [slachtoffer 1] te gaan ontvoeren. In de ochtenduren van 23 november 2007 zweert [medeverdachte 1] dat hij het gaat doen. In de namiddag van 23 november 2007 gaat verdachte samen met haar zoon [medeverdachte 4] en haar twee andere kinderen naar hotel Roermond te Roermond en schrijft daar in onder haar meisjesnaam. Onderweg vertelt [medeverdachte 4] dat [slachtoffer 1] is ontvoerd, zodat verdachte op dat moment in ieder geval op de hoogte is van de wederechtelijke vrijheidsbeneming van [slachtoffer 1]. De dag daarna, als zij inmiddels weet dat [slachtoffer 1] ook in hotel Roermond verblijft, vraagt zij aan [medeverdachte 1] wat hij gaat doen: ze vraagt of hij de partner van [slachtoffer 1] gaat benaderen en gaat zeggen dat hij, [medeverdachte 1], haar heeft ontvoerd. Daarna vraagt verdachte aan [medeverdachte 1] wat hij heeft gedaan en zij vraagt haar zoon [medeverdachte 4] of zij [slachtoffer 1] te eten hebben gegeven (zie noot 1). Ter zitting heeft de rechtbank aan verdachte gevraagd met welk voornemen zij nu zo plotseling het AZC verliet en zich inschreef in een nabij gelegen hotel en wat dan de verdere plannen zouden zijn geweest. Verdachte heeft zich vervolgens beroepen op haar zwijgrecht. Verder overweegt de rechtbank dat verdachte nog op de zaterdagochtend, dus terwijl ze wist dat [slachtoffer 1] werd vastgehouden, naar Maastricht is gegaan om daar de van het slachtoffer gestolen sieraden te verkopen.

Gelet op deze genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het aandeel van verdachte kan worden geduid als een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering bij het ten laste gelegde feit en dat er derhalve sprake is van medeplegen. Dat verdachte zelf geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd, doet daar niets aan af. Daarbij overweegt de rechtbank tevens dat verdachte zich op geen enkele wijze van de gijzeling heeft gedistantieerd, hoewel ze daartoe zowel nog voor aanvang van de gijzeling, bijvoorbeeld door [slachtoffer 1] meteen toen ze van het voornemen van haar man op de hoogte raakte te waarschuwen, maar ook tijdens de gijzeling nog tal van mogelijkheden heeft gehad. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 23 november 2007 tot en met 24 november 2007 in de gemeenten Echt-Susteren en Roermond tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden bestaande uit:

- het tezamen en in vereniging met anderen binnendringen in de woning (te Berkelaar, gemeente Echt-Susteren) waar die [slachtoffer 1] zich bevond en

- het duwen tegen die [slachtoffer 1] en

- het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer 1] en

- het tapen van de handen van die [slachtoffer 1] en

- het afplakken van de mond van die [slachtoffer 1] en

- het afdekken van het hoofd van die [slachtoffer 1] en

- het dwingen van die [slachtoffer 1] om in een auto plaats te nemen en

- het in die auto slaan en bedreigen van die [slachtoffer 1] en

- het afplakken van de ogen van die [slachtoffer 1] en

- het met een auto overbrengen van die [slachtoffer 1] naar een hotel te Roermond en

- het overbrengen van die [slachtoffer 1] naar een kamer van dat hotel en

- het vastbinden van de benen van die [slachtoffer 1],

met het oogmerk een ander, te weten [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, te weten het betalen van Euro 20.000,--, bestaande uit het tezamen en in vereniging met anderen telefonisch contact opnemen met die [slachtoffer 2] en tegen die [slachtoffer 2], zeggen dat hij Euro 20.000,--, moest betalen als hij zijn vriendin ([slachtoffer 1]) terug wou zien en hij niet de politie en/of vrienden mocht inschakelen en indien hij niet zou betalen zijn vriendin in het kanaal zou worden gegooid en/of zou worden vermoord omdat hij toch niks te verliezen had, in elk geval woorden van

soortgelijke aard of strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf: medeplegen van gijzeling

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 282a juncto 47 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte niet strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van het feit dat verdachte door psychische overmacht daartoe werd gedwongen. Verdachte heeft psychische dwang van medeverdachte [medeverdachte 1] ervaren en aan die dwang kon zij onmogelijk weerstand bieden. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van psychische overmacht. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van de voor psychische overmacht vereiste prangende omstandigheden. Niet is gebleken van een dusdanige dwang waaraan verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden. Immers, uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat door [medeverdachte 1] druk op verdachte om mee te doen, is uitgeoefend. Uit de verklaring van verdachte die zij tegenover de politie heeft afgelegd, blijkt dat zij degene is die diverse malen telefonisch contact opneemt met [medeverdachte 1] en uit de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken blijkt ook niet van enige druk zijdens [medeverdachte 1]. Verdachte is gedurende de tijd dat zij op de hoogte van de gijzeling is geweest vele malen in de gelegenheid geweest om zich te onttrekken aan het handelen van haar medeverdachten. Zo verbleef [medeverdachte 1] regelmatig in een andere hotelkamer dan in die waar verdachte verbleef en is verdachte op 24 november 2008 zonder [medeverdachte 1] in Maastricht geweest. De stelling van de verdediging dat verdachte een zodanige mogelijkheid niet heeft gehad, is derhalve niet aannemelijk geworden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer op psychische overmacht.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straf

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 11 juni 2008 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd dat verdachte ter zake van de ten laste gelegde gijzeling zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van zes jaren met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat deze naar de mening van de verdediging, gelet op de weinige ondersteunende handelingen die verdachte tijdens de gijzeling heeft verricht, veel te hoog is; een zoveel mogelijk

voorwaardelijke vrijheidsstraf ligt meer in de rede.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Ten laste van verdacht is bewezen verklaard een gijzeling, gepleegd door meerdere personen, waarbij [slachtoffer 1] op ruwe wijze uit haar woning is gehaald, geruime tijd geblinddoekt in de achterbak van een auto heeft gelegen, waarna mevrouw gedurende bijna 24 uur geblinddoekt en vele uren vastgebonden op een stoel in een hotelkamer heeft doorgebracht. Dit alles met het oogmerk geld af te persen.

[slachtoffer 1] heeft in haar aangifte gerelateerd hoe zij die gijzeling heeft ervaren en tijdens de terechtzitting van 3 juni 2008 heeft zij, gebruikmakend van haar spreekrecht, naar voren gebracht welke de psychische gevolgen van de gijzeling voor haar zijn geweest en nog steeds zijn. Zij geeft aan dat zij tijdens de gijzeling doodsangsten heeft uitgestaan nadat een van de verdachten die haar hadden gegijzeld en die zij ook kende, haar had gezegd haar te zullen doden omdat hij toch niets te verliezen had. [slachtoffer 1] geloofde die bedreiging, immers zij kende één van de ontvoerders en had derhalve de gedachte dat hij haar zou doden vanwege haar kennis van zijn identiteit.

De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat ondanks haar door de jaren heen opgebouwde vertrouwensband met het slachtoffer [slachtoffer 1], verdachte terwijl ze in de gelegenheid is geweest deze gijzeling te voorkomen, niets daartoe heeft gedaan. Ook haar minderjarige zoon die na een afwezigheid van langere duur weer eens op bezoek was bij haar, heeft ze zijn gang laten gaan als medepleger, terwijl ze als moeder toch een bijzondere verantwoordelijkheid heeft.

De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hiervoor vermelde onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.

Alle omstandigheden in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren dient te worden opgelegd en acht zij een lagere en (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf niet geïndiceerd.

10.4 In beslaggenomen voorwerpen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer in beslaggenomen zijn geld, 1 stuk papier met het opschrift 5361 en een simkaart.

Nu met betrekking tot deze voorwerpen niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dienen deze voorwerpen te worden teruggegeven aan degene(n) aan wie deze toebehoren, dan wel onder wie deze zijn in beslag genomen. Aangezien de in beslag genomen voorwerpen onvoldoende zijn verfeitelijkt en in deze zaak meerdere soortgelijke voorwerpen zijn in beslaggenomen, kan de rechtbank niet beoordelen aan wie de voorwerpen toebehoren en ook niet onder wie deze zijn in beslaggenomen. De rechtbank zal daarom gelasten dat de voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n).

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht: 10, 27, 47, 282a.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van drie jaren;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de in beslaggenomen nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten geld, 1 stuk papier met het opschrift 5361 en een simkaart.

Vonnis gewezen door mrs. J.J.M. Wassenberg, N.J.M. Ruyters en A.R.J. Vos, van wie mr. N.J.M. Ruyters voorzitter, in tegenwoordigheid van J.A.H. Bicker als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 25 juni 2008.

typ: JBIC