Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD5430

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
25-06-2008
Zaaknummer
84801 / HA ZA 08 - 132
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betekeningsperikelen. Geen sprake van het prijsgeven van de woonstede zoals bedoeld in artikel 1:11 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 84801 / HA ZA 08-132

Vonnis in incident van 21 mei 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats A] (Duitsland),

opposant in de hoofdzaak

eiser in het incident,

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IFN FINANCE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geopposeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

procureur mr. H.J.J.M. van der Bruggen.

Partijen zullen hierna [eiser] en IFN genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het exploot van verzetdagvaarding d.d. 15 februari 2008 tevens houdende een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring,

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [eiser] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en bepaalt dat [eiser] zal worden ontheven van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij verstekvonnis door de rechtbank Roermond op 19 december 2007 met zaaknummer 83367 / HA ZA 07-952. IFN voert verweer.

2.2. [eiser] stelt dat zijn woonplaats zich te [woonplaats A] (Duitsland) bevindt en niet te [woonplaats B], gemeente [plaatsnaam] (Limburg). IFN had [eiser] daarom dienen te dagvaarden te [woonplaats A] (Duitsland) in plaats van te [woonplaats B]. Aangezien hij aldus - naar eigen zeggen - geen bekende woon- en verblijfplaats in Nederland heeft en IFN gevestigd is te Rotterdam, is de rechtbank Rotterdam bevoegd om over het geschil in de hoofdzaak te oordelen en niet de rechtbank Roermond.

2.3. Nu [eiser] heeft gesteld dat hij IFN op 21 juli 2007 per e-mail heeft bericht dat hij verhuisd is, houdt de rechtbank het ervoor dat [eiser] in ieder geval tot 21 juli 2007 zijn woonstede (en daarmee zijn woonplaats) in [woonplaats B] heeft gehad. De vraag die dan rijst is of [eiser] zijn woonstede heeft prijsgegeven.

2.4. Lid 1 van artikel 1:11 BW bepaalt dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven en lid 2 bepaalt dat iemand wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken gemeentebesturen kennis heeft gegeven.

2.5. In voormelde e-mail van 21 juli 2007 heeft [eiser] aan IFN bericht: “Deze brief zal wegens omstandigheden niet aankomen, mijn nieuwe adres is [adres] te D-[postcode] [woonplaats A]”. De rechtbank deelt het standpunt van IFN dat uit deze e-mail niet onmiskenbaar volgt dat [eiser] zijn woonstede heeft willen prijsgeven. Voorts zijn door [eiser] geen nadere aanknopingspunten aangedragen waaruit zulks wel blijkt. [eiser] heeft zich daarnaast niet laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [plaatsnaam], zodat IFN op grond daarvan ook niet kon vermoeden dat [eiser] zijn woonstede had verplaatst naar [woonplaats A]. Derhalve kon naar het oordeel van de rechtbank IFN [woonplaats B] als woonstede van [eiser] aanmerken ten tijde van het uitbrengen van haar inleidende dagvaarding d.d. 19 december 2007. De stelling van [eiser] dat hij werkzaam is in Duitsland doet hieraan niet af. Immers, het werkzaam zijn in Duitsland sluit niet uit dat men hier ten lande zijn woonstede heeft, zoals bijvoorbeeld te [woonplaats B] (nabij de Duitse grens gelegen).

2.6. Nu [eiser] geacht wordt (ook) zijn woonstede te hebben (gehad) te [woonplaats B] ten tijde van uitbrengen van de inleidende dagvaarding is de rechtbank bevoegd over het geschil in de hoofdzaak te oordelen. De incidentele vordering van [eiser] wordt dan ook afgewezen.

2.7. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] strekkende tot ontheffing van de veroordeling tegen hem uitgesproken bij verstekvonnis van 19 december 2007 eveneens af, omdat de beoordeling daarvan -voorzover nodig- in de hoofdzaak plaatsvindt en niet reeds bij de beoordeling van onderhavig incident.

2.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het incident, aan de zijde van IFN tot op heden begroot op EUR 452,- ,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 juli 2008 voor conclusie van antwoord in oppositie zijdens IFN.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.?