Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD5214

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
08 / 588 BESLU V1 en 08 / 589 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoeker had een aanvraag ingediend voor gebruik van een terrein als heliterrein als bedoeld in artikel 5, zesde lid, van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen (Bignal; een maatregel van bestuur op grond van artikel 14, tweede lid, van de Luchtvaartwet). Die aanvraag is bij primair besluit onder voorwaarden gehonoreerd door afgifte van de daarvoor vereiste verklaring van geen bezwaar. Naar aanleiding van bezwaren van omwonenden heeft verweerder (Burgemeester van de gemeente Leudal) bij besluit op bezwaar het primaire besluit gehandhaafd met dien verstande dat de grondslag is gewijzigd in artikel 7, derde lid en onder g, van het Bignal. Dat betekent dat de verklaring van geen bezwaar geldt voor een helihaven in plaats van voor een heliterrein, waarvoor meer en andere voorwaarden gelden (vrijstelling bestemmingsplan; milieuvergunning) en als gevolg waarvan er geen helicopterbewegingen meer mogen plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht.

Procedurenr. : 08 / 588 BESLU V1 en 08 / 589 BESLU

Inzake : [verzoeker] BV, Dhr [verzoeker] & Mw. [echtgenote verzoeker], gevestigd te [plaats], verzoekers,

tegen : De Burgemeester van de gemeente Leudal, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit ter zake waarvan een voorlopige voorziening wordt gevraagd:

De brief d.d. 1 april 2008.

Datum van behandeling ter zitting: 23 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekers, gericht tegen de verlening van een verklaring van geen bezwaar ingevolge artikel 5 van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen (Bignal), gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen dit besluit is namens verzoekers door hun gemachtigde mr. G.A.M. van de Wouw bij schrijven van 10 april 2008 een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft gemachtigde van verzoekers zich tot de rechtbank gewend met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, 1 van de Awb zijn [vijf belanghebbenden] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. [twee belanghebbenden] (hierna te noemen: belanghebbende partijen) hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan gemachtigde van verzoekers gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 april 2008, waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. Van de Wouw voornoemd, waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.E.G.H. Stevens en waar belanghebbenden in persoon zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Wettelijk kader

Artikel 14 van de Luchtvaartwet luidt:

“1. Het is verboden binnen Nederland:

a. met een luchtvaartuig op te stijgen of een luchtvaartuig te doen opstijgen anders dan van een luchtvaartterrein;

b. met een luchtvaartuig te landen of een luchtvaartuig te doen landen anders dan op een luchtvaartterrein;

c. een niet als luchtvaartterrein aangewezen terrein in te richten voor het opstijgen en landen van luchtvaartuigen.

2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet:

a. in de gevallen, aangegeven bij algemene maatregel van bestuur;

b. indien en voor zover Onze Minister ontheffing heeft verleend.”

De in het tweede lid van dit artikel genoemde maatregel van bestuur is het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen (Bignal).

Artikel 1 van het Bignal luidt, voor zover hier van belang:

“Voor het bij deze regeling bepaalde zijn de volgende begripsbepalingen van toepassing:

(…)

3. Met betrekking tot hefschroefvliegtuigen:

a. Een heliterrein: een terrein dat geschikt is om, tijdelijk en uitzonderlijk, te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen.

b. Een helihaven: een terrein dat permanent is ingericht en uitgerust en geschikt is om te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen, dan wel een platform, dat is aangelegd op een bouwwerk, constructie of vaartuig en dat permanent is ingericht en uitgerust om te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen.”

Artikel 2, tweede lid, van het Bignal luidt:

“De verbodsbepalingen bedoeld in artikel 14, eerste lid onder a en b van de Luchtvaartwet zijn niet van toepassing in geval van het opstijgen of doen opstijgen van en het landen of doen landen op een helihaven of een heliterrein, met in het Nederlands Luchtvaartuigregister ingeschreven burgerhefschroefvliegtuigen, indien aan de in dit hoofdstuk gegeven voorschriften wordt voldaan.”

Artikel 5, zesde lid, van het Bignal luidt:

“Door de burgemeester van de gemeente waarin het terrein is gelegen moet, voordat het terrein als heliterrein wordt gebruikt, in verband met de openbare orde en veiligheid een verklaring van geen bezwaar zijn verleend.”

Artikel 7 van het Bignal luidt, voor zover hier van belang:

“1. De aanleg, inrichting en uitrusting van een helihaven moet, ter beoordeling door Onze Minister zodanig zijn dat hefschroefvliegtuigen daarvan een veilig gebruik kunnen maken. Hiertoe dienen desgevraagd gegevens te worden overgelegd.

(…)

3. Voor de beoordeling als bedoeld in het eerste lid moeten in ieder geval de volgende gegevens worden overgelegd:

(…)

g. een verklaring van geen bezwaar van de burgemeester van de gemeente waarin het betrokken terrein of het platform is gelegen.”

2. De voorgeschiedenis

2.1. Verzoekers hebben sinds 1999 een helikopterlandingsplaats bij hun bedrijf aan de [adres] te [plaats]. In het verleden is voor iedere vanaf en naar die landingsplaats geplande vlucht een aparte verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 5, zesde lid, van het Bignal aangevraagd.

2.2. In 2005 hebben verzoekers verweerder verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van een bedrijfsgebonden -permanente- helihaven. In dat kader hebben zij tevens een verzoek om vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gedaan. Nadat dat verzoek door de gemeenteraad was afgewezen, hebben zij hun verzoek om afgifte van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van een helihaven ingetrokken.

2.3. In een brief van 12 juni 2007, afkomstig van verzoekers sub 2 en gericht aan verweerder, is onder meer het volgende vermeld:

“In het kader van ons verzoek om een helihaven ten behoeve van ons bedrijf en ter overweging om een tijdelijke vergunning te verlenen om vervolgens op basis van evaluatie te komen tot een definitieve vergunning had u enkele vragen (…)”.

2.4. In reactie op deze brief nam verweerder op 24 augustus 2007 het primaire besluit, waarbij aan verzoekers een verklaring van geen bezwaar werd verleend op basis van artikel 5, zesde lid, van het Bignal. Verweerder overwoog dat de locatie niet geschikt was als helihaven, maar wel als heliterrein. Wanneer verzoekers zich, zoals in het verleden het geval was geweest, zouden houden aan de ter zake geldende voorschriften, voorzag verweerder geen problemen op het gebied van de openbare orde en veiligheid.

De verklaring had betrekking op een proefperiode van één jaar en gold voor maximaal 28 vluchten. Aan de verklaring waren verder nog een aantal voorwaarden verbonden.

2.5. Verzoekers zijn als belanghebbende partij betrokken geweest bij een door een aantal omwonenden (onder wie de in de onderhavige procedure als belanghebbende partij aangemerkte [belanghebbende]) ingediend verzoek om een voorlopige voorziening, waarbij was verzocht om het primaire besluit te schorsen. Bij uitspraak van 23 januari 2008 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dat verzoek afgewezen.

3. Het onderhavige geschil

3.1. De door de belanghebbenden ingediende bezwaren waren gericht tegen de omstandigheid, dat verzoekers door het primaire besluit in de gelegenheid werden gesteld om helikoptervluchten uit te voeren; de bezwaren van verzoekers waren gericht tegen een aantal van de door verweerder aan de verklaring van geen bezwaar verbonden voorwaarden.

3.2. De commissie bezwaarschriften van verweerders gemeente was van mening dat verweerder de afgifte van de verklaring van geen bezwaar ten onrechte had gebaseerd op artikel 5, zesde lid, van het Bignal. Het terrein aan de [adres] is permanent ingericht, uitgerust en geschikt om te worden gebruikt door hefschroefvliegtuigen, zodat -gelet op de definities van deze begrippen in artikel 1 van het Bignal- ter plaatse geen heliterrein ligt, maar een helihaven. Om die reden had verweerder zijn besluitvorming dienen te baseren op artikel 7, derde lid en onder g van het Bignal. De commissie achtte verder een aantal door verweerder aan de verklaring van geen bezwaar verbonden voorwaarden niet juist, nu deze niet hun grondslag vonden in het in aanmerking te nemen criterium van de openbare orde en veiligheid.

3.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de commissie bezwaarschriften overgenomen en de bezwaren van verzoekers en belanghebbenden gedeeltelijk gegrond verklaard. Het primaire besluit is daarbij gehandhaafd, met dien verstande dat de grondslag ervan is gewijzigd in artikel 7, derde lid en onder g van het Bignal. Voorts is een tweetal voorschriften geschrapt.

3.4. Bij brief van 2 april 2008 is het bestreden besluit aan verzoekers bekend gemaakt. In die brief is tevens vermeld dat het gebruik van het terrein als helihaven slechts is toegestaan wanneer dat gebruik ook ingevolge de milieuregelgeving en op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Het bestemmingsplan laat het gebruik als helihaven niet toe.

3.5. Ter onderbouwing van hun verzoek om een voorlopige voorziening hebben verzoekers in de eerste plaats aangevoerd dat gebruik van het terrein voor helikoptervluchten, gelet op het bestreden besluit, thans niet rechtsgeldig meer kan plaatsvinden, terwijl er op zeer korte termijn een aantal vluchten gepland is, waarvan de eerste uiterlijk op 26 april 2008 zal dienen plaats te vinden. Voor de verdere gronden is verwezen naar het beroepschrift, waarin is aangegeven dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte is overgegaan tot grondslagwijziging. Verzoekers hebben een verklaring van geen bezwaar aangevraagd ten behoeve van een heliterrein. Het kan volgens verzoekers niet zo zijn, dat verweerder een verklaring van geen bezwaar afgeeft ten behoeve van een helihaven, enkel omdat verweerder van mening is dat er feitelijk een helihaven ligt. De feitelijke werkelijkheid dient de juridische werkelijkheid te volgen en niet andersom, aldus verzoekers.

Verzoekers hebben verder in hun beroepschrift gesteld dat een aantal van 28 vluchten kan worden aangemerkt als ‘tijdelijk en uitzonderlijk’ in de zin van artikel 1, derde lid, van het Bignal en dat, in tegenstelling tot hetgeen de commissie tot uitgangspunt heeft genomen, geen sprake is van een jaarlijks terugkerend aantal vluchten, maar dat de bij het primaire besluit afgegeven verklaring van geen bezwaar enkel zag op een proefjaar.

4. De beoordeling

4.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Als aanstonds moet worden geconcludeerd dat verzoeker zonder enig nadeel een beslissing in de hoofdzaak kan afwachten, dan dient het verzoek om een voorlopige voorziening reeds op die grond te worden afgewezen en komt de rechter aan een verdere belangenweging als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb niet toe.

Is een bepaald spoedeisend belang wel aanwezig, dan bestaat pas aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening indien het belang van verzoeker bij de gevraagde voorziening zodanig is dat het zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder bij afwijzing van die voorziening en bij onmiddellijke uitvoering van het besluit. In het kader van die belangenweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de rechter over het geschil in de hoofdzaak.

4.3. De rechter ziet geen beletselen verzoekers in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook acht de rechter de onverwijlde spoed genoegzaam aangetoond, nu verzoekers hebben gesteld dat zij zich jegens Rijkswaterstaat contractueel hebben verplicht om op 28 april aanstaande een milieuvlucht uit te voeren, ten behoeve waarvan uiterlijk 26 april de helikopter, die op dit moment in [...] is gestald, dient te worden geland op het terrein aan de [adres].

De rechter komt dan ook toe aan een verdere belangenweging als hierboven bedoeld.

4.4. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

4.5. Gelet op de beroepsgronden dient beoordeeld te worden of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit de grondslag daarvan heeft mogen wijzigen ten opzichte van de grondslag van het primaire besluit op de wijze, zoals hij dat heeft gedaan.

4.6. De rechter beantwoordt die vraag ontkennend. De aanvraag van verzoekers was gericht op het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar op grond van artikel 5, zesde lid, van het Bignal, zo blijkt uit hun schrijven van 12 juni 2007 (hiervoor geciteerd onder 2.3) en zo is ook af te leiden uit de omstandigheid dat het de bedoeling van verzoekers en verweerder was om met het primaire besluit een proefjaar te bewerkstelligen, na welk proefjaar voor een meer permanente voorziening (een helihaven) zou kunnen worden geopteerd.

Door bij het bestreden besluit te beslissen dat geen verklaring van bezwaar mocht worden verleend op basis van artikel 5 van het Bignal, en vervolgens over te gaan tot verlening van een verklaring van geen bezwaar op basis van artikel 7 van het Bignal, heeft verweerder de grondslag van de aanvraag verlaten. Dit acht de rechter ongeoorloofd, niet alleen omdat de rechtsgevolgen van de verklaring ex artikel 7 beduidend verschillen van die van een verklaring ex artikel 5, maar ook omdat de reden voor het verlenen van de verklaring op basis van artikel 7 is gelegen in verweerders oordeel, dat er feitelijk niet een heliterrein ligt maar een helihaven. De rechter is met verzoekers en anders dan verweerder en belanghebbende partijen van oordeel dat verweerder bij het beoordelen van de aanvraag niet uit diende te gaan van welke kwalificatie -heliterrein of helihaven- aan de op dat moment bestaande inrichting van het terrein waarop de aanvraag ziet, diende te worden verbonden, maar van de aanvraag zelf. Daarbij is het te hanteren beoordelingskader ingevolge artikel 5, zesde lid, van het Bignal de openbare orde en veiligheid; verweerder dient aldus te bezien of, gelet op die elementen, bezwaar bestaat tegen het gebruik van de locatie als heliterrein.

4.7. Namens verweerder is ter zitting aangevoerd dat verweerder de aanvraag heeft opgevat in die zin, dat was verzocht om te mogen opstijgen en landen met een helikopter, waarbinnen verweerder vervolgens vrij meende te zijn om te bepalen welke variant van de verklaring van geen bezwaar daarop zou worden verleend. Dit betoog volgt de rechter niet, reeds omdat het verweerder, gelet op de in overweging 4.6, eerste alinea, genoemde omstandigheden, duidelijk was dat de aanvraag van verzoekers expliciet was gericht op het -in eerste instantie- verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar ex artikel 5 van het Bignal.

4.8. Het hiervoor onder 4.6 en 4.7 overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.9. Gelet op de uitspraak in de hoofdzaak heeft verzoeker thans geen belang meer bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4.10 De rechter acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in de artikelen 8:84, vierde lid en 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van deze zaak, één en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden drie punten (verzoekschrift, beroepschrift en behandeling ter zitting) toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 966,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Leudal;

bepaalt dat de gemeente Leudal aan verzoekers de door deze gestorte griffierechten ten bedrage van € 576,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, in tegenwoordigheid van J.N. Buddeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:

25 april 2008

Tegen het gedeelte van de uitspraak waarin het beroep gegrond is verklaard kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.