Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4987

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
17-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1646
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de volgende vragen:

- heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen, dat [werknemer] niet valt onder de gevallen als genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW?

Indien [werknemer] niet valt onder de gevallen als genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW:

- bevat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd?

Indien dit niet het geval is:

- dient in het geval van [werknemer] ziekengeld te worden uitgekeerd?

- bestaat er voor [werknemer] recht op ziekengeld ingevolge artikel 29, vijfde lid, van de ZW?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1646

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

VSN Systemen BV te Venray, eiseres,

gemachtigde mr. J.P.M. van Zijl

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Eindhoven), verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Bij besluit van 20 september 2007, kenmerk B&B 920.0100.09 bl, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 4 april 2007, waarbij verweerder het verzoek van [werknemer] om een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) heeft afgewezen, ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar afgewezen.

1.2. Tegen dat besluit heeft mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg, namens eiseres beroep ingesteld.

1.3. Bij beslissing ingevolge artikel 8:32, tweede lid, van de Awb van 21 januari 2008 heeft de rechtbank bepaald dat kennisneming van de stukken B1.1 tot en met B1.8, B4.1 tot en met B4.7, B5.1 tot en met B5.6, B6.1 tot en met B6.3 en B8.1 tot en met B8.5 niet wordt toegestaan aan eiseres, maar uitsluitend aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen.

1.4. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn met inachtneming van de geheimhoudingsbeslissing in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

1.5. [werknemer], werknemer van eiseres, is in de gelegenheid gesteld om als belanghebbende aan het geding deel te nemen, maar hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.6. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

1.7. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 mei 2008, waar verschenen zijn mr. J.P.M. van Zijl namens eiseres en namens verweerder de heer A.E.G. de Jong.

2. Overwegingen

2.1. [werknemer] is op 21 april 1997 bij eiseres in dienst getreden in de functie van programmeur. De overeengekomen arbeidsomvang bedraagt veertig uren per week.

2.2. In december 2003 is [werknemer] arbeidsongeschikt geraakt. Vanaf begin 2004 heeft hij gedurende een wisselend aantal uren per week, maar nooit voor de overeengekomen duur van veertig uren per week, inhoudelijk zijn eigen werkzaamheden verricht. Eiseres heeft [werknemer] gedurende 104 weken het loon doorbetaald op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Na het verstrijken van die 104 weken is eiseres het loon blijven doorbetalen.

2.3. Op 16 februari 2007 heeft [werknemer] zich ziek gemeld. Eiseres heeft op 19 februari 2007 ziekteaangifte gedaan in verband met de aanvraag van een ZW-uitkering.

2.4. Bij besluit van 4 april 2007 heeft verweerder geweigerd aan [werknemer] een uitkering ingevolge de ZW uit te betalen, omdat [werknemer] volgens verweerder niet voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden, waarbij verweerder kennelijk het oog had op artikel 29b van de ZW.

2.5. Tegen dat besluit heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend, waarin zij zich op het standpunt heeft gesteld dat [werknemer] recht heeft op een ZW-uitkering op grond van artikel 19 in samenhang met artikel 29 van de ZW.

2.6. Bij besluit van 20 september 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en heeft hij beslist dat [werknemer] niet voor een ZW-uitkering in aanmerking komt, omdat [werknemer] volgens verweerder niet valt onder de in artikel 29, tweede lid, van de ZW limitatief opgesomde gevallen. Het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar heeft verweerder afgewezen.

2.7. In het beroep dat eiseres tegen het bestreden besluit heeft ingesteld, voert zij het volgende aan.

[werknemer] valt onder artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW. Daartoe betoogt eiseres dat met het eindigen van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW, gelijkgesteld moet worden de situatie waarbij de loonbetalingsverplichting van de werkgever is geëindigd. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2007 (LJN: BC0204).

Subsidiair betoogt eiseres dat artikel 29, tweede lid, van de ZW geen limitatieve opsomming van gevallen bevat. Een limitatieve opsomming zou tegenstrijdig zijn met de ratio van de ZW, die bedoeld is als vangnetregeling. Verweerders standpunt heeft tot gevolg dat een werknemer als [werknemer], bij uitval uit passende arbeid wegens ziekte geen recht heeft op een uitkering ingevolge een werknemersverzekering. Dat heeft de wetgever volgens eiseres niet beoogd.

Verder betoogt eiseres dat verweerder alvorens een besluit te nemen, had moeten kijken of op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW ziekengeld aan [werknemer] had moeten worden uitgekeerd. Op dit punt heeft eiseres aangevoerd, dat op grond van artikel 29, vijfde lid, van de ZW -gelet op de niet gepubliceerde beleidsregels van verweerder van 22 juni 2004- een uitkering alleen wordt geweigerd indien de werknemer hervat in dezelfde arbeid als waarvoor hij eerder 52 dan wel 104 weken arbeidsongeschikt was. De aangepaste arbeid die [werknemer] verrichtte, dient te worden beschouwd als “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW. Voor die arbeid is [werknemer] op 16 februari 2007 uitgevallen, waardoor er een nieuw recht op een ZW-uitkering is ontstaan, aldus eiseres.

2.8. Verweerder heeft in beroep zijn standpunt dat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van gevallen bevat en dat [werknemer] daar niet onder valt, gehandhaafd. Verder betwist verweerder dat het eindigen van een loonbetalingsverplichting gelijkgesteld kan worden aan het eindigen van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW.

Omdat [werknemer] niet valt onder de in artikel 29, tweede lid, van de ZW genoemde gevallen, bestaat er geen recht op een uitkering en daarom wordt niet toegekomen aan artikel 29, vijfde lid, van de ZW, aldus verweerder.

2.9. De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daartoe overweegt zij als volgt.

2.10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist, dat [werknemer] niet valt onder de gevallen uit artikel 29, tweede lid, van de ZW en dat daarom geen recht bestaat op een ZW-uitkering. De rechtbank begrijpt gezien de uitleg van verweerders gemachtigde ter zitting het bestreden besluit zo, dat [werknemer] wel recht heeft op een ZW-uitkering ingevolge artikel 19 van de ZW, maar dat dit recht niet tot uitbetaling is gekomen omdat volgens verweerder geen sprake is van een geval is als genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW.

2.11. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de volgende vragen:

- heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen, dat [werknemer] niet valt onder de gevallen als genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW?

Indien [werknemer] niet valt onder de gevallen als genoemd in artikel 29, tweede lid, van de ZW:

- bevat artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van gevallen waarin ziekengeld wordt uitgekeerd?

Indien dit niet het geval is:

- dient in het geval van [werknemer] ziekengeld te worden uitgekeerd?

- bestaat er voor [werknemer] recht op ziekengeld ingevolge artikel 29, vijfde lid, van de ZW?

Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW

2.12.1. Artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de ZW bepaalt als volgt:

“Het ziekengeld wordt uitgekeerd over iedere dag van de ongeschiktheid tot werken, doch niet over de zaterdagen en de zondagen, aan:

(. .)

c. de verzekerde van wie de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 3, binnen het in het vijfde lid genoemde tijdvak van 104 weken eindigt, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken nadat de dienstbetrekking is geëindigd, doch niet eerder dan vanaf de derde dag van de ongeschiktheid tot werken;

(. .).

2.12.2. Artikel 3, eerste lid, van de ZW bepaalt als volgt:

“1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaren, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.”

2.12.3. Vaststaat dat [werknemer] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot eiseres staat. Het eindigen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt beheerst door het civiele recht. Van het eindigen van een dienstbetrekking is sprake in het geval van opzegging (waaronder een ontslag op staande voet), ontbinding door de kantonrechter, het verstrijken van een bepaalde termijn en beëindiging met wederzijds goedvinden.

Vaststaat dat geen van deze situaties aan de orde is. Gezien dit gesloten stelsel van wijzen van beëindiging van een dienstbetrekking, ziet de rechtbank geen ruimte om met een beroep op de wetsgeschiedenis van de ZW te oordelen dat het geval van [werknemer] gelijk te stellen is met beëindiging van de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW. Naar het oordeel van de rechtbank valt [werknemer] dan ook niet onder artikel 29, tweede lid, onder c, van de ZW.

2.12.4. [werknemer] valt evenmin onder de overige gevallen uit artikel 29, tweede lid, van de ZW. De beroepsgrond faalt.

Limitatieve opsomming artikel 29, tweede lid, van de ZW?

2.13.1. Partijen strijden over de vraag of artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van gevallen bevat waarin ziekengeld wordt uitgekeerd.

2.13.2. De rechtbank constateert dat de gebruikte bewoordingen van artikel 29, tweede lid, van de ZW duiden op een limitatieve opsomming.

Verder stelt de rechtbank vast, dat de memorie van toelichting (vergaderjaar 1995-1996, 24 439, nr. 3) bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte op pagina 53 het volgende vermeldt:

“De betekenis van het eerste lid is dat indien wordt vastgesteld dat bij ziekte recht bestaat op loon, er geen ziekengeld door de bedrijfsvereniging wordt uitgekeerd. Indien bij ziekte geen recht bestaat op loon, betekent dit echter niet automatisch dat de betrokkene recht heeft op ZW-uitkering. Het tweede lid geeft namelijk de situaties aan waarin wel wettelijk ziekengeld wordt uitgekeerd.” Uit deze passage leidt de rechtbank af, dat -anders dan door eiseres is betoogd- artikel 29, tweede lid, van de ZW een limitatieve opsomming van gevallen bevat.

2.13.3. Dit heeft -zoals eiseres met juistheid heeft opgemerkt- tot gevolg dat in een geval als dat van [werknemer] geen aanspraak gemaakt kan worden op loon en evenmin op een ZW-uitkering.

Bij de vraag hoe dit gevolg zich verhoudt tot het gegeven dat de ZW bedoeld is als vangnetvoorziening voor die groepen werknemers, die in een zuiver civielrechtelijk systeem onvoldoende tegen het ziekterisico beschermd worden (zie pagina 6 van de memorie van toelichting), overweegt de rechtbank dat het haar voorkomt dat de wetgever zich een geval als waarvan hier sprake is, niet heeft gerealiseerd bij het opstellen van artikel 29, tweede lid, van de ZW. De rechtbank verwijst hierbij naar pagina 11 van de memorie van toelichting, waarin is overwogen “Voor de tijd dat het loon moet worden doorbetaald, komt de aanspraak op ziekengeld geheel te vervallen. Voor werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht wordt de huidige collectieve ziekengeldregeling aldus geheel vervangen door een privaatrechtelijke regeling, terwijl de bescherming van de zieke werknemer in stand blijft: zolang zijn arbeidsovereenkomst voortduurt, heeft hij recht op doorbetaling van (70% van) het loon.” Anders dan de regering hier heeft overwogen, bestaat onder omstandigheden geen loonbetalingsverplichting meer voor de werkgever, terwijl de arbeidsovereenkomst voortduurt. Van een dergelijk geval is hier sprake: eiseres heeft reeds 104 weken loon doorbetaald en een nieuwe loonbetalingsplicht lijkt niet te zijn ontstaan.

2.13.4. De rechtbank onderkent, dat niet bedoeld kan zijn aan werknemers als [werknemer] in geval van ziekte een inkomen te ontzeggen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een lacune in de wetgeving. De rechtbank is echter van oordeel dat het niet aan haar is om deze lacune op te vullen, maar aan de wetgever, nu de wetgever heeft gekozen voor een limitatieve opsomming van gevallen en gezien de gedetailleerde afstemming van wettelijke bepalingen tussen het civiele recht en het bestuursrecht op dit punt. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt. Aan de vraag of aan [werknemer] ziekengeld moet worden uitgekeerd, komt de rechtbank nu niet meer toe.

Artikel 29, vijfde lid, van de ZW

2.14.1. Wat betreft artikel 29, vijfde lid, van de ZW overweegt de rechtbank allereerst dat het een weigeringsgrond betreft.

2.14.2. Verder overweegt de rechtbank als volgt. Het artikellid vermeldt de term “ongeschiktheid tot werken”. De beleidsregels van verweerder, waarop eiseres zich heeft beroepen, verruimen dit begrip in zoverre dat bij uitval uit passende arbeid deze weigeringsgrond niet wordt toegepast. De rechtbank kan uit dit beleid echter niet afleiden dat daarmee tevens een weigering die is gebaseerd op artikel 29, eerste en tweede lid, van de ZW wordt aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verruiming van het vijfde lid van artikel 29 van de ZW door verweerders beleidsregels alleen betekenis voor diegene die valt onder artikel 29, tweede lid, van de ZW.

In dit verband verwijst de rechtbank nog naar de uitspraak van de CRvB van 28 november 2007 (LJN: BC0042), waarin de CRvB heeft overwogen dat hij geen grond ziet om aan te nemen dat toepassing van het vijfde lid van artikel 29 van de ZW pas aan de orde is nadat is beoordeeld of het tweede lid van dat artikel van toepassing is. Hieruit volgt dat het eerste en tweede lid van artikel 29 van de ZW enerzijds en het vijfde lid van artikel 29 van de ZW anderzijds los van elkaar kunnen worden bezien en toegepast. Reeds daarom faalt deze beroepsgrond.

2.15. Nu alle beroepsgronden zijn verworpen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. Th.M. Schelfhout in tegenwoordigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 17 juni 2008.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.