Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4958

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
20-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
AWB 07 / 1932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet geen grondslag voor de opvatting van bezwarencommissie en verweerder, dat voor het antwoord op de vraag of de wijzigingsvergunning van kracht is geworden alleen moet worden gekeken of de inspecteur wel of niet een rechtsmiddel heeft aangewend. Uit het verslag van de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften blijkt dat deze tegelijk met het bezwaar van eisers ook een bezwaarschrift van de vergunninghoudster tegen de gewijzigde vergunning van 14 mei 2007 heeft behandeld. Door geen rekening te houden met dit rechtsmiddel heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd, dat de gewijzigde vergunning van kracht was geworden en dat daarmee in de loop van de bezwarenprocedure het belang voor eisers van bezwaar tegen de vergunning van 8 februari 2007 was komen te vervallen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte dit bezwaar (in zoverre) niet-ontvankelijk verklaard.

Het beroep van eisers tegen deze niet-ontvankelijkverklaring zal de rechtbank gegrond verklaren en zij zal het besluit op bezwaar vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 07 / 1932

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser A en eiser A-B] te [woonplaats], eisers,

gemachtigde J.L.J. Mevis,

tegen

Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Echt-Susteren , verweerder.

1. Procesverloop

1.1. Namens eisers heeft W. Kattouw, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, beroep ingesteld tegen een besluit d.d. 23 oktober 2007, waarbij verweerder heeft beslist op het bezwaarschrift van eisers van 16 mei 2007, inzake de verlening van een vergunning aan mw. [eiser A-B] op grond van de Drank- en Horecawet (verder te noemen: de DHW).

1.2. Nadat verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift had ingediend, heeft de rechtbank het beroep behandeld ter zitting van 4 juni 2008, waar eisers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun huidige gemachtigde J. Mevis. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A.F.R. van den Bergh en mr. M.J.H. van der Burgt.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft bij besluit van 8 februari 2007 aan mw. [eiser A-B], een wijzigingsvergunning verleend op grond van de DHW voor de inrichting ijscafé de [café] te [plaats]. Naar aanleiding van een controle heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2007 een nieuwe wijzigingsvergunning verleend.

2.2. In het kader van zienswijzen tegen een voorontwerp bestemmingsplan zijn eisers eind april of begin mei op de hoogte geraakt van de vergunning van 8 februari 2007 en zij hebben tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij brief van 16 mei 2007, bij verweerder ingekomen op 21 mei 2007.

2.3. Van de wijzigingsvergunning van 14 mei 2007 zijn eisers op de hoogte geraakt door toezending met de schriftelijke uitnodiging van 22 augustus 2007 om het bezwaarschrift nader toe te lichten ten overstaan van de commissie bezwaarschriften. In die schriftelijke uitnodiging heeft de secretaris van de commissie medegedeeld, dat het besluit van 14 mei 2007, gelet op het bepaalde in artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bij de behandeling van het bezwaarschrift zal worden betrokken. Eisers hebben daarop geen afzonderlijk bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 14 mei 2007, maar ter zitting van de commissie hebben zij hun bezwaren tegen beide besluiten van 8 februari en 14 mei 2007 uiteengezet.

2.4. In haar advies van 5 september 2007 heeft de commissie bezwaarschriften het bezwaarschrift aangemerkt als uitsluitend gericht tegen het besluit van 8 februari 2007 en zij heeft geadviseerd eisers in dit bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Verweerder heeft eisers overeenkomstig dit advies beslist.

2.5. De rechtbank dient op grond van hetgeen tegen verweerders besluit van 23 oktober 2007 is aangevoerd te beoordelen of verweerder eisers terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar. Twee te beantwoorden vragen die de rechtbank daarbij onderscheidt zijn:

a. de vraag of verweerder eisers terecht van oordeel is dat eisers geen procesbelang hadden bij hun bezwaarschrift tegen dit besluit van 8 februari 2007;

b. de vraag of verweerder, in navolging van de commissie bezwaarschriften, het bezwaarschrift terecht beperkt heeft opgevat als uitsluitend gericht tegen het besluit van 8 februari 2007.

2.6. Met betrekking tot de vraag onder a in 2.5 overweegt de rechtbank het volgende.

2.6.1. Na de vergunning van 8 februari 2007 heeft verweerder een gewijzigde vergunning verleend op 14 mei 2007, ter vervanging van de vergunning van 8 februari 2007. Van deze gewijzigde vergunning is, ter uitvoering van artikel 28, tweede lid van de DHW, op 3 juli 2007 een afschrift verzonden aan de Voedsel en Waren Autoriteit, terwijl de exploitatie van de horecagelegenheid al een aanvang had genomen.

2.6.2. Verweerder is in navolging van de commissie bezwaarschriften van mening, dat in de loop van de bezwarenprocedure de vergunning van 14 mei 2007 van kracht was geworden, doordat de termijn van beroepsmogelijkheid voor de inspecteur van het staatstoezicht voor de volksgezondheid ongebruikt was verstreken, en dat daardoor ingevolge artikel 33, aanhef en onder c van de DHW de eerdere vergunning van 8 februari 2007 is vervallen. Als gevolg van dat laatste zouden eisers geen procesbelang (meer) hebben bij hun bezwaar tegen de vervallen vergunning van 8 februari 2007.

2.6.3. Eisers stellen, dat de vergunning van 14 mei 2007 in ieder geval op het moment van behandeling van het bezwaarschrift door de commissie niet van kracht was, omdat die vergunning nog onderwerp van bezwaar door de vergunninghoudster zelf was. Zij hadden dus procesbelang (behouden) bij hun bezwaarschrift tegen de vergunning van 8 februari 2007, omdat die niet was vervallen.

2.6.4. De rechtbank ziet geen grondslag voor de opvatting van bezwarencommissie en verweerder, dat voor het antwoord op de vraag of de wijzigingsvergunning van kracht is geworden alleen moet worden gekeken of de inspecteur wel of niet een rechtsmiddel heeft aangewend. Uit het verslag van de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften blijkt dat deze tegelijk met het bezwaar van eisers ook een bezwaarschrift van de vergunninghoudster tegen de gewijzigde vergunning van 14 mei 2007 heeft behandeld. Door geen rekening te houden met dit rechtsmiddel heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd, dat de gewijzigde vergunning van kracht was geworden en dat daarmee in de loop van de bezwarenprocedure het belang voor eisers van bezwaar tegen de vergunning van 8 februari 2007 was komen te vervallen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte dit bezwaar (in zoverre) niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van eisers tegen deze niet-ontvankelijkverklaring zal de rechtbank gegrond verklaren en zij zal het besluit op bezwaar vernietigen.

2.7. Met betrekking tot de vraag onder b in 2.5 overweegt de rechtbank het volgende.

2.7.1. Volgens de commissie en verweerder zijn op het besluit van 14 mei 2007 de bepalingen van artikel 6:18 en 6:19 van de Awb niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een intrekking of wijziging van een besluit hangende bezwaar of beroep. Immers, het besluit is genomen op 14 mei 2007 en verzonden op 15 mei 2007, terwijl het bezwaarschrift is gedateerd op 16 mei 2007.

2.7.2. Eisers voeren daartegen op de eerst plaats aan, dat het besluit van 14 mei 2007 een besluit op bezwaar zou zijn, omdat het genomen zou zijn naar aanleiding van telefonisch aangegeven en aangekondigde bezwaren tegen de vergunning van 8 februari 2007. De op 16 mei 2007 schriftelijk ingediende bezwaren konden dan ook worden opgevat als beroepsgronden tegen het besluit van 14 mei 2007 en verweerder had dit bezwaarschrift onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb moeten doorsturen naar de rechtbank. Verder (subsidiair) stellen eisers dat is gehandeld in strijd met het stelsel van de Awb, in het bijzonder de artikelen 6:18 en 6:19, dan wel dat eisers onjuist zijn voorgelicht over de behandeling van het ingediende bezwaarschrift.

2.7.3. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat het besluit van 14 mei 2007 een besluit op bezwaar zou zijn. Zoals uit de totstandkoming en bewoordingen van dit besluit blijkt is het uitdrukkelijk genomen naar aanleiding van een controle bij de horecaonderneming en is het genomen ter wijziging van de eerdere vergunning, omdat het eerder opgegeven aantal vierkante meters zitruimte aan de bar niet bleek te kloppen. Bovendien kent het stelsel van de Awb (hoofdstukken 6 en 7) niet de mogelijkheid van besluitvorming op niet schriftelijk ingesteld bezwaar; artikel 6:4 stelt uitdrukkelijk de eis van een bezwaarschrift. Verweerder heeft ten aanzien van het bezwaarschrift dan ook terecht geen toepassing gegeven aan artikel 6:15 van de Awb.

2.7.4. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder een juiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. De bewoordingen van artikel 6:18 laten geen ruimte een nader besluit in de bezwarenprocedure mee te nemen, indien dat besluit is genomen vóór de indiening van het bezwaar. De commissie bezwaarschriften en verweerder hebben dan ook terecht gemeend dat het bezwaar niet mede geacht kon worden te zijn gericht tegen de vergunning van 14 mei 2007. De daartegen door eisers ingebrachte gronden treffen dus evenmin doel.

2.8. Met betrekking tot de bezwaren tegen het besluit van 14 mei 2007 overweegt de rechtbank nog als volgt.

2.8.1. Zoals de rechtbank is gebleken, hebben eisers uitdrukkelijk afgezien van het (opnieuw) indienen van een bezwaarschrift tegen de gewijzigde vergunning van 14 mei 2007, nadat zij van die vergunning kennis hadden genomen via de brief van de commissie bezwaarschriften van 22 augustus 2007. Dit omdat zij door een desbetreffende mededeling in die brief ervan uit gingen dat hun bezwaar geacht werd mede gericht te zijn tegen deze gewijzigde vergunning. Zij hebben hun bezwaren tegen het besluit van 14 mei 2007 verder meegenomen in hun eerdere bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2007. Naar het oordeel van de rechtbank kon het eisers, gezien ook de inhoud van die mededeling, niet eerder dan bij kennisneming van het besluit op bezwaar duidelijk zijn dat zij afzonderlijk bezwaar hadden moeten indienen tegen de gewijzigde vergunning van 14 mei 2007.

2.8.2. In het beroepschrift begrijpt de rechtbank ook gronden gericht tegen deze laatste vergunning, daar waar eisers verwijzen naar hetgeen zij in de bezwarenprocedure (ook ter zitting van de commissie bezwaarschriften) daartegen naar voren hebben gebracht. De rechtbank merkt het beroepschrift in zoverre aan als bezwaarschrift tegen het besluit van 14 mei 2007 en ziet aanleiding tot toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb. Omdat verweerder al afschrift heeft ontvangen in het kader van de beroepsprocedure laat de rechtbank feitelijke toezending achterwege en gaat zij ervan uit dat verweerder alsnog het bezwaar van eisers tegen het besluit van 14 mei 2007 zal beoordelen, gecombineerd met de herbeoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2007 als gevolg van de vernietiging van het besluit van 23 oktober 2007.

2.9. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers begroot op EUR 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Echt-Susteren;

bepaalt dat de gemeente Echt-Susteren aan eisers het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van EUR 143,00 volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. P.J. Voncken in tegenwoordigheid van M.B.G. Cox-Vorage als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2008.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 20 juni 2008

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.