Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4904

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
04/860163-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

een overval in het Julianapark te Venlo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860163-08

Uitspraak d.d. : 23 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 april 2008 en 9 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat na wijziging van de tenlastelegging terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 17 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een enveloppe, inhoudende 10,- euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

- het schoppen tegen het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4],

- het met kracht die [slachtoffer 4] bij de keel, althans nek vastpakken en/of (vervolgens) vasthouden,

waarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend de woorden: "geef me al je geld" en/of "geef geld" werden toegevoegd

en/of

- het tonen van een (stanley)mes en/of genoemd mes houden tegen de keel van die [slachtoffer 4];

(Art. 312 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair

hij op of omstreeks 17 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/.of bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een enveloppe, inhoudende 10,00 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

- het schoppen tegen het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4],

- het met kracht die [slachtoffer 4] bij de keel, althans nek vastpakken en/of (vervolgens) vasthouden, waarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend de woorden: "geef me al je geld" en/of "geef geld" werden toegevoegd

en/of

- het tonen van een (stanley)mes en/of genoemd mes houden tegen de keel van die [slachtoffer 4];

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 15 april 2008 gevorderd dat het primair ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu verdachte ontkent bij het primair en subsidiair ten laste gelegde feit aanwezig te zijn geweest.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Slachtoffer [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 17 november 2007 met [getuige] door het Julianapark te Venlo fietste. Op een gegeven moment zag het slachtoffer drie jongens staan. Volgens het slachtoffer stonden twee jongens een stukje van het pad af en dader 1 stond met de rug naar het slachtoffer toe. Het slachtoffer heeft voorts verklaard dat de jongen die met de rug naar hem toe stond, een stap naar achteren maakte met zijn linkervoet en zich omdraaide. In deze beweging trapte die jongen tegen het stuur van het slachtoffer. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard medeverdachte [medeverdachte 2] een trapbeweging te hebben zien maken en dat verdachte degene was die het slachtoffer van achteren vastpakte. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij meteen hierna door dader 2 van achteren is vastgepakt.

Uit deze verklaringen maakt de rechtbank op dat dader 2 verdachte moet zijn geweest.

Volgens het slachtoffer pakte dader 2 hem met zijn linkerarm om zijn keel vast in een verwurging. Volgens het slachtoffer zei dader 1 toen: “Geef me al je geld”. Dader 1 stond voor het slachtoffer. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij tegen het slachtoffer heeft gezegd dat het slachtoffer zijn geld moest afgeven.

De rechtbank concludeert hier uit en uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], dat dader 1 medeverdachte [medeverdachte 2] is geweest. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij toen zei dat hij geen geld had, dader 1 weer iets zei van: “Geef geld”, of woorden van gelijke strekking.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde en dat hij nog een cadeauenveloppe in zijn jaszak had zitten. In de cadeauenveloppe zat een bedrag van € 10,00. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij met het slachtoffer op weg was naar een verjaardag en dat het slachtoffer als cadeau € 10,00 bij zich had, wat zij samen bij elkaar hadden gelegd.

Het slachtoffer heeft verklaard dat de arm van dader 2 nog steeds om zijn keel zat. Het slachtoffer heeft daarop de enveloppe uit zijn zak gehaald en voor zich gehouden. Het slachtoffer heeft voorts verklaard dat daarop de enveloppe werd afgepakt. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart ook dat de enveloppe werd afgepakt van het slachtoffer. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat in de enveloppe € 10,00 zat.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een enveloppe, inhoudende 10,- euro, ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welk geweld en welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

- het schoppen tegen het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4],

- het met kracht die [slachtoffer 4] bij de keel vastpakken en vervolgens vasthouden, waarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend de woorden: "geef me al je geld" en "geef geld" werden toegevoegd;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten weliswaar wettig bewijs opleveren, maar, gezien de vanaf het begin af ontkennende houding van verdachte, niet de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Die houding wordt ondersteund, door de afhoudende houding van verdachte bij de eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn gebleken om aan de betrouwbaarheid van de door de medeverdachten afgelegde verklaringen bij de politie en onder ede ter terechtzitting te twijfelen. Bovendien past het door het slachtoffer gegeven signalement op de persoon van verdachte.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De officier van justitie heeft gevorderd dat bij een bewezenverklaring een psychiatrisch rapport omtrent verdachte zou moeten worden opgemaakt. Verdachte wijst zo’n onderzoek stellig af, met het argument dat de onderzoekers naar iets zullen zoeken en dat dan ook wel zullen vinden, terwijl naar het oordeel van verdachte niets mis is met hem.

Gezien de stellige houding van verdachte om niet mee te werken, ziet de rechtbank geen redenen over te gaan tot het instellen van een dergelijk onderzoek.

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 9 juni 2008 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 59 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoer ten aanzien van de gevorderde straf nu is gepleit voor vrijspraak.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige overval in het Julianapark.

Verdachte en zijn mededaders bevonden zich in het uitgaansleven van Venlo. Op een gegeven moment wordt het idee opgevat op mensen te gaan overvallen. Verdachte begeeft zich met zijn mededaders naar het Julianapark. Daar hebben ze het slachtoffer met geweld en bedreiging met geweld beroofd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank rekent verdachte voorts de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van die feiten het gevolg is aan.

Door feiten als de onderhavige voelen mensen die doorgaans het Julianapark bezoeken zich daar niet meer veilig en zullen het park mijden.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de overval vanaf zijn aanhouding ontkend.

De rechtbank ziet deze houding terug in de rapportages die door de raad voor de kinderbescherming en de jeugdreclassering zijn gemaakt. Verdachte komt daarin naar voren als een persoon, gevormd door ervaringen uit zijn verleden, die een muur om zich heen heeft gebouwd en daarbinnen alleen oog heeft voor zijn eigen waarheid.

Verdachte doet het voor komen dat het goed met hem gaat, terwijl hij in werkelijkheid ontstane problemen met sociaal wenselijk gedrag probeert te bagatelliseren.

Ook ter terechtzitting constateert de rechtbank dat verdachte feiten en omstandigheden positiever ziet dan dat ze in werkelijkheid zijn.

De rechtbank is van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie, gezien de ernst van het feit een passende straf zou zijn. De rechtbank zal echter rekening houden met het feit dat het bewezenverklaarde feit al enige tijd geleden is gepleegd en dat verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest. De rechtbank zal daarom geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Verdachte zal zelf dienen in te zien dat het in zijn eigen belang is, om hulp in de vorm van begeleiding door de jeugdreclassering, te aanvaarden. De rechtbank zal daarom een andere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd nu zij die meer passend acht.

De rechtbank acht een voorwaardelijke jeugddetentie van vijf maanden passend, om te voorkomen dat verdachte zich wederom aan strafbare feiten zal schuldig maken. De rechtband acht voorts als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 60 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

De rechtbank zal voorts het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 59 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 5 maanden;

beveelt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 60 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de werkstraf uiterlijk 6 maanden nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zullen zijn voltooid;

Vonnis gewezen door mrs. mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, M.B.T.G. Steeghs en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 juni 2008.