Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4902

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
04/860162-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

2 overvallen in het Julianapark te Venlo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860162-08

Uitspraak d.d. : 23 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond,

meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornaam]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 april 2008 en 9 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

1.

hij op of omstreeks 18 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) mobiele telefoon(s) en/of geld en/of sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zeggen dat ze vijf minuten hadden om alles in te leveren, in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking waarbij (vervolgens) ten opzichte van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een revolver, althans een vuistvuurwapen, in elk geval een op een revolver, althans een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp, werd getoond

en/of

op dreigende wijze een revolver, althans een vuistvuurwapen, in elk geval een op een revolver, althans vuistvuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] werd gehouden;

(Artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht);

2.

hij op of omstreeks 17 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een enveloppe, inhoudende 10,- euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

- het schoppen tegen het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4],

- het met kracht die [slachtoffer 4] bij de keel, althans nek vastpakken en/of (vervolgens) vasthouden,

waarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend de woorden: "geef me al je geld" en/of "geef geld" werden toegevoegd

en/of

- het tonen van een (stanley)mes en/of genoemd mes houden tegen de keel van die [slachtoffer 4];

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht);

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 9 juni 2008 gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

7.3.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

Feit 1:

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting van 15 april 2008, de aangifte van [slachtoffer 1] , de aangifte van [slachtoffer 2] , de aangifte van [slachtoffer 3] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons en geld en sigaretten, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zeggen dat ze vijf minuten hadden om alles in te leveren, in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking

waarbij ten opzichte van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een op een revolver gelijkend voorwerp, werd getoond en

op dreigende wijze een op een revolver gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] werd gehouden;

Feit 2:

Slachtoffer [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 17 november 2007 met [getuige] door het Julianapark te Venlo fietste. Op een gegeven moment zag het slachtoffer drie jongens staan. Twee stonden een stukje van het pad af en een stond met de rug naar het slachtoffer toe. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het Julianapark een overval heeft gepleegd op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft voorts verklaard dat de jongen met de rug naar hem toe, een stap naar achteren maakte met zijn linkervoet en zich omdraaide. In deze beweging trapte die jongen tegen het stuur van het slachtoffer. Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte 2] een trapbeweging tegen het stuur van het slachtoffer maakte. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij meteen hierna door dader 2 van achteren is vastgepakt. Uit de verklaring van verdachte en [medeverdachte 2] maakt de rechtbank op dat met dader 2 [medeverdachte 1] bedoeld wordt. Dader 2 pakte het slachtoffer met zijn linkerarm om zijn keel vast in een verwurging. Dader 3 stond op dat moment nog achter dader 2. Volgens het slachtoffer zei dader 1 toen: “Geef me al je geld”. Dader 1 stond voor het slachtoffer. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat Kadic heeft gezegd: “Geef mij al je geld”. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij toen zei dat hij geen geld had en dader 1 weer iets zei van: “Geef geld”, of woorden van gelijke strekking.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zich bedreigd voelde en dat hij een cadeauenveloppe in zijn jaszak had zitten. In de cadeauenveloppe zat een bedrag van € 10,00. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij met het slachtoffer op weg was naar een verjaardag en dat het slachtoffer als cadeau € 10,00 bij zich had, wat zij samen bij elkaar hadden gelegd. Het slachtoffer heeft voorts verklaard dat de arm van dader 2 nog steeds om zijn keel zat. Het slachtoffer heeft daarop de enveloppe uit zijn zak gehaald en voor zich gehouden. Het slachtoffer heeft voorts verklaard dat daarop de enveloppe werd afgepakt. Verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat het slachtoffer een kaart uit zijn jas pakte en dat die hem meteen werd afgepakt. In die kaart zat € 10,00.

Uit voorgaande verklaringen van het slachtoffer en verdachte zelf is de rechtbank van oordeel dat verdachten door het afpakken van de cadeauenveloppe, die het slachtoffer voor zich hield, een wegnemingshandeling hebben verricht en dat het slachtoffer niet is gedwongen tot het afgeven van de cadeauenveloppe, zoals door de raadsvrouw is betoogd.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een enveloppe, inhoudende 10,- euro, ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

welk geweld en welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

- het schoppen tegen het stuur van de fiets van die [slachtoffer 4],

- het met kracht die [slachtoffer 4] bij de keel vastpakken en vervolgens vasthouden, waarbij aan die [slachtoffer 4] dreigend de woorden: "geef me al je geld" en "geef

geld" werden toegevoegd;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 317 juncto 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 9 juni 2008 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 39 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf in de vorm van een leerstraf Slachtoffer in Beeld van 25 uren, subsidiair 12 dagen jeugddetentie;

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd zich in de eis van de officier van justitie te kunnen vinden, met dien verstande dat indien de rechtbank komt tot een vrijspraak ten aanzien van feit 2, de hoogte van de straf naar beneden dient te worden bijgesteld.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal zeer ernstige overvallen in het Julianapark. Verdachte bevindt zich met zijn neef en een klasgenoot in het uitgaansleven van Venlo. Op een gegeven moment wordt het idee opgevat om mensen te gaan overvallen. Verdachte verklaart dat hij met dat idee akkoord ging. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij pas na de overval is gaan nadenken over wat hij heeft gedaan. De rechtbank stelt vast dat het nadenken van verdachte maar van korte duur is geweest en niet heeft geleid tot inkeer, daar hij na de overval samen met zijn mededaders naar de supermarkt is gegaan om van het gestolen geld goederen te kopen.

Dat het nadenken van verdachte niet tot inkeer heeft geleid maakt de rechtbank voorts op uit het feit dat als later die nacht weer wordt geopperd om mensen te gaan overvallen, verdachte zich daarvan niet heeft gedistantieerd. De rechtbank acht dit des te ernstiger nu verdachte op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 3] een revolver bij zich had. De verklaring van verdachte dat hij meedeed om tegenover zijn medeverdachten niet voor mietje uitgemaakt te worden en dat hij onder invloed van alcohol was, acht de rechtbank wel een heel zwak excuus. De rechtbank is van oordeel dat daaruit wel blijkt dat verdachte op geen enkele wijze heeft nagedacht over de gevolgen die zijn handelen bij de slachtoffers teweeg heeft gebracht. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank rekent verdachte voorts de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van die feiten het gevolg is aan.

Door feiten als de onderhavige voelen mensen die doorgaans het Julianapark bezoeken zich daar niet meer veilig en zullen het park mijden.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie gezien de ernst van de feiten een passende straf is. De rechtbank zal echter rekening houden met het feit dat de bewezenverklaarde feiten al enige tijd geleden zijn gepleegd en dat verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich heeft ingezet om alsnog zijn schoolexamen te kunnen halen en dat zich zowel thuis als op school positief heeft ontwikkeld.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die overigens zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank zal daarom geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden passend, om te voorkomen dat verdachte zich wederom aan strafbare feiten zal schuldig maken. De rechtband acht voorts als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering aangewezen.

De rechtbank is van oordeel dat voorts een taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 180 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte als taakstraf in de vorm van een leerstraf, de cursus Slachtoffer in beeld dient te volgen. De rechtbank stelt de leerstraf op 25 uren en zal bevelen dat voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen.

De rechtbank zal voorts het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.4.1 De benadeelde partij [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 19,00 en de immateriële schade op een bedrag van € 600,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen. [slachtoffer 1] voornoemd heeft voorts de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade gevorderd.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Verdachte heeft de vordering met betrekking tot de materiële schade niet weersproken, zodat dat schadebedrag vaststaat.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd en de raadsman verzocht om als voorschot een bedrag van € 200,00 vast te stellen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering voor dat deel niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij een bedrag van € 600,00 als immateriële schade heeft gevorderd.

De benadeelde heeft aangegeven dat hij als gevolg van de afpersing nachtmerries heeft gehad en slecht heeft kunnen slapen. Voorts durft de benadeelde niet meer in het park te komen waar alles zich heeft afgespeeld en voelt zich minder veilig op straat. De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding van € 600,00 dan ook redelijk en zal dat bedrag aan benadeelde toewijzen.

De rechtbank zal ook bepalen dat de wettelijke rente dient te worden voldaan vanaf het ontstaan van voornoemde schade, zijnde 18 november 2007.

De rechtbank zal het totale schadebedrag vaststellen op € 619,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 12 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.4.2 De benadeelde partij [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 519,99 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Aangezien de vordering niet met stukken is onderbouwd zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

10.4.3 De benadeelde partij [slachtoffer 3].

[slachtoffer 3], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 50,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar. Hoewel de benadeelde zijn vordering niet met bescheiden heeft onderbouwd, acht de rechtbank de gevorderde schade aannemelijk. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 50,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 50,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 1 dag, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 312, 317.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 39 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 6 maanden;

beveelt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 180 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een leerstraf voor de duur van 25 uren, bestaande uit het volgen van het leerproject, namelijk de cursus Slachtoffer in beeld;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 12 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de werk- en leerstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zullen zijn voltooid;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1].

wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 619,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres], te betalen een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 619,00 subsidiair 12 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2].

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

stelt de kosten die verdachte heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering op nihil;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 3].

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 50,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij

[slachtoffer 3], [adres], te betalen een bedrag van € 50,00;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 50,00 subsidiair 1 dag jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] , [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50,00 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, M.B.T.G. Steeghs en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. Y.J.C.A. Roefen voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 juni 2008.