Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4881

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
23-06-2008
Datum publicatie
23-06-2008
Zaaknummer
04/860088-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

afpersing in Julianapark te Venlo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Parketnummer : 04/860088-08

Uitspraak d.d. : 23 juni 2008

TEGENSPRAAK

VONNIS

van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

naam : [verdachte]

voornamen : [voornamen]

geboren op : [geboortedatum en -plaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

1. Het onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 april 2008 en 9 juni 2008.

2. De tenlastelegging

De verdachte staat terecht ter zake dat:

hij op of omstreeks 18 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) mobiele telefoon(s) en/of geld en/of sigaretten, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zeggen dat ze vijf minuten hadden om alles in te leveren, in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking

waarbij (vervolgens) ten opzichte van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] een revolver, althans een vuistvuurwapen, in elk geval een op een revolver, althans een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp, werd getoond en/of

op dreigende wijze een revolver, althans een vuistvuurwapen, in elk geval een op een revolver, althans vuistvuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] werd gehouden;

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

4. De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen.

6. Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

7. Bewijsoverwegingen

7.1 Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 9 juni 2008 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde onderdelen die betrekking hebben op het gebruik van een wapen omdat verdachte pas bij de overval geconfronteerd werd met het feit dat medeverdachte [1] een wapen bij zich had. De opzet op het hebben en gebruiken van een wapen door verdachte kan daarmee niet wettig en overtuigend bewezen worden.

7.2 Bewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank

De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen.

7.2.1 (Samenvatting van de) bewijsmiddelen en standpunten van de rechtbank

De slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben aangifte gedaan van een overval op 18 november 2007 in het Julianapark in Venlo door drie daders. Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij hoorde dat jongen 1 zei: “Jongens, ik geef jullie vijf minuten om alles in te leveren, geld, sigaretten en telefoons. [slachtoffer 1] hoorde dat jongen 1 dit zei op dreigende toon. [slachtoffer 1] hoorde ook de andere twee verdachten roepen om geld en telefoons. [slachtoffer 2] zei: “Ik geef niets”. [slachtoffer 1] zag dat jongen 1 een revolver onder zijn jas haalde en de hendel naar achteren trok. Jongen 1 zette vervolgens de revolver tegen het hoofd van [slachtoffer 2] en maakte daarbij een gebaar richting [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 2] alles moest inleveren. [slachtoffer 1] zag dat [slachtoffer 2] zijn telefoon gaf. [slachtoffer 2] bevestigd deze lezing van [slachtoffer 1]. [slachtoffer 2] heeft nog verklaard dat hij zijn telefoon aan de jongen die voor hem stond heeft afgegeven.

[slachtoffer 1] hoorde dat jongen 2 zei: “Ik wil al je geld en je telefoon. Jongen 2 zei dit op een dreigende manier. [slachtoffer 1] heeft vervolgens een biljet van € 10,00 en van € 5.00 aan jongen 2 gegeven. Jongen 2 voelde vervolgens in de broekzak van [slachtoffer 1] een pakje sigaretten dat [slachtoffer 1] van jongen 2 moest inleveren. [slachtoffer 1] heeft vervolgens het pakje sigaretten aan jongen 2 gegeven. Medeverdachte [1] heeft verklaard dat hij van de jongen die tegenover hem stond een bankbiljet van € 10,00 en sigaretten heeft gekregen.

Hieruit concludeert de rechtbank dat slachtoffer [slachtoffer 1] en medeverdachte [1] tegenover elkaar stonden en dat daarmee medeverdachte [2] tegen over slachtoffer [slachtoffer 3] heeft gestaan. Daar waar [slachtoffer 1] het heeft over jongen 2, bedoelt hij daarmee medeverdachte [1] en met jongen 3 bedoelt hij [2]

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij werden aangehouden door drie jongens, die voor hen gingen staan.

[slachtoffer 1] omschrijft jongen 1 als de jongen die gekleed was in een witte jas met een bontkraag en die hij van zien kende. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij die avond de enige was die een witte jas aan had. [slachtoffer 1] herkende deze jongen later voor 100% zeker terug aan zijn gezicht, zijn haar en de opvallend witte jas die de jongen droeg, als zijnde de jongen die bij de overval het vuurwapen bij zich had. De aanwezige politie wordt aangesproken door [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de jongen die hij aanwijst, de jongen is die het wapen had bij de overval. De aanwezige verbalisant vraagt die jongen naar zijn naam. De jongen legitimeerde zich met zijn identiteitsbewijs. Dit stond op naam van [verdachte], [voornamen], geboren op 4 april 1990. De verbalisant ziet dat [verdachte] een opvallend witte jas met een opvallend grote bontkraag droeg. De medeverdachten [1] en [2] verklaren ook dat het verdachte is die bij de overval het wapen heeft gebruikt.

De rechtbank leidt uit deze verklaringen af dat het verdachte is, die [slachtoffer 1] bedoeld met jongen 1 en dat het verdachte is die het wapen heeft gehanteerd.

[slachtoffer 1] heeft voorts verklaard dat jongen 3 tegen ([slachtoffer 3]) aan het praten was. [slachtoffer 1] hoorde[slachtoffer 3] aan jongen 3 vroeg of hij zijn pasjes terug mocht hebben. Jongen 3 gaf daarop de portemonnee terug aan [slachtoffer 3]. [slachtoffer 1] hoorde ook[slachtoffer 3] vroeg of hij de simkaart van zijn telefoon terug mocht hebben. [slachtoffer 3] haalde zelf zijn simkaart uit de telefoon. [slachtoffer 1] verklaart voorts dat de 3 jongens zijn weggelopen en dat jongen 1 zei dat ze geen politie mochten bellen. Deze verklaring wordt bevestigd door de verklaring van [slachtoffer 3] . Aangever receveur heeft voorts verklaard dat de jongen die voor hem stond al het geld uit de portemonnee had gehaald en dat, nadat hij de simkaart uit zijn telefoon had gehaald de telefoon aan de jongen, die voor hem stond, gaf.

7.4 Bewezenverklaring

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 november 2007 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van mobiele telefoons en geld en sigaretten, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

welke bedreiging met geweld heeft bestaan uit:

het op dreigende toon tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zeggen dat ze vijf minuten hadden om alles in te leveren, in elk geval woorden van gelijke aard en/of strekking

waarbij ten opzichte van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een op een revolver gelijkend voorwerp, werd getoond en

op dreigende wijze een op een revolver gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] werd gehouden;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen.

Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

8. Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Het misdrijf is strafbaar gesteld bij de artikelen 317 juncto 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft.

10. De straffen en/of maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 9 juni 2008 met betrekking tot de op te leggen straffen gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot:

- een jeugddetentie voor de duur van 66 dagen, met aftrek ex artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren;

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

10.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat de werkstraf gematigd dient te worden gezien de rol van verdachte.

10.3 De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige overval in het Julianapark. Verdachte bevindt zich met een klasgenoot en diens neef in het uitgaansleven van Venlo. Op een gegeven moment wordt het idee opgevat om mensen te gaan overvallen. Verdachte heeft toen zelf de keuze gemaakt om mee te doen. Op weg naar het Julianapark is verdachte op het idee gekomen om thuis bij zijn grootouders een revolver, die hij daar had liggen, op te halen. Volgens medeverdachte [1] zou verdachte gezegd hebben dat het dan overtuigender over zou komen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank neemt het verdachte voorts kwalijk dat hij zijn eigen aandeel in de overval probeert te bagatelliseren door te verklaren dat niet hij maar zijn medeverdachte het wapen heeft gehanteerd.

De verklaring van verdachte dat hij meedeed omdat zijn medeverdachten hem hebben meegesleurd, acht de rechtbank wel een heel zwak excuus. De rechtbank is van oordeel dat daaruit blijkt dat verdachte op geen enkele wijze heeft nagedacht over de gevolgen die zijn handelen bij de slachtoffers teweeg zou kunnen brengen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank rekent verdachte voorts de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de maatschappelijke verontrusting die van die feiten het gevolg is aan.

Door feiten als de onderhavige voelen mensen die doorgaans het Julianapark bezoeken zich daar niet meer veilig en zullen het park mijden.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister reeds eerder een transactie heeft voldaan wegens een diefstal in vereniging.

De rechtbank zou normaal gesproken een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats achten. De rechtbank zal echter rekening houden met het feit dat het bewezenverklaarde feit al enige tijd geleden is gepleegd en dat verdachte sindsdien niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zich positief heeft ontwikkeld. Verdachte heeft werk en is van plan na de zomervakantie een chauffeursopleiding te gaan volgen. De rechtbank houdt ook rekening met feit dat verdachte het ITB-HKJ traject volgt en dat hij zelf heeft gezorgd voor werk en een stageplaats en met de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De rechtbank zal daarom geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden passend, om te voorkomen dat verdachte zich wederom aan strafbare feiten zal schuldig maken. De rechtbank acht voorts als bijzondere voorwaarde toezicht door de jeugdreclassering aangewezen.

Verder acht de rechtbank het van belang dat verdachte het in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte aangevangen ITB-HKJ-traject zal voltooien. De rechtbank zal dit als nadere bijzondere voorwaarde bij de voorwaardelijke jeugddetentie opleggen.

De rechtbank is van oordeel dat daarnaast taakstraf in de vorm van een werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, een gepaste bestraffing vormt en in dit geval een bijdrage kan leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

De rechtbank zal het aantal te werken uren onbetaalde arbeid stellen op 100 uren en bevelen dat, voor het geval de taakstraf niet naar behoren wordt verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

De rechtbank zal voorts het geschorste bevel voorlopige hechtenis opheffen.

10.4 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

10.4.1 De benadeelde partij [slachtoffer 1].

[slachtoffer 1], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade en immateriële schade.

[slachtoffer 1] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 19,00 en de immateriële schade op een bedrag van € 600,00 gesteld, en wil die schades vergoed krijgen. [slachtoffer 1] voornoemd heeft voorts de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade gevorderd.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Verdachte heeft de vordering met betrekking tot de materiële schade niet weersproken, zodat dat schadebedrag vaststaat.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gevorderd en de raadsman verzocht om als voorschot een bedrag van € 200,00 vast te stellen en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vordering voor dat deel niet eenvoudig van aard is.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij een bedrag van € 600,00 als immateriële schade heeft gevorderd.

De benadeelde heeft aangegeven dat hij als gevolg van de afpersing nachtmerries heeft gehad en slecht heeft kunnen slapen. Voorts durft de benadeelde niet meer in het park te komen waar alles zicht heeft afgespeeld en voelt zich minder veilig op straat. De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding van € 600,00 dan ook redelijk en zal dat bedrag aan benadeelde toewijzen.

De rechtbank zal ook bepalen dat de wettelijke rente dient te worden voldaan vanaf het ontstaan van voornoemde schade, zijnde 18 november 2007.

De rechtbank zal het totale schadebedrag vaststellen op € 619,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 12 dagen, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

10.4.2 De benadeelde partij [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 2] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 519,99 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Aangezien de vordering niet met stukken is onderbouwd, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Aangezien de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering zal worden verklaard, zal de verdachte niet worden veroordeeld in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt.

Niet gebleken is dat verdachte (extra) kosten heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering. De rechtbank zal deze kosten vaststellen op nihil.

10.4.3 De benadeelde partij [slachtoffer 3].

[slachtoffer 3], wonende te [adres], heeft een vordering benadeelde partij ingediend met betrekking tot de als gevolg van het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit geleden materiële schade.

[slachtoffer 3] voornoemd heeft de materiële schade op een bedrag van € 50,00 gesteld, en wil die schade vergoed krijgen.

Ten laste van verdachte is het hiervoor onder 1 ten laste gelegde feit bewezen. Het is een strafbaar feit en verdachte zal ter zake van dat feit worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, die door verdachte onvoldoende is weersproken, voor toewijzing vatbaar. Hoewel de benadeelde zijn vordering niet met bescheiden heeft onderbouwd, acht de rechtbank de gevorderde schade aannemelijk. De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 50,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht, samen met zijn mededaders, aansprakelijk voor deze schade.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag gemaakt, begroot op nihil.

De rechtbank zal tevens aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van € 50,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de tijd van 1 dag, te betalen ten behoeve van [slachtoffer 3] voornoemd, zoals hierna in het dictum genoemd.

11. Toepasselijke wetsartikelen

Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77a, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en verklaart verdachte ter zake strafbaar;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de tijd van 66 dagen;

beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 3 maanden;

beveelt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg in Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

stelt als nadere bijzondere voorwaarde dat verdachte het aangevangen

ITB-HKJ-traject zal afmaken;

heft op het (geschorste) bevel voorlopige hechtenis met ingang van heden;

veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 100 uren, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid;

beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast;

verstaat dat de werkstraf uiterlijk 1 jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zullen zijn voltooid;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 1].

wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 619,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres], te betalen een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 619,00 subsidiair 12 dagen jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 619,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 18 november 2007 tot de dag der algehele voldoening, ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 2].

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

stelt de kosten die verdachte heeft gemaakt ten aanzien van de civiele vordering op nihil;

Beslissing op de vordering benadeelde partij [slachtoffer 3].

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 50,00;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van betaling aan benadeelde partij

[slachtoffer 3], [adres], te betalen een bedrag van € 50,00;

bepaalt dat de verdachte zal zijn bevrijd voor zover voornoemde benadeelde partij - al dan niet via de betaling aan de Staat - door (één van) verdachtes mededaders is voldaan;

legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat te betalen een som geld ten bedrage van € 50,00 subsidiair 1 dag jeugddetentie ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3], [adres], met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 50,00 ten behoeve van voornoemd slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte om dit bedrag aan voornoemde benadeelde partij te betalen komt te vervallen en dat indien dit bedrag door verdachte en/of (een van) zijn mededader(s) aan voornoemde benadeelde partij is betaald, daarmee de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van voornoemd slachtoffer komt te vervallen;

veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de invordering van voormeld bedrag alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Vonnis gewezen door mrs. mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, M.B.T.G. Steeghs en Y.J.C.A. Roeffen, rechters, van wie mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.H.J. van Daal als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 juni 2008.