Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4724

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
19-06-2008
Zaaknummer
72685 / HA ZA 06 - 211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dient de in de procedure bedoelde weg aangemerkt te worden als een openbare weg. De rechtbank beantwoord deze vraag na getuigenverhoren bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROERMOND

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 72685 / HA ZA 06-211

Vonnis van 6 februari 2008

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.J.G. Goumans,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE VENRAY,

zetelend te Venray,

gedaagde,

procureur mr. O.J.H.M. van Eijndhoven.

Partijen zullen hierna [eiser] en De gemeente Venray genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 oktober 2006

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 februari 2007

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 29 mei 2007

- de conclusie na getuigenverhoor

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor tevens akte producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij haar eerder tussenvonnis. Er resteert de vraag of de litigieuze weg aangemerkt moet worden als een openbare weg als bedoeld in artikel 4, eerste lid aanhef en onder I van de Wegenwet. In dit verband heeft de rechtbank [eiser] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat meerdere mensen gedurende 30 jaar gebruik hebben gemaakt van het pad waarbij dit pad voor een ieder toegankelijk was.

2.2. Ten einde te voldoen aan zijn bewijsopdracht heeft [eiser] getuigen doen horen. In contra-enquete heeft ook de gemeente Venray getuigen doen horen.

2.3. Bij de waardering van het bewijs stelt de rechtbank het volgende voorop. Op grond van art. 4 lid 1 onder I van de Wegenwet is een weg openbaar indien deze gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest. Het gaat hierbij om vrije toegankelijkheid. Van vrije toegankelijkheid voor eenieder kan worden gesproken indien de eigenaar van de grond waarop de litigieuze weg is gelegen het gebruik van dat pad door het publiek heeft toegelaten. Het gebruik van de weg door (uitsluitend) "bestemmingsverkeer" is onvoldoende om de weg als voor eenieder vrij toegankelijk te bestempelen. Het hof verwijst naar de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer, geciteerd in de conclusie OM voor HR 29 mei 1987, NJ 1987, 860:

"Wat betreft de vraag, wat moet worden verstaan onder "voor een ieder toegankelijk", meent de ondergeteekende, dat het bezwaarlijk is daarvan eene nadere omschrijving in de wet neer te leggen. Of deze omstandigheid zich zal voordoen, zal in ieder geval op grond van de feiten moeten worden beslist. Een toegangsweg tot eene boerderij, die slechts mag worden begaan door hen, die zich naar die boerderij wenschen te begeven, voldoet naar zijne meening, niet aan dit vereischte."

2.4. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] is geslaagd in het van hem gevergde bewijs.

Uit de verklaringen van de getuigen volgt dat het pad niet enkel door [eiser] werd gebruikt maar door meerdere mensen, waarbij dit gebruik evenmin beperkt bleef tot het bereiken van de achterpercelen van de woningen aan de [....]weg/[....]singel maar het ook gebruikt werd als doorgang naar het achterliggende terrein en in een eerder stadium als doorgang naar de [....]weg. Een aanduiding als "eigen weg", "particuliere weg", "private weg" etc., waarmee duidelijk kenbaar zou zijn gemaakt dat de weg slechts ter bede voor eenieder toegankelijk is (vgl. art. 4 leden 2 en 3 Wegenwet), is door de getuigen nimmer waargenomen.

Tussen partijen wordt getwist over de afsluiting van de weg. Tussen partijen staat vast dat de weg recent volledig afgesloten is, welke afsluiting aanleiding vormt voor deze procedure. Discussie bestaat over de afsluiting aan de periode daaraan voorafgaand, welke afsluiting zou hebben bestaan uit het parkeren van de vrachtwagen van de heer [achternaam] op die weg. De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], die over de vrachtwagen spreken, onvoldoende zwaarwegend en steekhoudend. Onduidelijk is hoe vaak de vrachtwagen door hen daadwerkelijk op het pad gezien werd, terwijl uit hen verklaringen tevens volgt dat de vrachtwagen niet elke keer op het pad stond maar ook elders geparkeerd kon worden en ook geparkeerd werd. Dit laatste volgt tevens uit de verklaring van mevrouw [getuige 3] en mevrouw [getuige 4], dochters van de heer [achternaam]. Zij verklaarden dat hun vader het pad wel gebruikte om met de vrachtwagen op het braakliggend terrein achter hun perceel te komen alwaar de auto dan geparkeerd werd. De rechtbank acht in het licht daarvan onvoldoende aannemelijk dat er daadwerkelijk sprake was van een volledige afsluiting waardoor een einde zou zijn gekomen aan de vrije toegankelijkheid.

2.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank vervolgens toekomt tot beoordeling van de toewijsbaarheid van het door [eiser] gevorderde vanaf punt 3 zoals genummerd in het vonnis van 18 oktober 2006. Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling toe te komen stelt de rechtbank vast dat de gemeente Venray in haar conclusie na enquête een nadere onderbouwing gegeven van haar standpunt dat [eiser] door wijziging van de feitelijke omstandigheden staande de procedure geen belang meer zou hebben bij het door hem gevorderde nu dit, kort samengevat, niet zou kunnen leiden tot de door hem gewenste uitweg. Het komt de rechtbank gerade voor [eiser] in de gelegenheid te stellen op deze onderbouwing bij akte te laten reageren.

3. De beslissing

De rechtbank

Verwijst de zaak naar de rol van 27 februari 2008 voor akte uitlating zijdens [eiser] aangaande het door de gemeente Venray gestelde omtrent het ontbreken van belang bij het door hem gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.?