Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4275

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
17-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/626
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de waarde van een waterkrachtcentrale (WKC) op de waardepeildatum 1 januari 2003. Verweerder heeft de beschikte waarde van het object berekend aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de bedrijfswaarde van de WKC beslissend is en dat de bedrijfswaarde, gezien de negatieve bedrijfsresultaten, op nihil gesteld dient te worden. Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de waarde dient te worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1334

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Procedurenummer : AWB 07/626

Inzake : Essent Energie Produktie BV, gevestigd te Geertruidenberg, eiseres, gemachtigde: drs. G.J.M. Jacobs,

tegen : de Heffingsambtenaar van de gemeente Maasgouw, voorheen

de gemeente Maasbracht, verweerder.

1. Procedureverloop

Verweerder heeft bij beschikkingen krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), gedateerd respectievelijk 28 februari 2005 en 31 december 2006, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als Weerd 0 te Linne, zijnde een waterkrachtcentrale (hierna: de WKC), per waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 14.165.000,=, voor het tijdvak 1 januari 2005 tot 1 januari 2007.

Eiseres heeft tegen voornoemde beschikking, gedateerd 28 februari 2005, bezwaar gemaakt bij schrijven van 24 maart 2005, ontvangen door verweerder op diezelfde dag. Bij schrijven van 1 juni 2005 heeft eiseres de gronden van bezwaar aangevuld. Eiseres heeft vervolgens tegen voornoemde beschikking, gedateerd 31 december 2006, bezwaar gemaakt bij schrijven van 24 januari 2007, ontvangen door verweerder op 26 januari 2007.

Verweerder heeft bij uitspraak van 22 maart 2007 de waarde gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij schrijven van 27 april 2007, ontvangen ter griffie op 1 mei 2007, beroep ingesteld. Bij schrijven van 13 juni 2007 heeft eiseres nadere stukken ingediend en bij schrijven van 14 juni 2007 heeft eiseres de gronden van beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 3 maart 2008 heeft verweerder nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008, alwaar eiseres zich heeft doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd en tevens is verschenen G.A.H. van Luyt, taxateur. Verweerder is verschenen in de persoon van G.H.C. Nouws-Van Munnecom, bijgestaan door mr. J. van Dongen als gemachtigde en B.G.A.M. Pompe, taxateur.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, gaat de rechtbank uit van de volgende -niet in geschil zijnde- feiten.

Eiseres is eigenaar en exploitante van de WKC. De WKC is gelegen in de rivier de Maas en gebouwd in 1989. De inhoud van de WKC is 650 m³ en het perceel is groot 136.190 m².

3. Geschil

In geschil is of de waarde van de WKC op de waardepeildatum niet te hoog

is vastgesteld.

Eiseres heeft zich ter motivering van haar beroep primair op het standpunt gesteld dat de bedrijfswaarde van de WKC beslissend is bij de waardevaststelling en dat de bedrijfswaarde, gezien de negatieve bedrijfsresultaten, op nihil gesteld dient te worden. Voor wat betreft de waarde van de gronden is het standpunt ingenomen dat de sloopkosten de waarde als landbouwgrond overstijgen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres zich beroepen op een taxatierapport, opgemaakt op 27 mei 2005 door G.A.H. van Luyt, WOZ-taxateur. Eiseres heeft haar standpunt ter zitting in dier voege bijgesteld dat niet langer wordt voorgestaan dat de bedrijfswaarde nihil zou zijn, maar nauwkeurigere berekeningen hebben geleid tot een bedrijfswaarde van € 2.411.000,=. Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat, voor zover de rechtbank van oordeel zou zijn dat de waardevaststelling van de WKC aan de hand van de bedrijfswaarde niet van toepassing zou zijn, de waarde dient te worden bepaald aan de hand van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Die gecorrigeerde vervangingswaarde dient volgens eiseres gesteld te worden op € 6.460.000,=. Tot slot heeft eiseres verzocht om vergoeding van de proceskosten.

4. Beoordeling van het geschil

Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald

op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

In het derde lid van artikel 17 van de Wet WOZ is opgenomen dat in afwijking van het tweede lid de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, wordt bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:

a. de aard en de bestemming van de zaak;

b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ wordt de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering, gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.

Artikel 4, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ bepaalt dat bij de berekening van de vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ voor bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken een zodanige factor voor functionele veroudering wordt toegepast dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van die onroerende zaak rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.

Verweerder, op wie de bewijslast rust dat de waarde van de WKC niet te hoog is vastgesteld, beroept zich op een taxatierapport, opgemaakt in de beroepsfase op 6 februari 2008 door B.G.A.M. Pompe, WOZ-taxateur. In dit taxatierapport is de waarde van de WKC getaxeerd op € 14.166.000,=. Het taxatierapport is voorzien van fotomateriaal van de het object.

Bij de waardering heeft verweerder als uitgangspunt genomen het tussen partijen op basis van een op 7 mei 1991 opgemaakt taxatierapport gesloten compromis ter vaststelling van de waarde per peildatum 1 januari 1986. De toentertijd overeengekomen gecorrigeerde vervangingswaarde ad ƒ 31.210.000,= ( € 14.162.480,=) heeft verweerder geïndexeerd naar de peildatum thans aan de orde, waarbij de uitgangspunten, zoals voor het belastingjaar 1990 overeengekomen, zijn gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Door het invoeren van de gecorrigeerde vervangingswaarde heeft de wetgever de waarde die de zaak voor de eigenaar zelf heeft als waardebepalende factor in aanmerking willen doen komen. Ingevolge vaste jurisprudentie (zoals onder meer het zogenoemde Veendamarrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, gepubliceerd in BNB 1992/298) wordt bij een incourante onroerende zaak, indien er sprake is van een in de commerciële sfeer gebezigde zaak, de gecorrigeerde vervangingswaarde niet op een hoger bedrag gesteld dan de bedrijfswaarde.

Partijen nemen eensluidend het standpunt in dat de WKC als ‘incourante onroerende zaak’ in vorenbedoelde zin is aan te merken. De rechtbank ziet geen grond om partijen hierin niet te volgen.

Partijen verschillen primair van mening over de vraag of de WKC in de commerciële sfeer wordt gebezigd.

Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de WKC, dient te worden aangemerkt als een commerciële onroerende zaak, aangezien met de ondernemingsactiviteiten winst werd en wordt beoogd. Ter onderbouwing van dit standpunt is erop gewezen dat het object is opgericht met het oogmerk om winst te behalen, terwijl ook daadwerkelijk winst wordt behaald. Uit de Beleidsnota uit 1985 blijkt, aldus eiseres, dat een winstgevende exploitatie van de WKC voorop stond. Verwezen is verder naar het zogenaamde Epon-arrest (BNB 1997/294), waarin is uitgemaakt door de Hoge Raad dat in zijn algemeenheid voor de elektriciteitsproduktiesector het voorop staan van een winstgevende exploitatie heeft te gelden.

Verweerder heeft bij nader verweer van 3 maart 2008 het standpunt ingenomen dat waterkrachtcentrales in Nederland eerst en vooral om andere dan economische redenen worden gebouwd en geëxploiteerd. De bouw en de exploitatie van waterkrachtcentrales vindt derhalve primair niet plaats om daarmee winst te behalen en is zelfs in het algemeen economisch niet rendabel zonder financiële overheidssteun, aldus verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast dat er geen sprake zou zijn van een in de commerciële sfeer gebezigde onroerende zaak. Met hetgeen door verweerder op dit punt te berde is gebracht, hetgeen voor een groot deel is gebaseerd op algemene informatie uit openbare bronnen over energie uit waterkracht in zijn algemeenheid, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de WKC is opgericht vooral en met name om in het algemeen belang gelegen redenen. Daarbij is van belang, zoals door eiseres ter zitting terecht is bepleit, dat de beoordeling van het oogmerk dient plaats te vinden aan de hand van het oogmerk ten tijde van de stichting van het bouwwerk. Indien en voor zover na het besluit tot de stichting van de onroerende zaak, de exploitatie al niet rendabel zou blijken te zijn, vormt dit geen grondslag voor "omlabeling" van de onroerende zaak naar niet commercieel. Hetgeen door verweerder is aangevoerd om aan te tonen dat rendabele exploitatie niet mogelijk is zonder overheidssteun door fiscale maatregelen, treft dan ook reeds daarom geen doel. Immers uit niets blijkt dat bij de stichting rekening is gehouden met overheidssteun, laat staan dat dit een doorslaggevende rol heeft gespeeld. Uit de voorhanden gegevens, waarvan met name de beleidsnota uit 1985, kan niet worden afgeleid dat toentertijd het oogmerk van stichting vooral gelegen was in het algemeen belang. De inleiding van de beleidsnota op pagina 3 vermeldt reeds in de eerste zin dat een verkennende studie naar de toepassingsmogelijkheden van waterkracht in de Maas (januari 1983) tot de conclusie heeft geleid dat het op economische gronden verantwoord werd geacht over te gaan tot realisatie van een waterkrachtcentrale. Uit de bij de genoemde beleidsnota behorende “figuur 2” blijkt vervolgens dat afhankelijk van de methode van afschrijving in 2004 dan wel 2009 een positief financieel resultaat werd voorzien, hetgeen door verweerder als zodanig niet is bestreden. Integendeel, daar waar verweerder bij het nader verweer de waardevaststelling onderbouwt met de Discounted-Cash-Flow-methode (DCF) gaat ook verweerder uit van een winstverwachting vanaf die data. Waar door verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt is gewezen op hetgeen onder 1.8 van de samenvatting van de beleidsnota is vermeld, namelijk dat de bouw van een waterkrachtcentrale tegemoet komt aan het algemene energiebeleid en het gewenste beleid ten aanzien van de elektriciteitsopwekking dat gebaseerd is op energie-besparing en diversificatie van brandstoffen, terwijl toepassing van waterkracht tevens beschouwd kan worden als een milieuvriendelijke wijze van elektriciteitsopwekking, sluit de inhoud van deze tekst niet uit dat eerst en vooral het behalen van winst wordt nagestreefd met deze wijze van energieopwekking.

Immers goede (commerciële) bedrijfsvoering vraagt evenzeer dat een ondernemer, rekening houdend met de eindigheid van de grondstoffen (i.c. fossiele brandstoffen) en ontwikkelingen in de maatschappij, voor de vervaardiging van zijn product poogt alternatieven in de markt te zetten om op deze wijze ook in de toekomst aan de vraag van afnemers te kunnen voldoen en zo de toekomst zijn bedrijf veilig te stellen.

De overige door verweerder aangehaalde teksten uit de beleidsnota nopen evenmin tot de door verweerder voorgestane conclusie. In het feit dat energie-opwekking door gebruikmaking van waterkracht (tevens) milieuvriendelijk is, eindige primaire energiebronnen spaart en een positief financieel-economische resultaat haalt (5.11), ziet de rechtbank evenmin als in het gegeven dat de bouw van de WKC tijdens de bouwfase werkgelegenheid biedt (2.14) grond gelegen om te concluderen dat de WKC “vooral om in het algemeen belang liggende redenen is gebouwd”, zoals verweerder stelt. Het komt de rechtbank als een feit van algemene bekendheid voor dat in het huidige tijdsgewricht iedere ondernemer er -juist om commerciële redenen- belang bij heeft om zich te profileren als milieubewust en duurzaam producerend. Verweerder heeft tenslotte op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat er door eiseres slechts gestreefd zou worden naar een kostendekkende exploitatie, zodat ervan dient te worden uitgegaan dat gestreefd wordt naar een optimale bedrijfsvoering.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat afwaardering naar bedrijfswaarde niet tot de mogelijkheden behoort, voor rechtens onjuist moet worden gehouden.

Vervolgens ligt dan de vraag voor of eiseres is geslaagd in de op haar rustende bewijslast dat de bedrijfswaarde lager is dan de gecorrigeerde vervangingswaarde. Daarbij is van belang dat voor verdere afwaardering van een onroerende zaak tot op de bedrijfswaarde uitsluitend aanleiding is indien er algemene invloeden zijn die de waarde van de onroerende zaak beïnvloeden. De waarde kan nooit lager zijn dan de directe opbrengstwaarde.

Tussen partijen is in confesso dat er in het onderhavige geval sprake is van algemene invloeden van buitenaf die de waarde van de zaak kunnen beïnvloeden. Partijen verschillen echter van mening over de directe opbrengstwaarde.

Bij nader verweerder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de bedrijfswaarde als deze berekend wordt met de DCF-methode tenminste op hetzelfde bedrag dient te worden gesteld als de gecorrigeerde vervangingswaarde, zoals die is vastgesteld bij het bestreden besluit door indexering van de oorspronkelijk overeengekomen waarde per peildatum 1986

Verweerder heeft de op pagina 13 tot en met 15 uitgevoerde DCF-berekeningen evenwel voornamelijk gebaseerd op algemene gegevens zoals een technische brochure van Cadett en een in 1999 verschenen rapport van het Energie Centrum Nederland en niet op de concrete cijfers en gegevens van de WKC, waarover verweerder -naar tussen partijen niet in geschil is- ook niet beschikte. Slechts voor wat betreft de kosten is bij de berekening gebruik gemaakt van het door eiseres in de bezwaarfase overgelegde (eigen) kostenoverzicht.

De berekening is dan ook grotendeels speculatief. Daarenboven gaat verweerder bij zijn berekeningen uit van een resterende levensduur van nog 35 jaar, hetgeen impliceert dat de levensduur van 40 jaar waarvan door verweerder oorspronkelijk werd uitgegaan, thans wordt gesteld op 50 jaar.

De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere specifieke gegevens over de huidige bouwkundige staat van de onroerend zaak voor dit standpunt onvoldoende grondslag aanwezig is. Dit geldt te meer nu onbestreden gebleven is gesteld dat de WKC aardbevingsschade heeft opgelopen. Die schade is weliswaar gerepareerd door het dichten van de ontstane scheuren, maar op basis van algemene gegevens van andere centrales kan niet zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat met die reparatie de invloed van de aardbevingsschade op de levensduur van de WKC daardoor in zijn geheel is opgeheven.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder berekende bedrijfswaarde een voldoende feitelijke grondslag ontbeert. Dit maakt dat ook verweerders bij nader verweer ingenomen subsidiaire standpunt geen stand houdt.

Eiseres heeft op basis van de feitelijk gerealiseerde opbrengsten en de feitelijk gemaakte kosten met toepassing van de DCF-methode door een deskundige een berekening laten uitvoeren hetgeen resulteert in een waarde per 1 januari 2003 van € 2.411.000,=. Nu echter voldoende feitelijke gegevens ontbreken om de juistheid van die berekeningen te verifiëren en verweerder daartoe naar dezerzijds oordeel ook niet deugdelijk in de gelegenheid is geweest, niettegenstaande een korte schorsing ter zitting om die eerst ter zitting overgelegde berekening in te zien, acht de rechtbank onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig om eiseres in de door haar voorgestane bedrijfswaarde te volgen.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de voor de WKC bepaalde waarde te hoog is en het beroep gegrond dient te worden verklaard.

Met het oog op de sedert het indienen van de bezwaarschriften van eiseres verstreken tijd en de belangen van beide partijen ziet de rechtbank verder aanleiding te bepalen dat verweerder binnen zes weken na verzending van de onderhavige uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften van eiseres van 24 maart 2005 en 24 januari 2007 zal dienen te beslissen.

De rechtbank heeft bij het voorgaande in aanmerking genomen dat op deze wijze een nader besluit door verweerder sneller zal kunnen worden genomen dan dat de rechtbank nadere informatie gaat inwinnen en/of een deskundige zal benoemen en laten rapporteren en vervolgens de waarde – al dan niet na een nadere behandeling van het beroep van eiseres ter zitting – zelfstandig gaat bepalen aan de hand van die nadere informatie en/of rapportage.

5. Proceskosten en griffierecht

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten, met een waarde van € 322,= per punt, toegekend: één voor het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

De rechtbank zal verder bepalen dat de gemeente Maasgouw het door eiseres betaalde griffierecht, te weten € 285,=, aan eiseres dient te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

bepaalt dat verweerder met in acht name van het door de rechtbank overwogene binnen zes weken na datum van deze uitspraak opnieuw op de bezwaarschriften van eiseres beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,= (wegens kosten van rechtsbijstand) en wijst de gemeente Maasgouw aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden aan eiseres;

gelast dat de gemeente Maasgouw het betaalde griffierecht van € 285,= vergoedt aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels, mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen (voorzitter) en mr. F.L.G. Geisel in tegenwoordigheid van mr. R.A. Debets als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2008

Voor eensluidend afschrift,

de (wnd.) griffier,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 24 april 2008

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ

te ’s Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Partijen kunnen ook beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Dit is echter alleen mogelijk indien de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.