Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROE:2008:BD4076

Instantie
Rechtbank Roermond
Datum uitspraak
24-04-2008
Datum publicatie
16-06-2008
Zaaknummer
07 / 644, 07 / 647 en 07 / 648 WRO K1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling art 19 lid 1 WRO voor vestiging op- en overslagbedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

Procedurenrs. : 07 / 644, 07 / 647 en 07 / 648 WRO K1

Inzake : [eiser A en B] te [plaats], dhr. en mw. [eiser C en D] te [plaats] en [eiser C] en Zn. B.V. en dhr. [eiser E], te [plaats] [allen te woonplaats], eiser/eiseres

tegen : Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbree, verweerder.

Datum en aanduiding van het bestreden besluit:

de brieven d.d. 20 maart 2007,

kenmerken: Nummer VR-2006001.

Datum van behandeling ter zitting: 15 februari 2008.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder aan Int. Transportbedrijf [belanghebbende] (hierna: belanghebbende) vrijstelling verleend op grond van artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor het vestigen van zijn op- en overslagbedrijf aan de [adres] te [plaats].

Tegen dat besluit is bij deze rechtbank (rechtstreeks) beroep ingesteld.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is belanghebbende in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Ook Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg (hierna: GS) zijn in de gelegenheid gesteld als belanghebbende aan het geding deel te nemen. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eisers gezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 februari 2007, gelijktijdig met de beroepen met de dossiernummers 07/ 645; 07/ 646. Ter zitting zijn eisers [eiser A en B] verschenen (07/ 644), evenals eiser [eiser C] (07/ 647), bijgestaan door mr. J.M.S. Salomons van DAS rechtsbijstand. Verder is eiser [eiser D] (07/ 648), eveneens bijgestaan door mr. J.M.S. Salomons, welke ook als gemachtigde van [eiser C] en Zn B.V. (eveneens 07/ 648) is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.J.J. van Houtert en P.Tielen.

Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de zaken weer gesplitst in dier voege dat afzonderlijk uitspraak wordt gedaan in de zaken 07/ 645 en 07/ 646.

II. OVERWEGINGEN

Op 24 april 2006 is door Bergs Advies namens belanghebbende vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO gevraagd voor de vestiging van zijn transportbedrijf op de locatie, kadastraal bekend gemeente Maasbree, sectie [kadastergegevens], plaatselijk bekend als [adres] te [plaats].

Het bedrijf is gevestigd aan de [huidig adres] te [plaats].

Ter plaatse van de locatie [adres] te [plaats] geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 1979”, zoals nader gewijzigd in 1987, met de bestemming “Agrarische bedrijfsdoeleinden (AG-B). Ingevolge planvoorschrift 11.1 juncto de planvoorschriften 2.3 en 4.3 is de vestiging van het transportbedrijf ter plaatse niet toegestaan.

Ten behoeve van het verzoek om vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO is in opdracht van belanghebbende door Bergs Advies een ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Het besluit tot vrijstelling is ingevolge artikel 19a van de WRO voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het voornemen van verweerder om vrijstelling te verlenen is op 28 juni 2006 gepubliceerd en de stukken hebben met ingang van 29 juni 2006 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen.

Daarop zijn zienswijzen ingediend, waaronder door eisers [eiser A-B] (zaaknummer 07/ 644). In de zienswijze hebben zij het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd:

De bestemming wordt gewijzigd van “agrarisch gebied” naar “industriële doeleinden”. Eisers vrezen geluidoverlast, onveiligheid en milieuschade. Eisers woning grenst aan het betreffende perceel. Het voormalige bedrijf [bedrijf] groothandel in bloemen, gaf met een tot twee verkeersbewegingen in de nacht al geluidoverlast. Een internationaal transportbedrijf dat groeit naar 50 combinaties is een continu bedrijf waar dag en nacht activiteiten zijn. Het betreffende terrein grenst verder aan de bebouwde kom en is omgeven door woningen. Zolang de aard van de producten die worden op- en overgeslagen niet bekend is, vrezen eisers ook als gevolg daarvan milieuschade, geluidoverlast en onveiligheid. Eisers stellen dat in de ruimtelijke onderbouwing een onvolledige beschrijving en interpretatie is gegeven van de oude en nieuwe bedrijfslocatie. Eisers betwisten dat sprake is van een kwaliteitsverbetering door verplaatsing van het bedrijf. Verweerder gaat voorbij aan de groei van het bedrijf. Per saldo is er een ernstige kwaliteitsverslechtering ten opzichte van de huidige situatie en de besluitvorming is in strijd met de uitgangspunten van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL).

Ook de andere eisers (zaken 07/ 647 en 07/ 648) hebben zienswijzen ingebracht. Samengevat en zakelijk weergegeven voeren zij het volgende aan. Eisers betwisten de ruimtelijke onderbouwing. Zij geven aan dat het bedrijf niet past in de omgeving. Zij betwisten dat er geen sprake is van een significante nadelige invloed op de luchtkwaliteit en wijzen ook op geluidoverlast door (koel)motoren en laad- en losbewegingen, waardoor het woonklimaat in de omgeving zeer nadelig zal worden beïnvloed. Verder stellen zij dat de verkeersveiligheid in het geding is, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op de route voor schoolgaande kinderen. Tenslotte wordt het uitzicht van de woning [eiser A-B] en van eiser [eiser D] nadelig beïnvloed, hetgeen tot waardevermindering zal leiden. Ook zal de rust bij de woning van laatstgenoemde eiser worden aangetast. Eiser [eiser C] en Zn. B.V. voeren nog aan dat de weg versmald is aangelegd en slecht tot ontsluiting kan leiden. Aangegeven wordt dat de verkeerssituatie op de kruising Kieënweg-Bong nadelig wordt beïnvloed. Als laatste wordt gesteld dat als het bedrijf van belanghebbende geen exploitatiebijdrage hoeft te betalen, hetgeen een ongelijke behandeling inhoudt ten opzichte van laatst genoemde eiser.

Naar aanleiding van de zienswijzen heeft verweerder op 20 december 2007 een zienswijzenverslag opgesteld waarin verweerder zijn reactie op de ingediende zienswijzen geeft. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft verweerder bij schrijven van 22 december 2006 aan belanghebbende nog nadere (onderzoeks)gegevens gevraagd en randvoorwaarden geformuleerd waaronder vrijstelling enkel zal kunnen worden verleend. Het betreft een akoestisch onderzoek om te bezien of het bedrijf past binnen de bestaande omgeving; nieuwe tekeningen ten aanzien van een stofvrije terreinverharding waarbij ook blijkt dat aan de eisen van het waterschap wordt voldaan; de aankondiging van de voorwaarde in de vrijstelling dat maximaal 25 vrachtwagencombinaties zullen worden toegestaan; nadere eisen aan de bedrijfsbeëindiging op de locatie [huidig adres] te [plaats] in de vorm van een garantieovereenkomst; het verzoek om een nadere onderbouwing van het aantal verkeersbewegingen; en tenslotte wordt aangegeven dat mogelijk alsnog een kostenbijdrage aan de “Reconstructie Kieënweg en Pratwinkel” zal moeten worden voldaan. De indieners van de zienswijzen zijn van het voorgaande door verweerder bericht.

Aangezien het vigerende bestemmingsplan ouder is dan 10 jaar, is op 31 oktober 2006 door de raad van verweerders gemeente ingevolge artikel 21 van de WRO een voorbereidingsbesluit ten aanzien van de betreffende locatie genomen, dat op 14 februari 2007 is gepubliceerd en dientengevolge op 15 februari 2007 in werking is getreden.

Op 2 februari 2007 is door verweerder een aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar ingediend bij GS, welke verklaring van geen bezwaar op 1 maart 2007 is verleend.

Bij besluit van 20 maart 2007 (verzonden 2 april 2007) is door verweerder vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van de vestiging van het bedrijf van belanghebbende. Aan de vrijstelling zijn voorwaarden verbonden.

Tegen dit besluit is door eisers beroep aangetekend bij deze rechtbank.

In beroep voeren eisers in de zaak 07/ 644 – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan:

- Eisers, wiens woning aan de [eiser A en B] grenst aan het perceel van belanghebbende, vrezen geluidoverlast, onveiligheid en milieuschade;

- Verweerder wordt ten aanzien van de verkeersveiligheid verweten geen onderzoek ter hoogte van de hoek Kieënweg-Bong te hebben verricht; geen maximaal aantal voertuigbewegingen en ook geen kettingbeding in de vrijstelling te hebben voorgeschreven; geen passende overgang naar het buitengebied in de vrijstelling te hebben geregeld; en geen (poging tot) overleg met de buurt en belanghebbende te hebben geregeld. Dit terwijl dit door verweerder aan de gemeenteraad zou zijn toegezegd;

- De (aanvullende) ruimtelijke onderbouwing wordt onvolledig/ onjuist bevonden. Te weten:

a. Er is geen (nader) flora- en faunaonderzoek verricht naar het voorkomen

van de das;

b. De verminderde noodzaak van het terrein als buffer

tussen het bedrijventerrein en het landelijk gebied door de uitbreiding in

oostelijke richting van het glastuinbouwbedrijf maatschap Crienen is nog

geen feit;

c. Er is geen verbetering van de omgevingskwaliteit in de aanvullende

ruimtelijke onderbouwing en in het akoestisch rapport blijkt dat er sprake is

van maximaal 90 transportbewegingen per etmaal op de Pratwinkel;

d. De verkeerssituatie op de Napoleonsbaan Noord op de huidige locatie van

het bedrijf is niet problematisch terwijl de verkeerssituatie aan de Pratwinkel door verweerder wordt gemarginaliseerd. Immers ontsluiting vindt plaats via

de bebouwde kom, deels via het bedrijventerrein en deels via de Bong,

welke de hoofdontsluitingsweg is. Een deel van de Bong is echter ingericht

als 30 km zone omwille van de verkeersveiligheid. Op het punt aansluiting

Kieënweg-Bong-Napoleonsbaan verzamelen en passeren dagelijks alle

middelbare scholieren die richting Helden fietsen en alle kinderen ten

westen van de Napoleonsbaan die de basisschool bezoeken. Hier is de

enige met verkeerslichten beveiligde oversteekplaats. Juist in- en

uitvoegende vrachtwagencombinaties veroorzaken hier verkeersonveilige

situaties. Het argument verkeersveiligheid is absoluut niet steekhoudend

en niet alle feiten in het onderzoek zijn meegenomen of voldoende

gewogen;

e. In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing wordt gesteld dat de

wegenstructuur van de Bong en Kieënweg voldoet aan eisen voor

toenemend vrachtverkeer. De Pratwinkel is ter plaatse waar het bedrijf zich

wil vestigen echter smaller dan in het overige deel van het bedrijventerrein,

welk gegeven geheel buiten beschouwing is gelaten;

f. In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing is ten aanzien van de

luchtkwaliteit gesteld dat verslechtering op de ene locatie een verbetering

op de andere locatie is. Dit gaat voorbij aan de bijna verdubbeling van het

aantal vrachtwagens op de Pratwinkel. Bewoners ten zuidwesten van de

nieuwe locatie hebben belang bij onderzoek naar de luchtkwaliteit;

g. Het aspect locale werkgelegenheid wordt niet onderbouwd en eisers zetten

daar vraagtekens bij;

- Eisers stellen dat het akoestisch rapport feitelijke onjuistheden kent;

a. De hoek van de woning van eisers is gelegen op circa 25 m van de

noordelijke inrit van [adres]. De slaapkamers zijn gelegen aan die

zijde van de Pratwinkel. In het akoestisch onderzoek is eisers woning niet

opgenomen; wellicht is met [...] eisers woning

bedoeld, zo stellen eisers;

b. Het onderzoek gaat uit van een zachte ondergrond terwijl vanaf beide

inritten de grond verhard is met asfalt of beklinkering;

c. Niet vermeld wordt dat [adres] in de nacht de geluidnorm overschrijdt door verkeersbewegingen van het eigen transportbedrijf GMB. Eisers

ondervinden vroeg in de ochtenduren overlast van geluid en stank. Als

belanghebbende zich vestigt, is er sprake van cumulatie van geluid en

stank;

d. Sluiten van de noordelijke inrit in de avond- en nachturen is niet in de

vrijstelling als voorwaarde opgenomen;

- Voor eisers is het onduidelijk wat het toestaan van 25 vrachtwagencombinaties betekent; is dit de norm voor het aantal dat kan worden geparkeerd op het terrein, geldt dit voor de vrachtwagencombinaties in eigendom, geleased of gehuurd?;

- In het vrijstellingsbesluit ontbreken tijdstippen dat geen vervoer mag plaatsvinden;

- Ook is geen tijdstip opgenomen dat de oude locatie moet zijn teruggegeven aan het agrarisch gebied. Niet is aangegeven dat de bestemming aldaar wordt gewijzigd. Dat betekent dat een nieuwe aanvraag door gemeente ingewilligd moet worden als het bestemmingsplan niet wordt veranderd.

Eisers concluderen dat belangen onvoldoende zijn afgewogen en dat verweerders besluitvorming onzorgvuldig is.

Eisers in de zaken 07/ 647 en 07/ 648 sluiten zich bij het hiervoor genoemde beroep aan, en stellen voorts dat hun bezwaren in de zienswijze niet of onvoldoende zijn weerlegd en betwisten op die punten ook de aanvullende ruimtelijke onderbouwing.

Verder is er in de zaken 07/ 647 en 07/ 648 een aanvullend beroepschrift ingediend, opgesteld door adviesbureau Van Riezen & Partners, welk bureau is ingeschakeld door de gemachtigde. Daarin wordt nog onderbouwd dat onvoldoende blijkt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het POL (onder meer ten aanzien van de locatiekeuze voor het bedrijf, de maximale kavelmaat, de bijdrage aan de kwaliteit van het landschap) en het gemeentelijk beleid (ten aanzien van agrarische bestemmingen). Verder wordt nader ingegaan op de bezwaren met betrekking tot de ruimtelijke effecten van het project voor de omgeving, in het bijzonder ten aanzien van de aspecten water, bodem, luchtkwaliteit, geluidhinder en verkeershinder.

Ten aanzien van de procedure wordt nog gesteld dat niet duidelijk is of alle relevante stukken ter inzage hebben gelegen, met in het bijzonder de stukken van de aanvullende ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch rapport, die eerst gereed zijn gekomen na de termijn van terinzagelegging.

Door verweerder is een verweerschrift ingediend.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank dient op basis van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ten aanzien van de procedurele aspecten overweegt de rechtbank allereerst dat het onderhavige vrijstellingsbesluit op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO, voor de toepassing van artikel 6:13 van de Awb als één besluit, dat zich niet laat opdelen in meerdere besluitonderdelen, moet worden aangemerkt. Nu eisers een zienswijze hebben ingediend tegen het vrijstellingsbesluit, staat het hen vrij om in beroep gronden aan te voeren die zien op ditzelfde besluit. Die gronden hoeven niet noodzakelijkerwijs aan te sluiten bij hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht. De rechtbank verwijst voor haar standpunt naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 oktober 2007 (LJN: BB6324) en de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 oktober 2007 (LJN: BB6903).

Vervolgens overweegt de rechtbank dat door de gemachtigde van eisers in de zaak 07/ 648 op 1 februari 2008 nog een aanvullend beroepschrift aan de rechtbank (in tweevoud) is toegezonden. Ter zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat dit aanvullend beroepschrift ook geacht moet worden te zijn ingediend in de zaak 07/ 647. De rechtbank zal dit als zodanig aanmerken.

Ten aanzien van deze aanvullende beroepschriften overweegt de rechtbank dat hoewel deze binnen de 10-dagentermijn zijn ingediend, de goede procesorde met zich meebrengt dat niet op het allerlaatste moment nog uitgebreid aanvullende gronden worden ingediend. Door verweerder is echter niet gesteld en de rechtbank is ook niet gebleken, dat verweerder hierdoor in dit geval is benadeeld. Immers, verweerder is nog op alle beroepsgronden ingegaan. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat er in casu geen bezwaarprocedure geldt en verweerder na de terinzagelegging nog een aanvullende ruimtelijke onderbouwing en een akoestisch onderzoek aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, zonder dat eisers daarover eerst nog hun zienswijzen hebben kunnen geven. De aanvullende beroepschriften worden dan ook door de rechtbank toegelaten.

Ten aanzien van de beroepsgrond van eisers in de zaken 07/ 647 en 07/ 648 dat niet alle stukken ter inzage hebben gelegen, waarbij eisers concreet de aanvullende ruimtelijke onderbouwing en het akoestisch rapport noemen, overweegt de rechtbank tenslotte nog, voor zover het beroep van deze eisers betreft, dat noch uit de WRO, noch uit enige andere wettelijke bepaling volgt dat verweerder is gehouden de indieners van zienswijzen, door toezending dan wel terinzagelegging, in kennis te stellen van stukken inzake het projectplan die na vaststelling nog aan hem worden toegezonden of door verweerder bij zijn besluitvorming worden betrokken. Onder omstandigheden kan echter uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding aanleiding bestaan de indieners van de zienswijze in kennis te stellen van dergelijke nadere stukken en hun gelegenheid te bieden hierop te reageren.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 26 september 2007 en van 24 oktober 2007, LJN: BB4296 respectievelijk BB6314.

Gelet op het gewicht dat verweerder in zijn besluitvorming nog heeft toegekend aan de aanvullende ruimtelijke onderbouwing en aan het akoestisch rapport, bestond er naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak aanleiding de indieners van een zienswijze in kennis te stellen van deze nadere stukken en hun gelegenheid te bieden hierop te reageren. Het beroep van eisers in de zaken 07/ 647 en 07/ 648 is gegrond en het bestreden besluit komt reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, en overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat het voorgestane gebruik in strijd is met de, ingevolge het vigerende bestemmingsplan, op het perceel rustende bestemming. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben.

De gemeenteraad kan de in de eerste volzin van artikel 19, eerste lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders. Dat is in casu het geval.

Voor wat betreft de vraag of aan de voorwaarde is voldaan dat de vestiging van het transportbedrijf aan de [adres] is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, wordt als volgt overwogen.

.

In de onderhavige zaak is de ruimtelijke onderbouwing gegeven met het rapport van Bergs Advies van 18 april 2006, later aangevuld met de “Aanvulling ruimtelijke onderbouwing”. In de ruimtelijke onderbouwing van Bergs Advies van 18 april 2006

wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe locatie van het bedrijf evenals van het relevante gemeentelijk en provinciaal beleid. Verder wordt het project nader omschreven en de effecten ervan aangegeven, waarbij onder andere is gekeken naar het aspect luchtkwaliteit. In de “Aanvulling ruimtelijke ordening” wordt onder meer nog ingegaan op de aspecten geluidhinder (waarbij wordt verwezen naar een akoestisch rapport van HMB B.V. van 25 januari 2007), verkeershinder en luchtkwaliteit.

Gezien hetgeen in beroep is aangevoerd ten aanzien van de (aanvullende) ruimtelijke onderbouwing overweegt de rechtbank als volgt.

Ten aanzien van het aspect verkeersveiligheid overweegt de rechtbank dat de vrijstelling wordt verleend voor een internationaal transportbedrijf met op- en overslagmogelijkheden op de bedrijfslocatie. Ten aanzien van de relevante feiten zijn partijen het erover eens dat van en naar het bedrijf de nodige vervoersbewegingen zullen plaatsvinden door vrachtwagencombinaties van zowel belanghebbende als derden, en door personenauto’s van personeel en bezoekers. Ook zijn partijen het erover eens dat de (ontsluitings)wegen waarover die vervoersbewegingen plaats zullen vinden thans reeds drukke wegen betreffen. Zo heeft verweerder aangegeven dat op De Bong zo’n 6000 vervoersbewegingen per etmaal plaatsvinden, hetgeen verweerder overigens baseert op een eenmalige verkeerstelling en waarbij niet nader is gekeken naar de aard van de voertuigen die van deze weg gebruik maken. Ook zijn partijen het erover eens dat met name het kruispunt Kieënweg-De Bong-Napoleonsbaan reeds zonder de vestiging van het bedrijf van belanghebbende een druk kruispunt betreft en dat schoolgaande fietsende kinderen gebruik maken van de hiervoor genoemde wegen en kruispunt. Verweerder heeft geen onderzoek verricht naar de verkeersgevolgen van vestiging van het bedrijf omdat deze gevolgen volgens verweerder verwaarloosbaar zijn.

De rechtbank is er echter niet van overtuigd dat de vestiging van het bedrijf geen dan wel verwaarloosbare gevolgen zal hebben voor de verkeersveiligheid ter plaatse, gelet op de aard van de voertuigen (grote vrachtwagencombinaties), in de context van een al drukke weg (De Bong) en een druk kruispunt ( waar De Bong aansluit op de Napoleonsbaan), in combinatie met fietsende schoolkinderen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder gedegen onderzoek had dienen te (doen) verrichten naar de verkeersgevolgen van bedrijfsvestiging alvorens conclusies te kunnen trekken. Het algemene onderzoek naar de verkeersveiligheid op De Bong, dat door verweerder op 31 januari 2008 is ingebracht, kan, nog afgezien van het zeer summiere karakter ervan, niet als zodanig gelden, nu dit onderzoek zich niet toespitst op de gevolgen van de vestiging van het bedrijf. Het besluit is ten aanzien van het aspect verkeersveiligheid in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb.

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit overweegt de rechtbank als volgt.

Met ingang van 15 november 2007 worden de luchtkwaliteitseisen geregeld in de Wet milieubeheer (titel 5.2). In artikel V van de “Wijzigingswet Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)” is het overgangsrecht geregeld, welk artikel bepaalt dat titel 5.2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing zijn op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 vastgesteld besluit of ontwerpbesluit, noch op ter uitvoering daarvan strekkende besluiten, overige rechtshandelingen en feitelijke handelingen. In een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit of een ter uitvoering daarvan strekkend besluit, overige rechtshandeling of feitelijke handeling als bedoeld in de eerste volzin kunnen uitsluitend gevolgen voor de luchtkwaliteit worden aangevoerd voor zover deze redelijkerwijs niet in een eerdere rechterlijke procedure aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld.

Artikel VI bepaalt dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt ingetrokken met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat de artikelen van dat besluit, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip, van toepassing blijven op een vóór dat tijdstip met toepassing van artikel 7 van dat besluit vastgesteld besluit of ontwerpbesluit.

Dat betekent dat het Besluit luchtkwaliteit 2005 van toepassing is op het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden in acht.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 wordt hier in ieder geval de bevoegdheid als bedoeld in artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening onder begrepen.

Ingevolge artikel 7, derde lid van het Besluit luchtkwaliteit 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

In artikel 16 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn ten aanzien van stikstofdioxine (NO2) ter bescherming van de gezondheid van de mens de jaargemiddelde concentraties voor de jaren 2005 tot en met 2009 opgenomen en in artikel 17 de uurgemiddelde concentraties voor deze stof bij wegen voor eveneens de jaren 2005 tot en met 2009, waarbij is bepaald dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mogen worden overschreden.

Ingevolge artikel 20 van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden voor zwevende deeltjes (PM10), – ook wel fijn stof genaamd –, de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 ug/m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 ug/m3 als vierentwintiguurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing gesteld dat onderzoek achterwege kan blijven omdat de grenswaarden voor fijn stof en stikstofdioxine door vestiging van het bedrijf niet worden overschreden, waarbij verweerder zich beroept op “gegevens” van de provincie. Verweerder stelt dat ter plekke een fijn stof(achtergrond)nivo geldt van 36ug/m3, exclusief zeezoutcorrectie. De norm is 40 ug/m3, zodat het nivo onder de norm ligt. Verweerder gaat uit van een toename van 60 voertuigbewegingen per dag en stelt dat uit onderzoeken zou zijn gebleken dat de uitstoot van fijn stof en andere onder het besluit vallende stoffen niet relevant is bij minder dan 600 voertuigbewegingen per dag. De uitstoot bij een toename van 60 voertuigbewegingen per dag is derhalve niet relevant volgens verweerder, zodat er geen significante nadelige invloed van de vestiging van het bedrijf is te verwachten op de luchtkwaliteit.

In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing zijn nog kaarten van de provincie met betrekking tot de jaren 2003 en 2010 voor fijn stof en stikstofdioxine gevoegd. Tenslotte heeft verweerder nog gesteld dat de verslechtering aan de Pratwinkel wordt gecompenseerd op de locatie aan de Napoleonsbaan.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verweerder heeft aangevoerd niet de conclusie wettigt dat het bestreden besluit geen significante gevolgen zal meebrengen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van de in acht te nemen grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxine en dat onderzoek om die reden achterwege kan blijven. De rechtbank overweegt daartoe, zonder daarbij volledig te willen zijn, als volgt.

Ten aanzien van de achtergrondconcentraties voor zwevende deeltjes en stikstofdioxine in het gebied stelt verweerder uit te zijn gegaan van gegevens van de provincie. Blijkens de stukken in het dossier gaat het daarbij om het kaartmateriaal waarop de achtergrondconcentraties van zwevende deeltjes en stikstofdioxine, te weten de jaargemiddelde concentraties voor de jaren 2003 en 2010, zijn weergegeven. De rechtbank overweegt dat dit niet de meest actuele beschikbare gegevens zijn ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp besluit. Dat zijn immers de gegevens betreffende het jaar 2005. Dat verweerder later op verzoek van de rechtbank (in verband met de onleesbaarheid van de overgelegde kaarten) kaarten van 2005 en 2010 heeft overgelegd, maakt dat niet anders, nu verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat van deze laatste gegevens is uitgegaan. Verder betreffen deze kaarten enkel de jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen aan zwevende deeltjes en stikstofdioxine langs de rijks- en provinciale wegen. De bijdrage van gemeentewegen, behalve gemeentelijke wegen die behoren tot het Regionaal Verbindend Wegennet, zijn hierin niet opgenomen. Ook zijn daarin geen eventuele relevante lokale vervuilingsbronnen voor de relevante stoffen meegenomen. Tenslotte ontbreken gegevens over de uurgemiddelde concentraties van stikstofdioxine en de vierentwintiguurgemiddelde concentratie van zwevende deeltjes.

Ten aanzien van de invloed van het bedrijf van belanghebbende op de luchtkwaliteit is verweerder vervolgens uitgegaan van 60 voertuigbewegingen per etmaal ten gevolge van het bedrijf, terwijl in het akoestisch onderzoeksrapport van HMB B.V. van 25 januari 2007 wordt uitgegaan van 90 voertuigbewegingen per etmaal wat betreft vrachtwagens en 70 vervoersbewegingen per etmaal wat betreft personenauto’s. Verder is verweerder er aan voorbij gegaan dat de uitstoot aan schadelijke stoffen door een vrachtwagen vele malen groter is dan die door een personenauto. Tenslotte is niet gebleken dat verweerder de activiteiten op de bedrijfslocatie zelf (zoals stationair draaien, rondrijden, parkeren) in ogenschouw heeft genomen.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder niet op deugdelijke wijze heeft onderzocht welke concentraties van zwevende deeltjes en stikstofdioxine ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (althans ten tijde van het ter inzage leggen van het bestreden besluit) ter plaatse reeds voorkwamen én welke bijdrage de onderhavige inrichting zal leveren aan de jaargemiddelde en de vierentwintiguurgemiddelde concentraties van zwevende deeltjes en de uurgemiddelde en jaargemiddelde concentraties aan stikstofdioxine.

Het besluit is dan ook ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb.

Bij een nieuw te nemen besluit zal verweerder ook nog rekening dienen te houden met en/ of in dienen te gaan op hetgeen door Van Riezen & partners in het aanvullend beroep van 1 februari 2008 is aangegeven ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit, zoals onder meer het feit dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de uitstoot van benzeen en het feit dat de concentraties aan schadelijke stoffen in de toetsingsjaren 2015 en 2020 niet in beeld zijn gebracht alsmede de vraag in hoeverre de voertuigbewegingen van voertuigen van en naar [adres] ook (en nog steeds) zullen plaatsvinden over de Napoleonsbaan.

Ten aanzien van het aspect geluidoverlast overweegt de rechtbank dat wanneer mag worden uitgegaan van de bevindingen in het akoestisch onderzoeksrapport van HMB B.V. van 25 januari 2007, het bedrijf van belanghebbende ten opzichte van de woning van eisers [eiser A en B] en (zaak 07/ 644) aan de [adres eiser A en B] zal voldoen aan de voor dit bedrijf geldende grenswaarden in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit). Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in bedoeld rapport de woning van eisers wel is meegenomen, maar per abuis als [...] is vermeld. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat eisers terecht hebben aangevoerd, dat in het rapport is vermeld dat voor het omliggende terrein is gerekend met een bodemfactor voor een zachte bodem, maar dat dit onverlet laat dat er wel degelijk is gerekend met een bodemfactor voor een harde bodem waar de grond is verhard, zoals vanaf beide inritten met asfalt en beklinkering. De rechtbank gaat er van uit dat dit juist is nu in het rapport onder “4. Onderzoeksmethode”, behalve dat is aangegeven dat “Voor het omliggende terrein is gerekend met een bodemfactor 1,0 (zachte bodem)”, eveneens is vermeld “Verharde bodemgebieden zijn in het rapport als zodanig ingevoerd.”

Verder is door de gemachtigde van verweerder ter zitting verklaard dat enkel de geluidbijdrage van het bedrijf van belanghebbende is berekend en de geluidbijdrage van andere bedrijven buiten beschouwing is gelaten.

De rechtbank kan verweerder in beginsel volgen waar het gaat om de vraag of het geluidnivo ten gevolge van het bedrijf op de gevel van de woning van eisers [eiser A en B] voldoet aan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder daar in het kader van de ruimtelijke onderbouwing bij de vrijstelling echter niet mee volstaan. Immers, als ten gevolge van de bedrijfsvestiging vanwege het eventuele cumulatief geluideffect van de geluidbijdrage van het bedrijf aan de [adres] met de geluidbijdrage van andere bedrijven, de daadwerkelijke geluidbelasting bij eisers woning toeneemt, zal verweerder dit moeten onderkennen en betrekken bij de belangenafweging. Nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder dit heeft onderzocht en gewogen en verweerders gemachtigde ter zitting ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen cumulatief effect is dan wel dat het eventuele cumulatief effect niet (kan) leid(t)(en) tot een (te)hoge(re) geluidbelasting op de gevel van de woning van eisers, heeft verweerder in strijd gehandeld met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb.

Uit het akoestisch rapport blijkt verder dat de geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting (de zogenaamde indirecte geluidhinder) bij de de woning van eiser [eiser E] (zaak 07/ 648) aan de [adres eiser E] de voorkeursgrenswaarde in de zogenaamde “Schrikkelcirculaire” van 29 februari 1996 van het Directoraat-generaal Milieubeheer, Directie Geluid en Verkeer, met 1 dB(A) in de avondperiode en met 5 dB(A) in de nachtperiode overschrijdt .

Hierover is in het akoestisch rapport onder het kopje “Geluidreducerende maatregel” – in werkelijkheid is er sprake van geluidverruimende maatregelen – gemotiveerd waarom de berekende indirecte hinder ten gevolge van het bedrijf acceptabel is. Aangegeven wordt dat de berekende (overschrijdings)waarden ruimschoots voldoen aan de maximale ontheffingswaarde. Verhoging van de grenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde is mogelijk, zo wordt gesteld, zolang een binnengeluidnivo in de betreffende woning van ten hoogste 35 dB(A) etmaalwaarde gewaarborgd is (eveneens een norm uit zogenaamde Schrikkelcirculaire van 29 februari 1996). Uit aanvullend onderzoek is gebleken dat de geluidwering van de woning [adres eiser E] voor alle maatgevende ruimten meer bedraagt dan 20 dB(A), en dat aan de eis voor het binnenniveau kan worden voldaan en ontheffing mogelijk is, aldus het akoestisch rapport.

Verweerder heeft vervolgens op 20 november 2007 in het kader van de melding in het kader van de Wet milieubeheer ten aanzien van het aspect geluid nadere voorschriften aan belanghebbende opgelegd, inhoudende, voor zover hier relevant, dat de indirecte hinder als gevolg van de vervoersbewegingen van en naar de inrichting voor de woning aan de [adres eiser E] maximaal 46 dB(A) mag bedragen in de avond- en 45 dB(A) in de nachtperiode.

De rechtbank is van oordeel dat eiser [eiser E] primair tegen dit voorschrift op kan en dient op te komen in de hiervoor geldende procedure, waarbij eiser ook het aspect van de handhaafbaarheid van het voorschrift aan de orde kan stellen evenals de vraag wat dit voorschrift in concreto betekent voor het aantal toegestane vrachtbewegingen in de avond- en nachtperiode.

De rechtbank dient wel de vraag te beantwoorden of verweerder met het volgen van het gestelde in het akoestisch rapport een afdoende belangenafweging heeft gemaakt. Immers, verweerder heeft beoordeeld dat een geluidbelasting van ten hoogste 35 dB(A) in de woning van eiser gewaarborgd is en dat het toestaan van de hiervoor genoemde geluidnivo’s in de avond- en nachtperiode derhalve acceptabel is.

De rechtbank overweegt in dit verband dat uit het akoestisch rapport niet blijkt wat de bestaande geluidbelasting bij en in de woning van eiser is, dus de situatie vóór de vestiging van het bedrijf, zodat ook niet duidelijk is hoe groot de toename is van de geluidbelasting en daarmee wat de impact is van de besluitvorming voor eiser. Verder overweegt de rechtbank dat de voornoemde Schrikkelcirculaire geen juridische status heeft. Niet gesteld of gebleken is dat verweerder deze circulaire als bestendig beleid hanteert in vergelijkbare gevallen. Verweerders besluitvorming is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ook op dit punt in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 3:46 van de Awb.

Eisers betwisten verder dat er sprake is van een verbeterde omgevingskwaliteit, waarbij ze de impact van de bedrijfsvestiging aan [adres] voor de directe woon- en leefomgeving bedoelen. Verweerders conclusie dat er sprake is van een verbeterde omgevingskwaliteit ziet enkel op het aspect “landschap”, zo is door verweerder aangegeven. Van dat laatste uitgaande acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de ontmanteling van het bedrijf aan de Napoleonsbaan, een verbetering betekent voor het landschap ter plaatse, gezien ook het feit (zoals eisers op zitting hebben gesteld), dat voor zover er al sprake is van een open karakter van het landschap op de oude bedrijfslocatie aan de Napoleonsbaan, dit karakter teniet zal worden gedaan door de geplande uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf. Verweerder zal dan ook nader dienen in te gaan dat de bedrijfsverplaatsing zich verdraagt met het POL van 22 september 2006 en nader moeten ingaan op het door eisers (in de zaken 07/ 647 en 07/ 648) over het POL gestelde.

In het nieuw te nemen besluit zal verweerder de belangen van eisers

– ook in het kader van de bredere omgevingskwaliteit – (opnieuw) moeten betrekken.

De rechtbank concludeert dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen in de zaken 07/ 647 en 07/ 648, gezien het voorgaande geen aanleiding bestaat.

De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit komt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eisers in de zaken 07/ 647 en 07/ 648 redelijkerwijs hebben moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1.

III. BESLISSING

De rechtbank Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart de beroepen van eisers in de zaak 07/ 644, 07/ 647 en 07/ 648 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eisers in de zaak 07/ 647 en 07/ 648 begroot op telkens € 644,- (zijnde de kosten van rechtsbijstand) vergoeden door verweerders gemeente;

bepaalt dat aan eisers in de zaken 07/ 644, 07/ 647 het door hen gestorte griffierecht ten bedrage van telkens € 143,00, en aan eisers in de zaak 07/ 648 ten bedrage van € 285,- volledig wordt vergoed.

Aldus gedaan door mrs. T.M. Schelfhout, C.M.W. Nobis (voorzitter) en W.P.M. Corbey-Smits, in tegenwoordigheid van mr. N.F.M. Roelofs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2008

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op:24 april 2008

JS

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Ingevolge artikel 6:5 van de Awb bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak en moet een afschrift van de uitspraak bij het beroepschrift worden overgelegd.